Skip to main content

Full text of "Het Negerhollands der Deense Antillen. Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandse taal in Amerika"

Google 



This is a digital copy of a bix>k thal was preserved lor gcncralions on library shelves bel ore il was carefully scanned by Google as part ofa project 

to makc the world's books discovcrable onlinc. 

Il has survived long enough Tor ihe copyright lo expire and the book to enter the public domain. A public dom ai n book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past. representing a wealth ol'history. culture and knowledge that 's ol'len dillicult to discover. 

Marks. notations and othcr marginalia present in the original volume wil] appcar in this lile - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and linally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries lo digili/e public domain malerials and make ihem widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merel y iheir cuslodians. Neverlheless. ihis work is expensive. so in order lo keep providing ihis resource, we have laken sleps lo 
prevent abuse by commercial parlics. iiicliiJmg placmg lechnical reslriclions on aulomated querying. 
We alsoask that you: 

+ Make non -commercial u.se of the files We designed Google Book Search for use by individuals. and we requesl ihat you usc these files for 
personal, non -commercial purposes. 

+ Refrain from tmtointiteil //nerying Do nol send aulomaled queries of any sorl lo Google's syslem: II' you are conducling research on machine 
translation. oplical characler recognilion or olher areas where access lo a large amounl of lexl is helpful. please conlacl us. We encourage the 
use of public domain malerials lor these puiposes and may bc able to help. 

+ Maintain attribution The Google "walermark" you see on each lile is essenlial for inlbrming people aboul ihis project and hclping them lind 
additional malerials ihrough Google Book Search. Please do nol remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use. remember that you are responsible for ensuring ihat whai you are doing is legal. Do nol assume that just 
bccausc we believe a book is in ihc public domain for users in the Uniied Staics. thai the work is also in ihc public domain for users in other 

counlries. Whelher a book is slill in copyright varies from counlry lo counlry. and we can'l offer guidancc on whelher any specilic use of 
any specilic book is allowed. Please do nol assume ihal a b(K>k's appearance in Google Book Search means it can be used in any manncr 
anywhere in the world. Copyright infringemenl liability can bc quite severe. 

About Google Book Search 

Google 's mission is lo organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover Uie world's books while lielpmg aulliors and publishers ivacli new audiences. You eau search llirougli ihe lïill lexl of this book uu ihe web 
al |-\:.:.^: / / böökj . qooqle . com/| 



Google 



Dil is een digitale kopie van een boek dal al generaties lang op hihliollieekplanken heeft gcslaan. maar iili zorgvuldig is gescand dooi" Google. Dal 

doen we omdat we alle boeken ter wereld on line k-se hik baar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het bock nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dal nooit onder het auteursrecht is gevallen, ol' waarvan de wettelijke auleursrechllemiijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stern uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in hel origineel stonden, worden weergegeven in dil bestand, als herinnering aan de 

lange reis die hel boek heelt gemaakt van uilgever naar bibliotheek, en uileindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen mei bibliotheken om materiaal uit hel publieke domein te digitaliseren, zodal het voor iedereen beschikbaar wordl. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan hel publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst ie kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals hel plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 
Verder vragen wc u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-conunerciêle doeleinden We hebben Zoeken naar boeken mei Cioogle ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niel-coniniercië.le doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar hel systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische lekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u loegang nodig heefl lol grole hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uil hel publieke domein ie gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendouisvurklaring staan liet "watermerk"' van Google dal u onder aan elk bestand ziet. dient om mensen informatie over het 

project Ie geven, en ze te helpen eslra materiaal Ie vinden met Zoeken naar boeken mei Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wal u ook doel. houd er rekening mee dal u er zelf verantwoordelijk voor beni dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uilgaan dal wanneer een werk beschikbaar lijkt ie zijn voor het publieke domein in de Verenigde Slaten. hel ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust. verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dal u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google slaat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereld wijd toegankelijk en bruikbaar Ie maken. Zoeken naar boeken met Google helpl lezers boeken uit 
allerlei landen ie ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dil boek doorzoeken 
op het web via |http: //books .google .com| 



F-A?y..A/0 



HARVARD COLLEGE 
LIBRARY 




FROM THE FUND OF 

CHARLES MINOT 

CLASS OF 1818 



HET NEGERHOLLANDS 



DER 



DEENSE ANTILLEN. 



HET NEGERHOLLANDS 



DER 



DEENSE ANTILLEN. 



BIJDRAGE 



TOT DE 



GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSE TAAL IN AMERIKA 



DOOR 



D. C. HESSELING. 



Uitgegeven vanwege de „Maatschappij der Nederlandsche 

Letterkunde te Leiden." 



W>- 



LEIDEN. - A. W. SIJTHOFF. 

1905 



%-2-.-74* ^1° 



^ HARVARD COLLEGE LIBRARY 

MINOT FUND 



1 \ 



3 



VOORBERICHT. 



De „Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde", die ook 
deze bijdrage tot de geschiedenis van onze taal met haar 
patronaat vereert, bepaalt in Art. 70 van het negende Hoofd- 
stuk van haar Wet, dat handelt over het uitgeven van ge- 
schriften, het volgende: „De schrijvers kunnen hunne eigene 
spelling behouden". Een eigen spelling heb ik niet, doch, 
gebruik makend van de vrijheid door het aangehaalde wets- 
artikel bedoeld, heb ik ook in dit geschrift de spelregels gevolgd 
van de Vereniging tot vereenvoudiging van onze schrijftaal. 

D. C. HESSELING. 
Leiden, Februarie 1905. 



Verklaring der verkorting van sommige titels. 



.... Étude sur Ie patois Créole Mauricien, par M. C. Baissac, 
Nancy, 1880. 

Bosch .... Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Zuid- en 
Noord- Amerika, door G. B. Bosch, predikant te Curac,ao, Utrecht, 
1829—1836. 2 dln. 

Delgado .... Dialecto Indo-Portuguès de Ceylao, por S. R. Delgado, 
Lissabon, 1900. 

De Nederl. op de West-Indische eU. .... De Nederlanders op de 
West-Indische eilanden, door J. H. J. Hamelberg, Amsterdam, 1901 
en 1903. 2 dln. Afzonderlik verkrijgbaar, doch voorzien van de by titel : 
Bijdragen tot de Jaarverslagen van het Geschied-, Land- en Volken- 
kundig Genootschap der Nederlandsche Antillen. Zie hieronder op 
Verslag. 

Dokumenten .... Dokumenten behoorende by De Nederlanders op de 
West-Indische eilanden, Amsterdam 1901 en 1903. 2 dln. Zie hierboven. 

Focke .... Neger Engelsen Woordenboek, door H. C. Focke, Leiden, 1855. 

G. D Grammatica over det Creolse Sprog, som bruges paa de trende 

Danske Ëilande, St. Croix, St. Thomas og St. Jan i America. 
Sammenskrevet og opsat af en paa St. Thomas indföd Mand, Kopen- 
hagen, 1770. 

G. H. . . . . Grammatik der Creolischen Sprache in West-Indien [z. d.ofj.]. 
Zie hierachter, blz. 36. 

Heins I . . . . Walchersche schetsen en vertellingen door Heins [H. E. 
Beunke], Purmerende [1875J. 

Heins II ... . Uit het Walchersche boerenleven, Amsterdam, 1877. 

Henrici .... Lehrbuch der Ephe-Sprache, von Dr. E. Henrici, Stuttgart 
en Berlijn, 1891. 

Het Afrikaansch .... Het Afrikaansch , bydrage tot de geschiedenis der 
Nederlandsche taal in Zuid-Afrika, door D. C. Hesseling, Leiden, 1899- 

Hoogenhout .... Praktisches Lehrbuch der Kapholl&ndischen Sprache 
von Dr. N. Marais-Hoogenhout, Weenen en Leipzig [1904]. 

HöSt .... Efterretninger of öen Sanct Thomas og dem Gouverneurer, op- 
tegnede der paa Landet fra 1769 indtil 1776, af G. Host, Kopen- 
hagen, 1791. 

De Jong .... Reize naar de Caralbische Eilanden in 1780 en 1781, door 
C. de Jong, Haarlem , 1807. 

Knox . . . . A historical account of St. Thomas, W. I., and incidental 
notices of St. Croix and St. John, by J. P. Knox, New- York, 1852. 

Kousemaker .... Opmerkingen over het Zuidbevelandsche Taaieigen 
door J. Kousemaker (Taal- en Letterbode IV), Haarlem, 1873. 



VIII 

Mansvelt .... Proeve van een Kaapsch-Hollandsch Idioticon, door 

N. Mansvelt, Utrecht, 1884. 
Netsoher . . . Geschiedenis van de koloniën Esseqnebo, Demerary en 

Berbice, door P. M. Netscher, 's-Gravenhage , 1888. 
N. T. D Die Nywe Testament,... ka set over in die Creols Tael, 

Kopenhagen, 1781. 
N. T. H. .... Die Nieuwe Testament na Creol Taal, Barby, 1802. 
Oldendorp . . . . C. G. A. Oldendorps Geschichte der Mission der evan- 

gelischen Brüder auf den Caraïbischen Insein S. Thomas, S. Croix 

und S. Jan, herausgegeben durch J. J. Bossart, Barby, 1777. 
Pontoppidan .... Eenige Notizen über die Kreolensprache der Danisch- 

Westindischen Insein, von Dr. E. Pontoppidan (Zeitschrift fQr Ethno- 

logie, Xllï, 1881). 
Poyen-Belllsle .... Les sons et les formes du Créole dans les Antilles, 

par R. de Poyen-Bellisle, Bal timore, 1894 (Dissertatie der Universiteit 

van Chicago). 
PB Psalmboek voor die Negergemeenten van St. Thomas, Si Croix 

en St. Jan, Barby, 1774. 
Schuchardt, KreoL Stud. I— IX .... Kreolische Studiën von Hugo 

Schuchardt (Sitzungsberichte der Kais. Akademie der Wissenschaften 

in Wien, Philosoph.-histor. Classe, Weenen, 1882—1891). 
St. Quentin .... Étude sur la grammaire Créole, par Auguste de St. Quentin 

(in Introduction a 1'histoire de Cayenne, par Alfred de St. Quentin, 

Parijs, 1872). 
Taylor .... Leaflets from the Danish West-Indies, by C. S. Taylor, 

St. Thomas, 1888. 
Te Winkel. . . .Geschichte der Niederl&ndischen Sprache von Jan te Winkel 

(Pauls Grundriss der germanischen Philologie, Straatsburg, 1898). 
Torrend . . . . A comparative Grammar of the South-African Bantu Lan- 

guages by J. Torrend, S. J., Londen, 1891. 
T. P. . . . Taalproeven meegedeeld door Pontoppidan (zie hierboven). 
Van Name .... Contributions to Créole Grammar by Addison Van Name 

(Transactions of the American Philological Association I, Hartford, 1871). 
Vereoullie .... Spraakleer van het Westvlaamsche Dialect door J. Ver- 

coullie (Onze Volkstaal II, Kuilenburg, 1885). 
Verschuur .... Klankleer van het Noord-Bevelandsch, door A. Verschuur, 

Amsterdam, 1902 (Dissertatie der Amsterdamsche Universiteit). 
Verslas: Gesch. Gen Jaarhjksch Verslag van het Geschied-, Taal-, 

Land- en Volkenkundig Genootschap gevestigd te Willemstad op 

Curagao, Amsterdam, 1897 en volgende jaren. Hiermj: De Nederl. op 

de West-Indische eil. en Dokumenten (zie hierboven). 
Von Dewitz .... In Danisch-Westindien. Anfange der Brudermission in 

St. Thomas, St. Croix und St. Jan (1732-1760), von A. Von Dewitz. 

2*« Uitgave, Herrnhut [1903]. 
Wullschlagel .... Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch von H. R. Wull- 

schlagel, Löbau, 1856. Waar sprake is van Spreekwoorden, wordt 

met Wullschlagel diens verzameling van 707 Negerengelse spreek- 
woorden bedoeld die achter zyn Woordenboek is gedrukt. 



OVERZICHT VAN DE INHOUD. 



INLEIDING. 

Bontheid der taalkaart van onze Westindiese kolonies en oorzaken daarvan 
(blz. 1—4); het Nederlands der negers van Berbice op 't einde der 
achttiende eeuw (blz. 4 — 6). 

HOOFDSTUK I. 

Overzicht van de geschiedenis der Deense Antillen (blz. 7—34). De eerste 
kolonisten (blz. 7 — 12); St. Thomas inbezitgenomen door de Denen, 
het Nederlands de taal der Deense regering (blz. 12—16); de taal der 
plantages op St. Thomas, St. Croix en St. Jan (blz. 16—21); veld- 
winnen van het Engels door het toenemen van het handelsverkeer, 
het verdwijnen van het Nederlands (blz. 21—28); het Negerhollands 
in de negentiende eeuw en zyn langzaam uitsterven (blz. 29 — 34). 

HOOFDSTUK II. 

Omschrijving der geschriften die in 't Negerhollands zyn samengesteld 
(blz. 35—48). De Deense groep (blz. 35—41) ; de Duitse groep 
(blz. 41—48). 

HOOFDSTUK III. 

Algemene beschouwingen over het Negerhollands (blz. 49 — 70). Verschillende 
meningen over het begrip Kreools (blz. 49 — 61); het Zeeuws en het 
Vlaams de taal der eerste kolonisten, invloed van vreemde talen op 
het Negerhollands (blz. 61—70). 



HOOFDSTUK IV. 

De spraakkunst van het Negerhollands (blz. 71—120). Spelling (blz. 71— 74); 
klanken (blz. 74—90); funktie en vorm der woorden (blz. 90 — 115); 
samenstelling van de zin (blz. 115 — 120). 



HOOFDSTUK V. 

Punten van overeenkomst en van verschil met het Nederlands in Zuid- Afrika 
(blz. 121-124). 

BLOEMLEZING. 

Spreekwoorden en gemeenzame gesprekken van de Kreolen (blz. 129 — 184); 
teksten aan de bijbelvertalingen ontleend (blz. 185 — 270); godsdienstige 
liederen (blz. 270-272). 

GLOSSARIUM. 



INLEIDING. 



In geen enkele van onze bezittingen in West-Indië is de 
Nederlandse taal het middel van gedachteuiting waarvan 
zich alle daar verblijvende Nederlandse onderdanen bedienen; 
in Suriname moet het Nederlands als landstaal naast zich 
dulden het Negerengels, dat wel geen toegang heeft verkregen 
tot de salons, maar toch ook door blanken gebruikt wordt 
wanneer zij met de gekleurde bevolking in aanraking komen; 
op Cura^ao, Aruba, Bonaire is 't Negerspaans of Papiements 
de taal waarin ook de beschaafde inwoners veelal met elkaar 
verkeren *), en op de eilanden boven de wind (St. Eustatius, 
Saba en St. Martin) heerst het Engels oppermachtig 2 ). 



1 ) Zie o. a. Jesurun in Verslag Gesch. Gen. I, blz. 96. 

2 ) Ter viering van de troonsbestijging van onze Koningin werden op 
St. Eustatius in 1898 de Nederlandse volksliederen in 't Engels vertaald 
door de heer A. Volk. Men zie Verslag Gesch. Gen. III, blz. 17 vlg.; 
volgens de schryver van dit stuk is de bevolking der eilanden zeer aan 
Nederland gehecht. Vroeger was, indien men Teenstra (De Nederl. West- 
Indische eilanden , Amsterdam, 1836) mag geloven, dat anders. Hij zegt 
dat op St. Martin zowel als op St. Eustatius „alle Creoolen anti-Hollandsch 
en daarentegen volkomen Engelsch-gezind zyn" (blz. 306). Van 't eiland Saba 
getuigt hy dat „geen enkel ingezetene een woord Hollandsen verstaat" 
(blz. 370). De regeringstukken werden en worden in 't Nederlands gepubli- 
ceerd ; de zeden en gewoonten zyn echter Engels en waren dat reeds in de 
18 de eeuw: „de levenswys der Inwoners in zeden, manieren, kleeding en 

1 



2 

De bontheid der taalkaart van onze West heeft drieërlei 
oorzaak: de betrekkelike gemakkelikheid waarmee Nederlanders 
in den vreemde hun moedertaal prijsgeven, de overmacht van 
talen door volken gesproken die ons in handelsgrootheid en 
getalsterkte overtreffen, de omstandigheid dat in verschillende 
streken reeds vóór ons zich blanken hadden gevestigd en er 
hun taal hadden overgebracht. Het schijnt mij toe dat de tweede 
faktor de gewichtigste is; toch kan men licht de beide andere 
onderschatten. Immers toen Engeland's handel de onze in veel 
geringer mate overtrof dan tans het geval is, was de toestand 
reeds soortgelijk; ten allen tijde hielden de Engelsen veel stren- 
ger aan hun eigen taal vast dan wij , voor een deel uit minachting 
van 't geen zij niet begrijpen, voor een ander deel uit een 
gevoel van eigenwaarde dat navolging verdient. Op de Deense 
Antillen spraken alle andere blanken het Kreools van 't eiland, 
en leerden hun kinderen die taal van de negerinnen en de 
negerkinderen met wie ze omgingen, „die Engl&nder hingegen, 
zegt Oldendorp in 1777, lemen mehrentheils kein Creolisch, und 
ihre Sclaven mussen sich darinn nach ihnen richten. Daher 
reden in grossen Gegenden von St. Croix die Neger nichts als 
Englisch" 0. 

Hoeveel het voordeel der eerste inbezitneming waard is, blijkt 
het best uit de rol die het Portugees in onze Oost heeft gespeeld, 
een rol die niet in verhouding schijnt te staan tot de korte duur 
van de Portugese handelsbloei tussen de keerkringen. Nog in 
de eerste helft der achttiende eeuw dreigde het Portugees in 



huishoudelijke inrichtingen is zoo volmaakt Engelsch dat aan het Hollandsche 
eiland St. Eustatius niets anders dan de vlag ontbreekt om geheel Engelsch 
te zijn" (De Jong, Reize naar de Caraïb. EU., Amsterdam, 1809, blz. 107). 
Sedert hoe lange tijd het Engels in onze oudste Westindiese kolonie reeds 
burgerrecht verkregen heeft, blijkt uit de mededeling van Hamelberg 
(Verslag Gesch. Gen. III, blz. 133) dat „reeds vóór 1658 de godsdienst- 
oefeningen door de predikanten der Gereformeerde Kerk om beurten in het 
Hollandsen en in het Engelsch gehouden werden". 
l ) Oldendorp, blz. 263. 



Batavia het Nederlands te verdringen *). In Suriname waren de 
Engelsen, die omstreeks 1630 zich er gevestigd hadden en er 
in 1665 reeds 40 a 50 suikerplantages bezaten 2 ), onze voor- 
gangers; toen zij in 1667 de kolonie aan ons moesten afstaan 
en in groten getale het land verlieten, had zich daar reeds 
onder de gekleurde bevolking een mengeltaal gevormd die, 
ondanks het gestadig toenemen van Hollandse woorden en 
uitdrukkingen, nooit het karakter van Negerengels verloren 
heeft. Op de eilanden beneden de wind volgden wij als meesters 
de Spanjaarden op, en slaagden er ook hier niet in de bestaande 
landstaal te verdringen 3 ). Alleen op de bovenwindse eilanden 
waren wij de eerste blanke bezitters; de gesteldheid en de 
ligging van deze eilanden, die vóór alles entrepöts voor de 
handel waren, deed hier de mededinging van een machtiger 
taal zegevieren. 

Vergelijking met hetgeen wij in onze tegenwoordige kolonies 
waarnemen geeft recht tot de onderstelling dat in streken die 
door Nederlanders zijn gekoloniseerd, en later in andere handen 
zijn overgegaan , gedurende langer of korter tijd naast het officiële 
Nederlands een mengeltaal heeft bestaan, een Nederlands Kreools, 
dat vermoedelik hier en daar sporen zal hebben achtergelaten. 



>) De Haan, Uit Gud-Batavia, Haarlem— Batavia , 1898, blz. 14, 42, 46. 

*) Netscher, blz. 76. 

J ) Van overheidswege beproefde men, in Oost en West, meer dan eens 
te verhinderen dat een vreemde taal de bovenhand kreeg; reeds bij 't ver- 
lenen van een koncessie of een oktrooi tot 't aanleggen van volkplantingen 
werd er bepaald dat geen andere dan de „Duytsche" taal mocht worden 
gebruikt Men denke ook aan de maatregelen door Ryklof van Goens 
genoiuen tegen 't veld winnen van 't Portugees aan de Kaap de Goede 
Hoop en op Java (Hesseling, Het Afrikaansch, blz. 67). Om 't onderwijs 
heeft men zich echter in 't moederland ten opzichte van de West weinig 
bekommerd, hoewel in de archieven van Curacao meermalen gewag wordt 
gemaakt „van verzoeken van kolonisten strekkend om, wegens het gebrek 
aan eenige inrichting tot opleiding van de jeugd, aan een bepaald persoon, 
veelal den voorzanger der gereformeerde gemeente, vergunning te verleenen 
eene school op te richten" (Hamelberg in Verslag Gesch. Gen. II blz. 133). 



Een voorbeeld levert Berbice. In 's Rijks Archief wordt een 

tweetal briefjes bewaard, door de hoofden van de slavenopstand 

die in 1763 de kolonie teisterde aan de goeverneur Van Hogen- 

heim gezonden. Ik laat ze hier volgen ter staving van mijn 

mening omtrent het Kreools dat eens in Berbice gesproken 

werd *): 

„Coffy, Gouverneur van de Neegers van de Berbice, Capitein 

Accara en laat UEd. groet, laat UEd. weet dat geen oorlog 

soek, vermis maar als UEd. soek oorlog te [tegen] de Neegers, 

sie ook klaar. Barguy en syn Bediende Graaf, Schoock delle 

van Lentzens gr. Frederick Betjes, maar de heer Barguy en 

sijn Bedienden en de Graaf syn de Operschuldenar van de quat 

die in de Berbice geschied is, de Gouverneur is by geweest 

toe dat hebbe begonne te schied, hij is seer quate [kwaad] 

geweest dat sy begonne heb, de Gouverneur van de Berbice 

verzoek UEd. dat UEd. met mijn koomt om met te spreeken, 

en UEd. moet niet ban [bang] wees, maar als U wil niet koom 

sy sal vechten soo lang als een Christ en [in] de Berbice is; 

de Gouverneur sal UEd. geeven de half Berbice, en sy luye 

sal amaal na booven gaan, maar moet niet denken dat de 

Neeger wel Slaven wil zijn, maar de Neeger dat UEd. heb op 
de Seepe [schepen] die kan zijn UEd. slaaven, de Gouverneur 

groet UEd". 

„De Edele Brief die heben wel ontfangen, derwiel doet [dat] 

de jonge Heer Charbon siek is, soo versoeke uwe de Neeger 

Gofi en Accara dat je andere in die blaets [plaats] steueren, 

of de selven, en wie [wij] versoeke de heer Gouverneur selfs 

met de komen, dat wie ook wel weeten doet [dat] en [een] Godt 

is in [en] als die gedaegten haeden [hadden] om joe kwae te 

doen wie suellen keen Brief stuerren, omdat de Negre Quaebi 



') Netscher heeft in de aantekeningen op zyn Geschiedenis van de 
koloniën Essequebo, Demerary en Berbice één van deze briefjes afge- 
drukt (blz. 401). Onjuist is zyn beweren dat Van Hogenheim in die zelfde 
taal antwoordde ; de brief van de gouverneur is in gemeenzaam Nederlands 
geschreven, maar bevat geen spoor van Kreools. 



en Biraemus en Piter vaen Abelzis, doet sie de Stuerman van 
Captien Pinabel gevaengen, en bij ons gebrocht, en ons geseid 
dat je luy ons daar verwachtende, maer anders dat Cofi en 
Accara ken [geen] quade gedaegten meer haden, dat Cofi die 
boven met Syn Volg, en dat hij gehoord haede daet die andre 
Volg by joeluy gekoomen waeren om vegten seer quawd waes 
voor haar lui de Neger Quaebi en Biramus gezyt als wie daar 
quame daet hy ons leluepe [lubben?] soeude; daer stuer uwe 
de neeger Cofi en [een] baer [paar] goute Gespen aan de 
Gouverneur". 

„Zuiver" Kreools is deze taal niet; de schrijver had de be- 
doeling Nederlands te schrijven en heeft zelfs naar zekere 
korrektie gestreefd, maar 't is niettemin duidelik uit de aard 
van zijn vergrijpen tegen onze taal, dat hier de inwerking van 
een vreemd idioom tot verhaspeling van het Nederlands heeft 
geleid. Een dergelijk onvermogen om te vervoegen en te ver- 
verbuigen, zulk een verwarring van stemhebbende met stemloze 
medeklinkers, deze eigenaardigheden van de slotklank (de n 
in ban, die vermoedelik een genasaliseerde a weergeeft), dit 
alles vindt zijn weerga in geen enkel Nederlands taaieigen en 
schijnt onverenigbaar met de hypothese van zelfstandige ver- 
vorming onzer taal binnen een betrekkelik kort tijdsverloop. 

Door een gelukkige omstandigheid is voor ons van 't Neger- 
hollands van een ander deel van West-Indië heel wat meer 
bewaard dan zulke kattebelletjes, die alleen waarde hebben bij 
ontstentenis van belangrijke stukken. Op de Deense Antillen, 
die — als men een kortstondige vestiging op St. Croix uit- 
zondert — nooit aan Nederland hebben behoord, maar in 
hoofdzaak door Nederlanders gekoloniseerd moeten zijn, is onze 
taal eeuwen lang in gebruik gebleven *); Deense en Duitse 



l ) Iets soortgelijks geldt van 't Frans ten opzichte van Trinidad, een 
eiland dat tot 1797 aan Spanje, en daarna aan Engeland heeft behoord. De 
landstaal is er niettemin Frans; in 1783, toen het eiland bijna onbewoond 
was, hebben er zich vele Franse kolonisten gevestigd. 



6 

zendelingen hebben zich op 't eind der 18 de en 't begin der 
19 de eeuw met ijver op de kerstening der negerslaven toegelegd 
en verschillende geschriften samengesteld in de taal van hun 
katechumenen. Uit die boeken, vergeleken met een paar mede- 
delingen van andere herkomst, kunnen we ons een vrij nauw- 
keurig beeld vormen van het Kreools dat lange tijd op St. Thomas, 
St. Jan en St. Croix het meest verspreid was. Aan de bestudering 
van die taal is dit geschrift gewijd. 



I. 

Het is voor de onderzoekers der geschiedenis van een taal 
een verdrietig verschijnsel dat historici, ook wanneer zij ge- 
beurtenissen en toestanden van hun eigen tijd beschrijven, zo 
veel minder plegen mee te delen omtrent de spreekwijze der 
mensen als omtrent hun manier van oorlogvoeren en handel- 
drijven. Ook de meeste reizigers laten onze nieuwsgierigheid 
onbevredigd; zij achten het belangrijker ons te melden waar 
en wat zij gegeten hebben en door welke insekten hun nacht- 
rust is gestoord, dan op te tekenen wat zij konden waarnemen 
betreffende de wijze waarop de verschillende standen der maat- 
schappij hun gedachten uiten. De geschiedschrijvers en bezoekers 
der Deense Antillen maken op die regel geen uitzondering, en 
dit diene ter verontschuldiging voor het onvolledige van de 
volgende schets der linguistiese geschiedenis, als ik mij dit 
aanmatigende woord mag veroorloven, van St. Thomas, St. Jan 
en St. Croix. 

De enige, mij bekende, beschrijver der Deense Antillen die 
een afzonderlik hoofdstuk wijdt aan de taal door de gekleurde 
bevolking van St. Thomas gesproken, is Oldendorp in zijn 
Geschichte der Mission der evangelischen Bruder auf den 
caraibischen Insein S. Thomas, S. Croix und S. Jan (Barby , 
1777, blz. 424—436). De overige schrijvers bemoeien zich met 
de taalkwestie in 't geheel niet en geven slechts ter loops, en 
als 't ware onwillekeurig, enkele inlichtingen. Van de door mij 
geraadpleegde bronnen verdienen, naast Oldendorp, biezondere 
vermelding : 

G. Host, Efterretninger of Oen Scmct Thomas og dem 



8 

Gouverneur er > optegnede der paa Landet f ra 1769 indtil 1776 
(Kopenhagen, 1791). De schrijver was zelf goeverneur van 
St. Thomas (1773—1776) en ontleende zijn gegevens aan 
't Archief dat zich op 't eiland bevond. Zijn werk heeft grote 
waarde voor de geschiedenis der eerste eeuw van de Deense 
heerschappij ; 

J. P. Knox, A historical account of St. Thomas (New- 
York, 1852). Knox heeft voor het eerste gedeelte van zijn 
geschiedenis zich aan Host gehouden; de latere tijd beschrijft 
hij zelfstandig en als ooggetuige. 

Voor de geschiedenis der Herrnhutters op de Deense Antillen 
is van belang Von Dewitz, In Danish-Westindien. Anfange 
der Briider-Mission in St Thomas (Herrnhut, 1899). De ver- 
schillende reisbeschrijvingen uit vroeger en later tijd waarin ik 
iets merkwaardigs over de Deense eilanden heb gevonden, en 
een paar beschrijvingen van St. Thomas uit de laatste jaren 
van de 19 de eeuw, zal ik te gelegener plaatse vermelden. 

St. Thomas en St. Jan behoren met tal van kleine, voor 
een deel onbewoonde, eilandjes tot de groep der Maagden- of 
Juffereilanden, gelegen ten Oosten van Porto-Rico. Dikwels 
wordt ook 't eiland St. Croix (St. Cruys of Santa Cruz) tot 
deze groep gerekend, ofschoon het geografies er eigenlik van 
is te onderscheiden *). In 1493 werden deze eilanden door 
Columbus ontdekt, St. Croix het eerst. Hier trof men een 
Indiaanse bevolking aan ; de overige eilanden heetten onbewoond. 
Vermoedelik was die laatste mening onjuist; immers op 
St. Thomas heeft men op rotsen tekeningen gevonden die 't 
werk van Indianen schijnen te zijn; wellicht hadden deze bij 
't naderen van de Spanjaarden zich tijdelik verborgen. Sterk 
in aantal kunnen deze Caraïben noch op St. Croix, noch op 
St. Thomas of St. Jan geweest zijn, en zowel hun onderlinge 
veten als de oorlogen met de Spanjaarden maakten dat reeds 
vóór 't begin der 17 de eeuw, vóór er sprake kon zijn van 
Europese kolonisatie, de oorspronkelike bewoners van de drie 
eilanden zogoed als geheel waren verdwenen 2 ). In de tijd 



l ) E. Reclus, Nouvelle Géographie illustrée, XVII (Indes Occidentales), 
Parys, 1891, blz. 899. 
*) Knox, blz. 14—18; Oldendorp, blz. 18. 



waaruit we vertrouwbare bescheiden omtrent de Deense Antillen 
bezitten, dus sedert het laatste vierde deel der 17 de eeuw, 
wordt nooit van Caraïben gerept. Met hun taal behoeft dus 
weinig rekening te worden gehouden. 

Gedurende de eerste twintig jaren van de zeventiende eeuw 
golden de eilanden voor geheel en al verlaten. De nauwkeurige 
De Laet maakt in 't geheel geen melding van de eilanden 
St. Thomas en St. Jan; hij haalt alleen een scheepsbericht 
aan van „Sir Francis Draeck" (Drake), die getuigt dat hij op 
Las Virgines „een goede reede voor 1000 zeijlen" aantrof, 
't geen blijkbaar op de later zeer vermaarde baai en ree van 
St. Thomas slaat. Van Santa Cruz geeft De Laet een korte 
beschrijving, eindigend met de mededeling dat het „een leegh 
Eylant" is *). Lang na de samenstelling van De Laet's boek 
is het dit echter niet gebleven. Nederlanders en Engelsen 
hebben zich er gevestigd, volgens sommigen reeds in 1625; 
het is waarschijnlik dat de Nederlandse kolonisten voor een 
deel herkomstig waren van Brazilië, dat wij in 1626 moesten 
prijsgeven. Hoe dit zij, voor de later op St. Croix gesproken 
taaj was deze eerste vestiging van de Nederlanders van geen 
belang, want in 1645, toen de gehele bevolking van 't eiland 
ruim 600 zielen telde, ontstond er een bloedige twist tussen de 
Engelse en de Nederlandse bewoners, waarvan het einde was 
dat de laatsten het eiland verlieten en zich, volgens Knox 2 ), 
naar St. Eustatius en St. Martin begaven. Bij deze twist had- 
den een honderdtal Fransen die zich op 't door de Neder- 
landers bewoonde deel van 't eiland gevestigd hadden, onze 
zijde gekozen ; zij trokken naar Guadaloupe 3 ). Deze biezonder- 
heid verdient aangetekend te worden omdat dit samenwonen 
van Fransen en Nederlanders in de West geen op zich zelf 
staand verschijnsel is, en invloed gehad kan hebben op de taal. 



l ) De Laet, Beschrijvinghe van West-Indiën, 2 de druk, Leiden, 1680, 
blz. 39 vlg. In zijn Historie ofte jaerlyck Verhael van de Verrichtinghen 
der Geoctroyeerde West-Indische Compagnie sedert hoer begin tot het 
eynde van 't jaar 1636 (Leiden, 1644) wordt geen van deze eilanden 
genoemd. 

s ) Knox, blz. 26. 

s ) Du Tertre, Histoire générale des Antilles habitées par les Francois, 
8 dln. Parijs, 1667-1671, I blz. 272. 



10 

Vijf jaar later werden de Engelsen op hun beurt verdreven 
door de Spanjaarden, die weer de plaats moesten ruimen voor 
de Fransen. Deze bleven op St. Croix tot in 1695, toen, na 
tal van wederwaardigheden en om redenen waarvan de ver- 
melding buiten ons bestek ligt, de Franse kolonie werd opge- 
heven en 't eiland op nieuw werd verlaten. De tropiese 
plantegroei maakte het weldra tot een moeilik te ontginnen 
wildernis. In die toestand bleef het tot in het jaar 1733 1 ). 

Reeds uit het hierboven vermelde scheepsbericht van Drake 
blijkt dat de buitengewoon ruime rede van St. Thomas vroeg 
de aandacht der zeevarende naties heeft getrokken. Omtrent de 
eerste vestiging van Europeanen bestaat intussen weinig zekerheid. 
Oldendorp 2 ) bericht dat reeds in de eerste helft der zeventiende 
eeuw Deense kooplui handel dreven met St. Thomas, waar 
zich toen volgens hem, behalve enkele Caraïben, Nederlanders 
ophielden. Hij vermoedt dat de laatsten behoorden tot de 
families die in 1646 door de Engelsen uit St. Croix waren 
verdreven. Waarop dit vermoeden steunt, deelt de schrijver 
niet mee; evenmin geeft hij zijn zegsman op voor het bericht 
aangaande de handelsbetrekkingen met de Denen. Beide opmer- 
kingen zijn echter niet onwaarschijnlik ; Oldendorp is blijkbaar 
een man geweest die zelfstandig heeft onderzocht en 't is wel 
mogelik dat hij, zijn werk schrijvende in een Deense omgeving, 
over betrouwbare bescheiden te beschikken heeft gehad. In 
zake de verhuizing der Nederlanders van St. Croix naar 
St. Thomas, is Knox het niet met hem eens: wij zagen reeds 
dat hij onze verdreven landgenoten naar St. Eustatius en 
St. Martin laat vertrekken. Hij wijst er tevens op dat volgens 
Du Tertre 3 ) ballingen van St. Christopher in 1647 op St. Thomas 
geen bewoners vonden, maar wel sporen van een verlaten 
kolonie; ook Rochefort, zegt hij, die in 1657 zijn boek over 
de Antillen schreef, getuigt dat de Maagdeneilanden onbewoond 
waren 4 ). Ten slotte bespreekt hij de mening van Oldendorp 



') Knox, blz. 31—41. 

2 ) Oldendorp, blz. 34. 

3 ) Du Tertre, Histoire générale des Antilies enz. I, blz. 401. 

4 ) Rochefort, Histoire naturelle et morale des lies Antilles de l'Amérique, 
Rotterdam, 1658, blz. 45. Knox vergist zich wanneer hij zegt dat Rochefort 
(wiens auteurschap van dit boek overigens op goede gronden wordt betwist) 



11 

en Host, die aannemen dat in 1666 het eiland bewoond was 
door Caraïben en Hollanders. De aanwezigheid van Caraïben 
in die tijd komt Knox zeer onwaarschijnlik voor, maar aan de 
kolonisatie door Hollanders slaat hij geloof, en neemt aan dat 
zij tussen 1657 en 1666 zich op St. Thomas gevestigd hebben x ). 
Stellig onjuist is zijn dan volgend en van Oldendorp overge- 
nomen bericht, dat in 1667 de Engelsen St. Eustatius en 
St. Martin aan de Hollanders ontnamen en dat „St. Thomas 
was included in the capture". Juist in 1667 werden, nadat 
de Ruyter's kanonnen te Chattam afdoende argumenten hadden 
laten horen, bij de vrede van Breda onze rechten op het eiland 
St. Eustatius door de Engelsen erkend; in 1665 hadden zij het 
veroverd en een jaar later reeds weer moeten ontruimen 2 ). 
Aan zijn bericht omtrent de verovering van St. Thomas voegt 
Knox nog toe dat de Engelsen „finding that the two former 
islands were more fertile ('t geen zeer de vraag is, vooral met 
betrekking tot St. Eustatius!), they abandoned St. Thomas for 
them, compelling all the colonists to remove their effects and 
even their dwellings thither. The island now remained unin- 
habited until 1671" 8 ). 

Het komt mij voor dat uit bovenstaande, vrij vage, berichten 
het volgende met enige waarschijnlikheid is op te maken. Toen 
in 1665 de Engelsen, aanvankelik met goede uitslag, de Neder- 
landers uit de Antillen begonnen te verdrijven, namen sommige 
gezinnen de wijk naar St. Thomas, waar wellicht reeds vroeger 
zich enkele landgenoten hadden gevestigd. Na 't verlies van 
St. Eustatius, Saba, St. Martin en Tobago, gingen Engelse 
oorlogschepen naar St. Thomas en verdreven de Nederlandse 



spreekt van „San Crero(?) as inhabited". De Franse schrijver gebruikt 
steeds de gewone benaming Sainte Croix en geeft (niet op blz. 61, maar op 
blz. 46 en 286 vlg.) een beschrijving en korte geschiedenis van het eiland. 
Knox heeft hier 't aangehaalde werk niet zelf nageslagen, maar Oldendorp 
nageschreven, gelijk blijkt uit het onjuiste citaat. 

l ) Knox, blz. 45. Ook Bosch, Reizen in West-Indien enz. Utrecht, 1829, 
II blz. 343, zegt dat de „Nederlanders de eerste Europeanen waren die zich 
op de Maagdeneilanden vestigden." Een autoriteit of een grond voor deze 
bewering wyst hij echter niet aan. 

') Zie Hamelberg, Be Nederlanders op de West-Indische Eilanden, 
Amsterdam, 1901, blz. 24—36. 

3 ) Knox, blz. 45. 



12 

kolonisten van dat eiland, doch zagen er geen voordeel in, of 
hadden geen gelegenheid, daar zelf een volkplanting te stichten. 
Misschien verlieten de Nederlanders vrijwillig St. Thomas, 
omdat zij niet verkozen, gelijk enkelen in 1665 op St. Eustatius 
gedaan hadden *), de eed van trouw aan Engeland's koning te 
zweren; hun gehechtheid aan 't eiland bleek, gelijk wij straks 
zullen zien, uit hun spoedige terugkeer, zodra de omstandig- 
heden gewijzigd waren. 

Met het jaar 1671 breekt een periode aan waarin van een 
behoorlik gedokumenteerde geschiedenis van 't eiland St. Thomas 
sprake kan wezen. In dit jaar werd te Kopenhagen de Deense 
Westindiese Compagnie opgericht, die aanstonds bezit nam van 
St. Thomas als van een onbewoond, en derhalve aan niemand 
toebehorend, eiland. Ook enkele naburige eilandjes, o. a. Krabben- 
eiland, werden bezet. De goeverneur der Engelse Antillen 
protesteerde tegen de opvatting dat een verlaten eiland 't eigen- 
dom wordt van wie het in zijn bezit neemt 2 ); St. Thomas 
behoorde volgens hem aan Engeland, daar het veroverd was 
op de Hollanders. De koning van Denemarken, Christiaan V, 
wist van Karel II te verkrijgen dat hij de goeverneur der 
Engelse Antillen gelastte de rechten der Denen als wettige 
bezitters te erkennen. Van Denemarken viel voor Engeland 
niets te vrezen; men hoopte wellicht door 't afstaan van dit 
waardeloos geacht bezit mettertijd zich een bondgenoot tegen 
de Nederlanders te verschaffen. 

Toen de eerste Deense goeverneur, Jorgen Iversen, met een 
aantal van zijn landgenoten in Mei 1672 op 't eiland landde, 



') De meeste gingen naar St. Martin daar zij niet van nationaliteit wilden 
veranderen. (Hamelberg, De Nederl. op de West-Ind. EU. II, blz. 24). 

2 ) Deze opvatting vindt men o. a. terug in de woorden van de schrijver 
der Hist. nat. et mor. des Antilies: „c'est une règle générale qu' une terre 
qui est sans habitans est au premier occupant". Ook de Spanjaarden 
konden zich met die zienswijze niet verenigen. Zij beweerden dat, als men 
deze stelling aannam, allerlei naties zich in de landen van Zijn Katholieke 
Majesteit zouden gaan vestigen. Herhaaldelik besloten zy de Denen uit de 
eilanden te verdrijven (o. a. in 1675 en in 1719), maar zij moesten het bij 
ernstige besluiten laten. Ook de latere aankoop van St. Croix (zie hierachter) 
werd door hen onwettig genoemd, omdat het eiland van de Fransen niet 
gekocht kon worden, daar 't steeds aan Zijn Katholieke, en nooit aan Zijn 
Allerkristelikste Majesteit had toebehoord. (Ontleend aan een Spaans 
boekje, door Host in excerpt meegedeeld in zijn Voorbericht). 



13 

vond hij daar reeds een aanzienlik aantal kolonisten, die niet 
de instelling van een geregeld bestuur hadden afgewacht, maar 
van de naburige eilanden waren overgestoken. Het waren 
grotendeels Hollanders, vermoedelik mensen die indertijd van 
't eiland waren verdreven en zich nu haastten terug te keren 
tot de streken die zij reeds hadden ontgonnen. De bevolking 
droeg reeds dadelik een vrij kosmopolities karakter. Dit blijkt 
uit de eerste verordening van het Bestuur, die, behalve door 
de goeverneur, getekend is door Erasmus Bladt, Charles 
Baggaert, Thomas Svain, Adriaan de Vos, Anthony Salomons, 
Hans Paulsen, A. Begaret, Christiaan Wadts en Joost van 
Campenhout. Hollandse namen zijn onmiskenbaar in dit lijstje *). 
De eerste klausule van deze verordening gelast dat „iedereen 
die Deens kan verstaan verplicht is elke Zondagmorgen, wan- 
neer de trom geroerd wordt, ter kerk te gaan in 't Fort, op 
verbeurte van 25 pond tabak", en de tweede dat „mensen van 
alle andere naties gehouden zijn elke Zondagmiddag op dezelfde 
plaats de godsdienstoefening bij te wonen op verbeurte van 
dezelfde boete". In die middagkerk is, naar Knox reeds ver- 
moedt, zo goed als zeker in 't Hollands gepreekt, in de taal 
die toen 't meest onder de vreemdelingen was verbreid. De 
Franse protestanten die zich op 't eiland vestigden, en één 
gemeente vormden met de Hollandse, zullen haar zeker hebben 
verstaan; na de herroeping van 't Edikt van Nantes (1685) 
werd hun aantal door uitgewekenen van de Franse Antillen 
vrij aanzienlik vermeerderd. 
De verordening waaruit ik het bovenstaande heb meegedeeld 



') Ik ontleen het aan Host (blz. 8) van wie Knox (blz. 51) 't heeft over- 
genomen; nauwkeurige bepaling van de landtaal op grond van zulke 
gegevens is in menig geval ondoenlik. Hetzelfde geldt van een 52-tal 
namen van kolonisten uit de eerste tijd der vestiging, door Knox als 
appendix A aan zijn boek toegevoegd. Dit stuk vindt men niet bij Host; 
Knox spreekt van de „mutilated condition" der „original copies of the 
deeds" waaraan hij de namen heeft ontleend. Uit dit hjstje citeer ik: 
Adriaan de Vos, Gilles Pad, Jesper Jansen, Sim on van Ockeron, Lambert 
Bastaansen [Bastiaanse], Joost van Campehout, Nell Devael, Peter Pietersen, 
Andries Zijgerts, Cornelius Jansen, Jan Dunker, Anthony de Woo, Piet er 
de Buyk, Cornelis Jacobsen. Maar ik durf niet verzekeren dat Jacobsen 
niet een Deen (Jacobson) was en dat, omgekeerd, niet sommige andere 
namen met Deens uiterlik aan Hollanders hebben toebehoord. 



14 

schijnt in 't Deens te zijn opgesteld, ten minste Host vermeldt 
niet dat hij het stuk heeft vertaald. Van zelf sprekend is het 
intussen niet dat op dit Deense eiland Deens de taal was 
waarvan de overheid zich bediende; integendeel, ik kan aantonen 
dat gedurende de eerste tijd van het bestaan der kolonie de 
magistratuur zich uitdrukte in een andere taal, in de onze! 
De zesde goeverneur van het eiland, Gabriel Milan, aangesteld 
in 1684, noemt zich in zijn plakkaten: „Gabriel Milan van syn 
Coningl. Mayt. en de Royale geoctroyerede Westindische en 
Guineische Compagnie bestelte General-Gouverneur ower de 
Eylanden St. Thomas, St. Jan en andere ommeleggende Plaet- 
zen" *). En zijn opvolger, Adolf Esmit, aan het bestuur gekomen 
in 1687, vaardigde het volgende protest uit tegen het in bezit 
nemen van „Krabben-Eyland" (gelegen ten Z.W. van St. Thomas) 
door de Engelsen onder Willum Pellit 2 ) : 

„Naerdien syn Koninglycke Majesteit von Denemark en Nor- 
vegen, myn allergnadigste Koning en Heer, in syn my met 
gegewene ordre allergnadigst belast heeft, so hast als ick hier 
in America glucklyck aengekomen, niet alleen mijn uiterste 
Devoir te doen, Krabben-Eyland, in de Zeekaart genoemt Bieqve, 
syn Koningl. Mayt. van Denemarck en Nor wegen to behorende, 
te possederen en (in) Naem en van Wegen synen Koningl. 
Majesteyt op dat selevige een commandeur te setten om sijn 
Koningl. Majesteyts van Dennemarck Vlagge, de [die] A°. 1682 
van wegen synen Koningl. Majesteyt daerop gelegt en geplant 
is, te mainteneeren, maer ick hebbe ock alreets een Capitain 
met syn onderhebbende Volk daerop geset, wanneer de Heer 
Commandeur Abraham Houwel woude daerop Possessie Vaeten 
in 't Gouvernement van de Heer General Stapleton; dien Tyt 
hebbe tegen de heer Abraham Houwel protestiirt; waervan de 
Copy hier neffens gaaet, daerop heeft de genoemde Heer General 
Stapleton onse Eyland Bieqve of Krabben-Eyland en [in] Rust 
en Vreede gelaaten tot deesen dato toe; nu heeft hoogst gemelt 
syn Koninglycke Majt. een van syne Admirals met my heer- 
waerts gesonden om bemeldte Bieqve of Krabben-Eyland te 



1 ) Host, blz. 19. 

2 ) Host, blz. 24 vlg. 



15 

besigtigen en met Volk besetten, die ock alreets met eenighe 
Volk daer nae toe vertrocken is, om datselve in possessie te 
nemen, en naerdien ick verneme, dat U. E. Willum Pellit ordre 
heeft om dat selve Eyland te peupleren en te besetten, 't Welck 
is strijdende tegens syn Koningl. Majesteyts mijn allergnadigste 
Konings ordre en Befehl als mede tegens alle Vetten en Rechten 
van de Wereldt, so befinde my schoeldigh myn Konings ordre 
en Befehl onderdaenigst nae te leven, en verbiude U. E. 
Willum Pellit in Naem en van wegen syn Koningl. Majest. 
von Denemarck en Norwegen dat selve Krabben-Eyland niet 
te possideeren, noch te besetten, ock gheen Pretentie, in wat 
Form dat ock wesen kan of magh, daer op te maeken. En so 
U. E. daer tegen handelt, so protesteere ick mets deesen uyt 
Kracht en Authoriteyt in Namen en van wegen syn Koningl. 
Majt. van Denemarck en Norwegen tegens IL E, Willum Pellit 
als mede tegens die gheene die U. E. authoriseert heeft en 
ordre gegewen heeft, vorseyde Krabben-Eyland te possedeeren, 
voor allen Schaden, Naedeel en Prejudice, dat daeruyt ontstaet, 
of in 't tokommende daer uyt ontstaen sall, in beste Form 
voor alle Rechten en Justitien, waer dat selwe voorkomen kan 
of magh. Gedaen in Christiansfort op het Eyland St. Thomas 
den 20 May 1688. 

Adolf Esmit. 

Dit protest had geen uitwerking. Pellit vestigde zich op 't 
eiland met vele families, maar werd later verdreven door de 
Spanjaarden die er evenmin bleven *). In 1698 verschenen ander- 
maal twee Engelse schepen, ditmaal onder Robert Pinkerton, 
met de bedoeling zich neer te zetten op Krabbeneiland. Aan 
Pinkerton zond de Deense goeverneur Lorentz een uitvoerig 
protest in 't Hollands, en tegelijk een sloep naar Krabbeneiland 
met een plakkaat (ook in 't Hollands), waarin hij gelastte het 
eiland te verdedigen tegen vreemden. Daarop stuurde de kom- 
mandant Hansen van „Cronenbourg op 't Crabben-Eylandt" op 
zijn beurt een protest aan Pinkerton 2 ). De Engelsen voeren ten 



>) Host, blz. 28, 54. 

2 ) Ook deze stukken deelt Host in extenso mee: blz. 39—41, 42 — 44 
en 45 — 46. 



16 

slotte weg, maar nog later, o. a. in 1719 en in 1724 *), is er 
sprake van hun vermeende rechten op Krabbeneiland. 

Het blijkt niet uit het verhaal van Host hoe lang dit, zeker 
allermerkwaardigst, gebruik van onze taal als regerings- en 
verkeerstaal in een nooit aan onze staat toebehoord hebbende 
streek zich heeft gehandhaafd. De schrijver zegt eenvoudig dat 
„de plakkaten gedurende vele jaren in 't Hollands zijn ge- 
schreven" (blz. 19). In 1761 had onze taal die voorrang bij de 
regering niet meer, of wel men trachtte hem door 't geven van 
privileges op 't Deens te doen overgaan. Immers in dat jaar 
beval de goeverneur Von John dat men voor 't opstellen van 
een testament in de stad aan de sekretaris had te betalen 
5 rijksdaalders, indien men zich van 't Deens bediende, en 
10 rijksdaalders, indien men zich bediende van 't Hollands, 
Frans, Engels of Spaans. Op 't platteland werd de prijs ver- 
dubbeld 2 ). 

De jonge kolonie had in de eerste jaren groot gebrek aan 
werkkrachten voor de landbouw, en aan geld voor de handel. 
Door 't vestigen van twee forten aan de Goudkust , en 't inrichten 
van een levendige slavehandel op St. Thomas, voorzag het moe- 
derland in de eerstgenoemde behoefte; bedrijfskapitaal voor de 
handel was niet zo gemakkelik in voldoende hoeveelheid te ver- 
schaffen, en voor 't binnenlands verkeer was nog geruime tijd 
tabak het gebruikelike ruilmiddel. Met het doel vlottend kapitaal 
naai* 't eiland te brengen werd in 1685 door Christiaan V aan 
een Brandenburgse handelmaatschappij een koncessie van dertig 
jaar verleend om zich op St. Thomas te vestigen. Deze maat- 
schappij sloeg haar pakhuizen en kantoren op in 't Westelik 
gedeelte van de hoofdplaats, dat nog tans naar hen 't Bran- 
denburgse kwartier wordt genoemd. De voornaamste aandeel- 
houders waren Hollanders; de macht van 't Nederlandse kapitaal, 
dat in de 17 de eeuw zo veel tot stand bracht, deed de nieuwe 
maatschappij zó bloeien dat, twee jaar na de vestiging der 
faktorij, zij vijf schepen in de vaart had en vijftig personen in 
haar dienst. Maar het is zeker dat de Hollanders niet alleen 
door hun geld overwegende invloed hadden; het scheepsvolk 



1 ) Host, blz. 62, 75. 

2 ) Host, blz. 150. 



17 

en de hoofdbeambten waren ongetwijfeld landgenoten van ons. 
Door een toevallige omstandigheid laat zich dat vrij wel be- 
wijzen. In 1688, toen wij in oorlog waren met Frankrijk, deed 
een Franse kaper bij nacht een aanval op de pakhuizen der 
faktorij en roofde koopwaren en kostbaarheden; hij nam de 
handelsboeken mee om te bewijzen dat hij zich niet had ver- 
grepen aan de bezittingen der Denen, maar buit had gemaakt 
op de Republiek der Verenigde Gewesten: die boeken toch 
waren in het Hollands gehouden 1 ). Voor zover die zoge- 
naamde Brandenburgers geen Hollanders waren, zal hun Plat- 
duits wel niet ver afgestaan hebben van onze taal. 

In 1687 had de goeverneur ter vermeerdering van de bevol- 
king van St. Thomas een reeks gunstige bepalingen afgekon- 
digd voor nieuwe kolonisten, daaronder (art. 7) het „exercitium 
liberae conscientiae" voor alle naties en gezindten. Ten einde 
de uitwerking van die gunstige voorwaarden te tonen, werd de 
25 8te Julie 1688 een volkstelling gehouden 2 ). Men vond op 't 
eiland 105 Europese gezinnen, naar de landaard aldus verdeeld: 
1 Portugees en 1 Holsteins gezin, 2 Duitse, 3 Zweedse, 17 
Franse, 18 Deense, 30 Engelse en 63 Hollandse gezinnen. In 
de hoofdplaats 3 ) waren gevestigd 1 Franse en 1 Duitse familie, 
verder 2 Deense, 2 Engelse en 3 Hollandse. Op 't platteland, 
waar blijkbaar 't Hollandse element vooral overheersend was, 
trof men 317 blanken en 422 slaven aan. De gehele bevolking 
van 't eiland bestond uit 778 zielen. Trekt men van dit getal 
het aantal plattelandbewoners af, dan krijgt men 39 als cijfer 
der inwoners van 't ha venplaatsje. Dit komt overeen met een 
mededeling van Host 4 ), die zegt dat van de 35 blanke be- 



>) Knox, blz. 60. 

: ) Host, blz. 22—29. Hoe ver men in 't verlenen van godsdienstvrijheid 
ging, blijkt uit een resolutie van 1734, waarbij bepaald werd dat de 
Gereformeerden en de Luthersen hun godsdienstoefeningen mochten houden 
in kerken, de anderen privatim in hun huizen (t. a. p. blz. 119). 

3 ) De officiële naam was toen reeds Charlotte Amalia, maar volgens 
Oldendorp (blz. 47) noemen de negers „den Ort Tappus weil ehemals ein 
Taphuys oder Schenke da stand: die meisten dortigen Europ&er aber 
heissen ihn kurz das Dorf" Host (p. 3) voegt er by dat de plaats Taphys 
genoemd werd, omdat die herberg 't voornaamste doel der negers was om 
naar de stad te gaan. In later tijd ontstond er een kwartier van vrije 
negers dat Sukasa heette. 

<) HOst, blz. 29. 

2 



18 

woners der hoofdplaats 11 handwerkslieden waren; de overige 
24 zullen 't garnizoen en de regering hebben uitgemaakt, 
waarbij dan nog 4 slaven gerekend kunnen worden om 't getal 
39 vol te maken. Knox l ) verzekert dat de Brandenburgers niet 
meegeteld werden, doch Host, zijn zegsman, bevat niets daar- 
omtrent. Er is dan ook geen reden om zulk een ongemotiveerd 
overslaan van een deel der bevolking aan te nemen; ik houd 
het er voor dat de 50 Brandenburgers waarvan elders gesproken 
wordt, wel degelik in de telling zijn opgenomen, maar dat zij 
niet alleen onder de 3 of 4 Duitse gezinnen gevonden werden 
maai* ook, en vooral, onder talrijke overige. Zeker is 39 een 
klein cijfer voor 't inwonertal van een hoofdplaats, maar men 
heeft te denken aan 't fort en zijn naaste omgeving ; ten Westen 
daarvan strekte zich 't z. g. Brandenburgse kwartier uit. 

Uit het jaar 1701 bezitten wij een vrij uitvoerige beschrijving 
van het eiland St. Thomas van de hand van pater Labat, die 
in dat jaar de Antillen bezocht. Uit zijn werk licht ik enkele 
zinnen die iets meedelen over de op St. Thomas gesproken 
talen 2 ). Nadat de schrijver verteld heeft dat het de Hollanders 
zijn „die daar den geheelen Handel drijven, onder den naam 
der Deenschen", volgt de mededeling dat er op St. Thomas 
„maar twee bovendrijvende religiën zijn, te weten de Luither- 
sche en de Gereformeerde. De Gereformeerden hadden er ge- 
meenlijk twee predikanten, te weeten een Franschen en een 
Hollandschen 3 ), en de Lutherschen hadden er maar een, die 



1 ) Knox, blz. 59. 

2 ) Ik heb de Hollandse vertaling gebruikt die in 1725 te Amsterdam 
verscheen onder de titel: Nieuwe Beisen naar de Franse eilanden van 
America door P. Labat, in 't Nederduits in 't ligt gebracht door W. 
C. Dijks (4 delen in 2 banden). 

3 ) Dit samengaan van Franse en Hollandse protestanten was geen uit- 
zondering ; soms voorzag één predikant in de geestelike behoeften van beide 
naties. Op blz. 42 van de Histoire nat. et mor. des Antilles leest men 
dat er zich op St. Eustatius bevindt „une belle église, qui est gouvernée 
par un pasteur Hollandois; Monsieur de Graaf, qui est a présent pasteur 
de Téglise de Tevers [lees Ter Vere?] en File d'Oualcre, en a eu autrefois 
la conduite. Il y preschoit en un même jour, et en une même chaire, en 
Francois et en Flamand, pour édifier les habitans de Tune et de Fautre 
langue, qui demeurent en cette ile." Op St. Martin werkte als „pasteur de 
Féglise Hollandoise" Monsieur des Camps, die er heen werd gezonden „par 
Ie Synode des Eglises Wallonnes des Provinces Unies" (blz. 44). Op het 



19 

de Neer- en Hoogduitsche Taaien sprak" (blz. 32). Een huweliks- 
inzegening door de Lutherse predikant uitgesproken, kon Labat 
niet verstaan, „omdat de preek in 't Vlaams of Hoogduits 
gedaan werd" (blz. 31). 't Blijkt dus dat het Hollands, of laten 
we zeggen het Nederduits in verschillende schakeringen, de 
hoofdtaai was; het is zonderling dat de schrijver niet gewaagt 
van godsdienstoefeningen in het Deens. 

In het jaar 1716 breidden de Denen hun koloniaal bezit uit 
door het vestigen van een volkplanting op het eiland St. Jan. 
Dat ook hier zich vele Hollandse gezinnen vestigden, blijkt uit 
brieven in 1733 door kolonisten gezonden naar aanleiding van 
een gevaarlike slavenopstand; men vindt daarin de namen 
Beverhout, de Wint, Zytsema, Kint en andere, van minder 
onbetwijfelbare herkomst *). 

St. Croix, dat sedert 1695 onbebouwd en onbewoond lag 
(zie boven, blz. 10), ging in 1733 door aankoop van Frans 
bezit over in Deense eigendom. De grotere vruchtbaarheid van 
dit eiland deed, toeri de zware wouden wat gelicht waren, 
verscheidene planters van St. Thomas daarheen verhuizen; bij 
hen voegden zich vele uit naburige eilanden, vooral ook 
Engelsen 2 ). Wel bood het eerstgekoloniseerde eiland door zijn 
grote rede meer voordelen aan, maar de handel kon zich in 
de Deense kolonie niet ontwikkelen tot wat de ligging van de 
plaats scheen te beloven. Eerst werd hij gedrukt door de 



door de gebroeders Lampsins gekoloniseerde eiland Tobago had men „les 
églises de Tune et de 1'autre langue, c'est a dire tant la Flamande que la 
Wallonne" (Rochefort, Le Tableau de Visie de Tobago on de la nouvelle 
Oualcre etc, Leyde, 1665, blz. 77). 

») Knox, blz. 72-74. 

*) Zie Be8Óhreibung der Europdischen Koloniën in Amerika, noch 
der 6en verbesserten Ausgabe aus dem Englischen übersetst von J. 
Leipzig, 1778, II, blz. 54: „unterschiedene Leute auf den engl&ndischen 
Insein, und darunter etliche die ein ansehnliches Vermogen besitzen , haben 
sich daselbst nieder gelassen, und dazu sehr grosse Begünstigungen 
erhalten". De schrij ver van dit boek stelde het kort na 1733 op ; hij zegt dat 
de lucht er ongezond is, maar dat hierin verbetering zal komen zodra er 
meer bossen gekapt zyn. Volgens Meinecke, Versuch einer Geschiehte 
der Europdischen Coloniën in West- Indien, Weimar, 1831, blz. 335, vonden 
de Denen in 1733 reeds Engelsen op St.-Croix, die hier „ohne Verfassung, 
selbst ohne Ausübung der Religion, vom Ertrag des Bodens lebten"; aan 
wie Meinecke dit bericht ontleend heeft, is mij onbekend; ik vond het by 
geen der schrijvers uit de achttiende eeuw. 



20 

bevoorrechting aan de Hollanders gegund *), later door het 
systeem van uitsluiting door de kooplui van Kopenhagen 
toegepast. 

Het is zeer waarschijnlik dat de meerderheid van de planters 
op St. Croix niet tot onze natie behoorde; toch werd onze taal, 
maar tans langs een andere weg en in zeer verminkte vorm, 
naai' 't nieuwe eiland overgebracht. Er had zich namelik uit 
de omgang der planters van St. Thomas met hun slaven een 
Kreools idioom gevormd, dat op de drie Deense eilanden 
gedurende lange tijd de omgangstaal der inheemse bevolking, 
en twee eeuwen lang de taal der slaven is geweest. Vooral 
door de slaven verbreidde zich dit Kreools ook over St. Croix. 

Ongetwijfeld dateert het ontstaan van die slaventaal uit de 
allereerste jaren van de Deense kolonisatie — misschien 
bestond ze reeds vóór de Denen zich op de Antillen vestigden — 
maar een volstrekt bewijs voor het bestaan van dit Neger- 
hollands hebben wij eerst uit het jaar 1732. Toen kwamen op 
het eiland de eerste zendelingen van de Moraviese broederschap 
of Herrnhuttergemeente aan, en zij begonnen dadelik het 
„Bastaardhollands" der slaven te leren, om de negers in hun 
eigen taal met het Kristendom bekend te maken 2 ). Vermoedelik 



l ) Knox, blz. 82 vlg.; hij haalt als gevolg van die bevoorrechting aan dat 
in 1736 er 8 Hollandse tegen 1 Deens schip in de baai van St. Thomas 
voor anker kwamen. 

") Het praatje dat men o. a. nog bij Reclus (Nouv. Géogr. ill. XVII, 
blz. 804) vindt, als zouden de eerste zendelingen zich vrijwillig als slaven 
hebben verkocht om op die w\jze toegang te verkregen tot de negers, wordt 
reeds weersproken door Oldendorp (blz. 453). Het is waar dat de twee 
eenvoudige handwerkslieden die zich door de verhalen van een uit St. Thomas 
afkomstige neger gedrongen gevoelden het Evangelie aan de zwarten te 
verkondigen, bereid waren hun vrijheid op te offeren, maar op weg naar 
West-Indië werd hun reeds in Kopenhagen beduid dat men nooit blanken 
als slaven zou dulden. Door hun handwerk voorzagen de eerste missiona- 
rissen in hun uiterst geringe behoeften (zie Von Dewitz, blz. 118 vlg., 124). 
Onbillik is ook dat Reclus aan de Herrnhutters verwijt dat zij „in later 
tijd" zelf slaven hielden: ze deden dit reeds in 1758 (zie Von Dewitz, 
blz. 192), maar op een wijze en onder omstandigheden die hun handelingen 
volkomen begrijpelik maken. 

De Deense gouverneurs waren de Herrnhutters goed gezind; daaren- 
tegen ondervonden dezen van sommige predikanten der Hollandse gemeente 
grote vijandschap. Oldendorp, die dankbaar alle steun vermeldt, spreekt 
slechts ter loops en in vage termen van de mensen die de zendelingen 



21 

door hun voorbeeld aangespoord, hebben, 24 jaar later, ook 
de Denen het zendingswerk ter hand genomen. In 1756 werd 
een missie opgericht en een jaar daarna werden 10 leraars 
gezonden. Later werd een Deense Negergemeente gesticht met 
een eigen „Missions Dominie" en „Missions Catecheten", die 
allen zich bij de eredienst uitsluitend bedienden van het Kreools. 

Over die eigenaardige taal der slaven zal in de volgende 
hoofdstukken gesproken worden; hier moet alleen er op worden 
gewezen dat zij een zuiver Kreools karakter had en in weten- 
schappelike zin geen Nederlands genoemd kan worden, maar 
niettemin zó dicht bij de door ons gesproken taal stond, dat 
het gebruik van deze een voorwaarde was voor haar voort- 
bestaan. Werd het Hollands door een andere taal verdrongen, 
dan moest ook dit Negerhollands zich wijzigen en was het tot 
uitsterven, zij het dan ook tot langzaam uitsterven, gedoemd. 
Om die reden dienen we de geschiedenis van het Hollands op 
St. Thomas te vervolgen, ook na de tijd waarin we 't bestaan 
kunnen vaststellen van de taal waarmee ons onderzoek zich 
zal bezig houden. 

Zo lang de handel der Deense Antillen beperkt en 't bebouwen 
van de grond hoofdzaak bleef, liep onze taal weinig gevaar de 
opperheerschappij te verliezen. De eerste maatregel die haar 
hegemonie bedreigde, was 't Koninklik Besluit waarbij de haven 
van St. Thomas tot een vrijhaven werd verklaard. Hierdoor 
werd het mogelik dat het eiland betekenis kreeg voor de wereld- 
handel, en het volk dat reeds in die tijd ter zee oppermachtig 
ging worden ook hier zijn taal deed triumferen. Heel spoedig 
kwam dit alles echter niet tot stand. Reeds in 1724 was het 
eiland tot een vrijhaven verklaard, maar dat deze verklaring 
of geen volkomen vrijheid bedoelde, of wel door geen daden 
werd gevolgd, blijkt het best uit de vernieuwing, bevestiging 
of uitbreiding der vroegere Koninklike Besluiten in 1764 en 



onwelwillend of onkristelik bejegenden, maar door Von Dewitz weten wij 
dat de door de Hollandse predikant Borm opgehitste menigte meer dan 
eens tot mishandeling en plundering van de bezittingen der jonge missie 
oversloeg. Lang duurde de tyd van miskenning echter niet: in 1739 werd 
Borm in 't ongelijk gesteld en keerde de rust voor goed terug (Von Dewitz, 
blz* 170, 194 vlg., 233 vlg.). 



22 

1766 *). Na 1766 schijnt de handel inderdaad wat te zijn toe- 
genomen, doch dat hij tot in 1781 geen buitengewone betekenis 
had, weten wij uit hetgeen een Nederlands zeeofficier, C. de Jong , 
in 1781 op St. Thomas waarnam 2 ). 

De geschiedschrijver Host deelt ons enige cijfers mee omtrent 
de grootte der bevolking van St. Thomas, afkomstig uit een 
tijdperk dat onmiddellik aan 't bezoek van onze landgenoot 
de Jong voorafging. In 1773, 't jaar waarin Host goeverneur 
werd, liet hij een volkstelling houden. De uitslag was dat 
St. Thomas 39 suiker- en 43 katoenplantages telde, waarop 
men aantrof een blanke bevolking van 18 mannen, 14 vrouwen, 
5 jongens, 5 meisjes en 12 bedienden; verder 1632 volwassen 
negers, 574 kleurlingen, 227 negers onder de 16 jaar en 728 
kinderen onder de 12, benevens 6 „Bosaler", een woord dat 
ik niet anders kan verklaren dan als een schrijfwijze voor 
„Bussaler", pas aangevoerde negers (z.g. „zoutkoppen"). In de 
stad vond men onder de blanken 112 mannen, 71 vrouwen, 
35 jongens, 47 meisjes en 17 bedienden; de volwassen slaven 
waren er 547 in getal, de kleurlingen 67, de halfwassen negers 
108 en de negerkinderen 309. Bovendien woonden er 112 vrij- 
negers met 118 negerinnen en 106 kinderen; zij hadden 90 slaven 
in hun dienst. Op St. Jan trof men 27 suiker- en 42 katoen- 
plantages aan, met een bevolking van 104 blanken en 2330 
slaven. Van St. Groix worden geen cijfers vermeld 8 ). 

Deze census bevat voor ons doel minder bruikbare gegevens 
dan die van 1688 met zijn opsomming van de landaard der 
verschillende gezinnen. Indien we beide tellingen met elkander 
vergelijken, kunnen we echter vaststellen dat de blanke bevol- 
king op 't platteland sterk was verminderd, en die van de 
hoofdplaats sterk was toegenomen, 't geen zeker voor de hand- 
having der Nederlandse taal een groot gevaar opleverde. 

Wij zullen tans het boek van de Jong, eigenlik een verzame- 
ling van 22 brieven, opslaan. Hij kwam van het eiland 
St. Eustatius, had daar het buitengewone scheepvaartverkeer 
gezien en ook de ramp bijgewoond die voor goed een einde 



1 ) Knox, blz. 67, 87, 88. 

2 ) Zie hierachter, blz. 23. 

3 ) Host, blz. 175. 



23 

maakte aan de handelsgrootheid waardoor dit eiland eens als 
de „diamanten rots" bekend was. „Op 't eiland St. Eustatiust 
schrijft hij, ziet men vlaggen van allerhande Europische naties 
en kleuren, geene evenwel meer dan de onze, welke thans voor 
het meerendeel de geheele nieuwe wereld van allerlei voorraad 
en benoodigdheden voorziet" (blz. 96). En enige bladzijden 
verder zegt hij dat er op St. Eustatius dikwijls 200 schepen 
en vaartuigen te gelijk liggen, „en daarvan zijn er thans ruim 
80 welke onze vlag voeren" (blz. 107). De Engelse admiraal 
Rodney vernietigde dit alles. Het Nederlandse oorlogschip 
waarop de Jong diende veroverde hij, maakte alle ter rede 
liggende Hollandse schepen buit en liet, na 't in bezit nemen 
van het eiland, de Hollandse vlag waaien, om zoveel schepen 
als hij kon in de val te lokken. Zijn list gelukte volkomen; 
behalve de Nederlandse, werden meer dan 70 Amerikaanse 
bodems prijsgemaakt *). Het is waar dat Engeland reeds vroeger 
geprotesteerd had tegen de hulp aan de Amerikaanse opstande- 
lingen verleend door de kontrabande leverende kooplui van 
St. Eustatius — waaronder heel veel Engelsen waren ! — maar 
de overval zonder oorlogsverklaring, de ruwe vernietiging van 
alle eigendom en het opbrengen van alle koopvaardijschepen, 
kan daardoor niet verontschuldigd worden. In Engeland zelf 
sprak men schande over Rodney's eigenmachtige daad. 

Voor St. Thomas was de val van St. Eustatius het begin 
van een tijdperk van grote bloei. Toen de Jong, na enige tijd 
door de Engelsen gevangen te zijn gehouden, daar aankwam, 
beschreef hij het eiland als „geen der onvruchtbaarste", dat 
„in evenredigheid zijner grootte veel suiker en katoen voort- 
brengt". De baai, zegt hij, is „eene der schoonste baaijen welke 
boven alle die ik ooit gezien heb, den voorrang verdient, met 
uitsluiting alleen van die op het eiland Milo in den archipel". 
Niettemin was er niet veel vertier. „Koophandel is er weinig 
en buiten het huis van de Wind, onzen gastheer, niet veel 
beduidend, doch daar er zich thans een aantal kooplieden uit 
St. Eustatius naar herwaarts hadden begeven, vleit men zich 
dat dezelve in weinige jaren bloeijen zal, daar geen Volk, 
zoo als alle andere als uit eenen mond, somtijds in weerwil 



') De Jong, Reize naar de Caraïbische Eilanden, Haarlem, 1807, blz. 205. 



24 

hunner eigenliefde, betuigen moeten, de Hollanders in het vak 
van handel en wat daar verder mee verknocht is, overtreffen" l ). 

De Nederlandse onderdanen die uit St. Eustatius naar 
St. Thomas de wijk hadden genomen, kunnen, ook al hebben 
zij veel bijgedragen tot het opluiken van de handelsbloei, het 
Hollandse element op dat eiland niet versterkt hebben, want 
wij weten dat zij, zo al niet naar hun gezindheid, dan toch in 
taal en zeden geheel Engels waren. De Jong (zie boven, blz. 2) 
getuigt dat zelf. Zij zullen dus veel eer er toe bijgedragen hebben 
om onze taal in onbruik te doen geraken en het Deense eiland 
zijn Hollands karakter te doen verliezen. De Jong zegt omtrent 
het laatste: „Men leeft er veel op zijn Hollands, hetwelk het 
woord zindelijk in zich besluit, en ofschoon er allerhande talen 
gesproken worden , zo zijn evenwel de Deensche en Hollandsche 
talen diegene welke men het meest hoort; de laatste zal nog 
wel de algemeenste zijn, doch ongelukkig voor mij, in 't huis 
van onzen vriendelijken Gastheer spreekt men Engelsch" 2 ). 

Ook de reeds dikwels aangehaalde beschrijving der eilanden 
door Oldendorp toont dat het Hollands in deze tijd 3 ) zeer alge- 
meen was. De kleine eilanden om St. Thomas heten „keyen", 
beken noemt men „goten" of „watergoten", kapen „punten", 
een bepaalde soort meloenen „Spaans-spek"; de schrijver spreekt 
in zijn Duitse tekst van „blinde klippen", „Fransmansklip", 
„Binnewater", „Oostendebaai", „Soutrivier", „Pocken-eyland" 
enz. *). Maar uit hetzelfde boek blijkt ook dat het Engels veld 
had gewonnen. Daaromtrent vernemen we van Oldendorp het 
volgende: Vooral in de hoofdplaatsen der drie eilanden moet 
men de Engelse taal kennen. Voor 't overige worden er zo veel 
talen gesproken dat veel mensen de een door de andere mengen 
en er wel meer dan een, maar geen enkele goed spreken. De 
meeste blanke inwoners, vooral die er geboren zijn, verstaan 
Kreools. Daar de blanke kinderen door negerinnen worden opge- 



*) De Jong, blz. 292. 

2 ) De Jong, blz. 297. De schrijver verhaalt hoe zijn gebrekkige kennis 
van het Engels hem aan tatel een dubbelzinnigheid deed zeggen die hem 
zeer verlegen maakte. 

8 ) 't Boek verscheen in 1777, de bouwstof was verzameld in 1767 en 1768. 

4 ) Op de kaart die Knox bij zijn boek (uitgekomen in 1852) heeft gevoegd 
vindt men daarentegen bijna uitsluitend Engelse of Deense namen, soms 
hybridiese vormen als „Store Nordside Bay". 




25 

past, leren zij die gebroken taal 't eerst en dikwels geen andere 
behoorlik. Toch wordt door de blanken 't Kreools „feiner" ge- 
sproken dan door de negers 1 ). 

Deze laatste woorden van Oldendorp tonen reeds dat het 
gebruik van het Kreools niet beperkt bleef tot de omgang der 
slaven onderling en met hun meesters. In een Deens boek, 
uitgekomen in 1770, waarover in een volgend hoofdstuk uit- 
voeriger zal worden gesproken, vindt men samenspraken in die 
taal gehouden tussen de voornaamste inwoners van het eiland, 
mensen die hun kinderen ter school zenden naar Kopenhagen 
en blijkbaar een grote welstand genieten, Hun kleding is die 
van de deftige burgerij der achttiende eeuw. De vrouw des 
huizes draagt een ochtendjapon van rood damast en blauw 
zijden schoenen, haar echtgenoot een bruin satijnen kamisool, 
gevoerd met witte zij en versierd met knopen en galon van 
zilver. Wanneer hij uitgaat is zijn broek van rood fluweel, zijn 
kamisool van wit damast met goud galon; een wel verzorgde 
pruik en een degen verhogen zijn achtbaarheid. Het Kreools 
was de omgangstaal van deze aanzienlike Denen geworden. 

Op St. Croix was het Engels zeer verbreid; daar begon het 
vermoedelik reeds in de helft der achttiende eeuw het Hollands 
te overvleugelen. Immers Oldendorp zegt dat op St. Croix meer 
Denen en Britten waren, op St. Jan en op St. Thomas meer 
Hollanders. Daar de Engelsen geen Negerhollands tot hun negers 
wilden spreken, waren op St. Croix streken waar men alleen 
Engels, in de mond der negers tot Negerengels geworden, hoorde 2 ). 

De periode van grote welvaart die voor St. Thomas na de 
gebeurtenissen van 1781 volgde, voltooide de verengelsing snel. 
Het neutrale eiland trok voordeel van de oorlogen der Europese 
mogendheden; het werd een entrepot en een toevluchtsoord 
voor schepen en koopwaren van alle naties. Tussen 1792 en 
1801 werden niet minder dan 1569 vreemdelingen als burgers 
ingeschreven; in 1799 telde de hoofdplaats 7000 inwoners. 
Twee malen werd het eiland door Engeland aan de Denen 
ontnomen ; eerst in 1801 en later in 1807. De tweede bezetting 
van het eiland duurde tot 1815, toen het, in ruil tegen Helgo- 



') Oldendorp, blz. 263. 

2 ) Oldendorp, blz. 232, 263. 



26 

land, aan Denemarken werd teruggegeven; aan de verspreiding 
van de Engelse taal onder alle klassen en kleuren van de 
bevolking zal de aanwezigheid gedurende zo veel jaren van een 
garnizoen van 1500 soldaten zeker zeer bevorderlik zijn geweest. 

De handel was gedurende de Engelse heerschappij tijdelik 
wat achteruitgegaan; toen de eilanden weer aan Denemarken, 
het neutrale rijk, terugkwamen, verhief hij zich tot ongekende 
hoogte. De dollars, zegt men, werden met kruiwagens- vol ver- 
voerd; de rijke kooplieden uit Cuba, Porto Rico en andere 
omliggende eilanden kwamen zich voorzien in de magazijnen 
van St. Thomas, die de vergelijking met die der grootste 
plaatsen van Europa en Amerika konden doorstaan ; de doktoren 
vroegen en verkregen voor 't onderzoek der bemanning van 
een schip 100 dollars, en bleef 't schip een paar maanden in 
de haven liggen, dan kon 't honorarium stijgen tot 1500 en 
1700 Spaanse dollars. In enkele jaren kon men een vermogend 
man worden: de toestand was dus volkomen gelijk aan die 
waarin St. Eustatius vóór 1781 verkeerde. 

Aan de handelsbloei van St. Thomas is een einde gemaakt 
in 't midden der negentiende eeuw door het algemeen worden 
van de stoomvaart. Onafhankelik geworden van de passaat- 
winden, waren de koopvaarders niet langer verplicht een entrepot 
te zoeken. In 1867 waren de eilanden, die een drukkende last 
werden voor Denemarken, reeds zo goed als verkocht aan de 
Vereenigde Staten en dit met goedvinden der bevolking; maar 
een te rechter tijd intredende aardbeving en andere, minder 
bekende, oorzaken deden de bevolking van mening veranderen 
en hadden ook invloed op de kooplust der Amerikanen. Het 
besluit werd in 1870 herroepen *). Daarna is nog meermalen 
van verkoop sprake geweest; in 1902 werd door Amerika een 
bod van 5 millioen dollars gedaan. Er is echter een aanzienlike 
partij in Denemarken die tegen afstand is en veel hoopt voor 
St. Thomas van een Panama- of Nicaraguakanaal *). Het eiland 
telt tans 11000 inwoners, waarvan de helft blanken zijn. 't Gehele 
scheepvaartverkeer bedraagt per jaar 400 schepen ; de helft der 



*) Zie E. Taylor, Leaflets from the Banish West-Indies, St. Thomas, 
1888, blz. 22-30; Börgesen en Uldall, Vore Vestindiske Oer, Kopenhagen, 



1900, blz. 30 en 53. 




27 

tonnemaat komt binnen onder Duitse vlag, dank zij de Hamburg- 
Amerikalijn die er maandeliks 16 boten doet ankeren. President 
Roosevelt was, naar men zegt, in 1902 van plan St. Thomas 
tot een oorlogshaven te maken *). 

Ik keer terug tot de geschiedenis van onze taal. Het zal na 
't reeds meegedeelde geen verwondering wekken dat reeds kort 
na 't einde van het Napoleonties tijdvak onze taal op St. Thomas 
niet veel meer te betekenen had. Veeleer moeten we er ons 
over verbazen dat zij er in die tijd niet reeds geheel en al in 
onbruik was geraakt. 

Dat er werkelik nog wat Hollands gesproken werd, weten 
we uit het reisverhaal van G. B. Bosch, die in 1827 enige tijd 
op 't eiland doorbracht en er een vrij uitvoerige beschrijving 
van heeft gegeven 2 ). Als de meeste reizigers is hij verbaasd 
over het groot aantal talen dat op St. Thomas gesproken 
wordt ; bij 't uitbreken van brand hoort men die alle door elkaar 
schreeuwen. Dan klinkt het: „Fire! brand! du feu [1. au feu]! 
candela! fuega! enz." Hij verneemt van „de kerkopzieners 
(church wardens), de heeren Wood en van Vlierden — welke 
laatste bij zijn overlijden vervangen is door Jan de Man Gueyle — 
dat zij op eene aanzienlijke jaarwedde uit New- York, in Noord- 
Amerika, een' Predikant van de Nederduitsche Hervormde 
gemeente wachtende waren. Dat zij zoodanig een' niet ontboden 
hadden uit Nederland, was daaraan toe te schrijven, dat de 
Hollandsche taal hier bijna niet meer gesproken wordt; de 
oudsten der gemeente verstaan dezelve nog wel, maar het 
thans bloeijende geslacht drukt zich in het Engelsch uit" 8 ). Alle 



') Über Land und Meer, 1902, blz. 457. 

*) Reizen in West-Indië en door een gedeelte van Zuid- en Noord- 
Amerika door G. B. Bosch, predikant te Curac,ao, Utrecht, 1829—1836, 2dln. 
De beschrijving van St.-Thomas vindt men in het tweede deel, blz. 340—343. 

3 ) Bosch, blz. 385. Bij Knox (blz. 143) kan men zien dat deze predikant, 
Labagh geheten, de eerste was die in het Engels preekte; de gemeente 
was 15 jaar zonder voorganger geweest. De laatste Hollands sprekende 
predikant, Verboom, was „an unfaithful and ungodly pastor" geweest, 
't geen er in 1812 toe bijgedragen had om zich niet tot de classis van 
Amsterdam te wenden voor 't verkrijgen van een opvolger. Verboom was 
vooral op 't vermeerderen van zijn fortuin bedacht geweest; ook leidde hij 
een immoreel leven. Dat kwam meer voor. Bonn, de Calvinisliese ijveraar 
tegen de Herrnhutters, leefde in konkubinaat en huwde zijn „sweetheart" 
eerst op zyn sterfbed (Knox, blz. 139). 



28 

handelszaken worden in de Engelse taal verricht, en daarom 
wordt „de 2 malen iedere week verschijnende St. Thomasche 
Courant in het Engelsch geschreven, met uitzondering van 
datgene wat er van wege de regering en de ambtenaren in 
geplaatst wordt, hetwelk in het Deensch geschiedt" *). 

Het verhaal van Bosch doet ons, als het ware, de begrafenis 
van de Hollandse taal op St. Thomas bijwonen. Wanneer 
latere schrijvers, o. a. Reclus 2 ), nog ter loops zeggen dat er 
ook Hollands op 't eiland gehoord wordt, en zij dat Hollands 
nog onderscheiden van de Negertaai, kan hun bericht in geen 
andere zin waar heten dan waarin men kan zeggen dat in 
Genua of in Napels onze taal verstaan wordt. Bij geregeld 
scheepvaartverkeer vindt men in dergelijke havens altijd een 
paar ondernemende koffiehuishouders die op hun ramen laten 
schrijven: „Hier spreekt men Hollandsch." 

Finantiële betrekkingen hebben er tussen ons land en de 
Deense Antillen nog enige tijd na 't verdwijnen der Hollandse 
taal bestaan. In de achttiende eeuw waren die betrekkingen 
zeer nauw geweest. Te Amsterdam, dat aan heel Europa geld 
voorschoot en dat ook in Amerika zo veel belangen had, werd 
bij voorkeur door de planters hulp gezocht voor 't belenen van 
hun goederen; naar het oude stamland, waarmee men kerkelik 
verbonden bleef, richtten zich het eerst de blikken van de 
kolonisten die bedrijfskapitaal nodig hadden. Aan de vriendelik- 
heid van de hoogleraar P. J. Blok dank ik de kennismaking 
met een „Lijste der tegenwoordige vreemde negociatien ter 
Beurs van Amsterdam" van 1772, die op 't Rijks Archief berust. 
Daarop komen de Deense eilanden voor als belast met een te 
Amsterdam uitstaande hypothekaire schuld, over verschillende 
kantoren verdeeld, van niet minder dan ƒ9.700.000. In de 
„Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 
te Utrecht" van het vorige jaar 3 ) vermeldt en publiceert Dr. 



*) Bosch, blz. 367. 

2 ) Auteurs die de toestanden op St.-Thomas uit eigen aanschouw ing kennen 
gelijk Taylor, Börgesen en Uldall reppen geen woord van het Hollands. 
Een enkel woord over de veeltaligheid op St. Thomas vindt men ook 
in de Nouv. Dictionn. de Géographie van Vivien de Saint Martin, Parijs, 
1892, V de deel, en in andere soortgelijke werken. 

3 ) Deel XXV (1904), blz. 521, 551, 555. 




29 

W. W. van der Meulen meer dan één „negotiatie . . . ten be- 
hoeve van eenige planters op St. Thomas, St. Croix en St. Jan". 
Van een dezer hypothekaire obligaties is nog in 1840 rente 
betaald. Bij 't achteruitgaan der plantages, door 't opheffen 
van de slavernij in 1848, zullen deze fondsen wel waardeloos 
zijn geworden. Ook Bosch vermeldt dat sommige plantages in 
Holland verhypothekeerd zijn en dat de rente uitbetaald wordt door 
het huis Insinger te Amsterdam *). In vele oude boedels komen nog 
heden schuldbekentenissen op gronden der Deense Antillen voor. 

Het Kreools heeft het Hollands lang overleefd. Op de plan- 
tages ontstaan, is het daar nog gedurende de gehele 19 de eeuw 
in gebruik gebleven, al nam dat gebruik klaarblijkelik regel- 
matig af. Zie hier enige feiten en aanhalingen ten bewijze. 

In 1818 verscheen nog te Kopenhagen een tweede uitgaaf 
der vertaling van het Nieuwe Testament in het Negerhollands 2 ). 
Meinecke schreef in 1831 aangaande St. Croix: „die Einwohner 
sind fast alle englischer Abkunft, und es wird bloss englisch 
gesprochen," maar betreffende St. Thomas: „Die Einwohner 
sind hier, wie in S. Jean, hoMndischer Abkunft, und die 
holl&ndisch-kreolische Sprache herrscht hier" 8 ). De Amerikaanse 
predikant Gurney, die omstreeks 1830 een winter op de Antillen 
doorbracht, meent dat de invloed van de Moraviese broeders 
belangrijk schade lijdt „by their practice of preaching and 
teaching in the Negro-Dutch, a barbarous jargon now but little 
spoken by the people"; hij herhaalt die mening als hij verhaalt 
van de arbeid der Herrnhutters op Antigoa, waar deze „is 
impeded by no Negro-Dutch" 4 ). 

Het doodvonnis werd over 't Negerhollands geveld toen de 
4 de Julie 1848 de slaven bij trommelslag vrij werden verklaard. 
„From that time," zegt Taylor, „St. Thomas ceased to be 
an agricultural community. The town and its temptations were 



') Bosch, blz. 426. 

2 ) Dit boek wordt besproken in 't volgende hoofdstuk. 

8 ) Meinecke, Versuch einer Geschichte der Europaischen Colonien in 
West-Indien, Weimar 1831, blz. 749. 

4 ) J. J. Gurney, A Winter in the West-Indies, 4 de uitg. Londen, 1841, 
blz. 32, 70. Gurney is een groot voorstander van de emancipatie der slaven 
en hun bekering tot het Kristendom, waarvan hij veel verwachtte, o. a. dat 
de bevrijde slaven welhaast naar Afrika zullen gaan om hun zwarte broeders 
met het Evangelie bekend te maken. 



30 

too strong for the labouring population and it was not long 
before some of the best estates were turned out for want of 
sufficiënt hands to till them. A Labour Act had been passed 
containing stringent regulations, but it proved a dead letter 
as far as St. Thomas was concerned" *). Het bestaan van het 
Negerhollands was geheel afhankelik van 't leven op de plan- 
tages; een handels- of haventaal was 't nooit geweest en nu 
alles zich ophoopte in 't centrum van het verkeer, was 't ver- 
dwijnen van de plantagetaai niet meer dan een kwestie van 
tijd. Tans is 't platteland van St. Thomas en van St. Jan zo 
goed als ontvolkt. De plantages zijn veranderd in weidevelden 
of leveren aan verspreid wonende negergezinnen tuingrond voor 
't kweken van groente en vruchten. Negen tienden der bevol- 
king leven in of bij de havenstad 2 ). 

Ruim 20 jaar na het tot stand komen der emancipatie, ge- 
tuigt Addison van Name, wiens werk ik bij 't bespreken der 
taal herhaaldelik zal noemen, dat het Negerhollands „is confined 
mostly to the plantations. Until within a few years the Moravian 
missionaries have preached in this language to the blacks, but 
they have now abandoned it for a broken English" 3 ). Deze 
schrijver stelde zijn werk samen kort vóór 1870 en hij ont- 
ving zijn inlichtingen van een jong man, Frederico Antonio 
Camps, die van zijn zesde jaar af op St. Thomas gewoond had 
en „[who] speaks besides the French, also the Dutch and 
Spanish Creole, all three with great readiness". 

De laatste schrijver die met enige uitvoerigheid over 't Neger- 
hollands gesproken heeft is dr. E. Pontoppidan, op St. Thomas. 
Hij zegt: „im 19 Jahrhundert wurde die englische Sprache 
mehr und mehr die dominirende und die allgemeine Umgangs- 
sprache. Der Gottesdienst in der lutherischen Kirche wurde für 
die farbige Gemeinde bis in die dreissiger Jahre Kreolisch ge- 
halten; aber als dieses mehr und mehr in Vergessenheit kam, 
und die Jüngeren zum Beispiel beim Confirmationsunterricht 
die kreolische Sprache als eine fremde Sprache erst erlernen 
mussten, wurde dasselbe aufgegeben und Englisch substituirt. 



') Taylor, blz. 19. 

2 ) A. Kidder Fiske, The West-Indies, New-York, 1899, blz. 295. 

3 ) Van Name, blz. 160, 127. 



31 

Jetzt ist Kreolisch auf St. Croix fast ganz verschwunden, auch 
in St. Thomas werden in der Stadt nur noch sporadisch einige 
alte Weiber gefunden, denen die Sprache noch gel&ufig ist. 
Nur auf mehr entlegenen Platzen auf dem Lande, wie in den 
Missionen der mahrischen Brüder zu „Neu-Herrnhut" und 
„Niesky" und auf der kleinen, verkommenen und halb ver- 
wilderten Insel St. Jan hat sie sich besser erhalten. Sie ist da 
Mutter- und Umgangssprache der ëltern Generation, welche 
schlecht und mit Schwierigkeit Englisch, aber Platt-Kreolisch 
mit Gel&ufigkeit spricht; die Jüngeren dagegen haben Englisch 
adoptirt, und man kann sicher sagen dass die Kreolensprache sehr 
bald eine todte Sprache sein wird; in einem Menschenalter wird 
man schwerlich noch jemand finden, der es sprechen kann" *). 

In ^tegenspraak met alle mededelingen over de vroegere 
hegemonie van 't Negerhollands, staat de verzekering van 
Bosch dat op St. Thomas „de Cura^aosche landtaal de heer- 
schende is onder de zwarte en gekleurde bevolking. Op de 
straten en markten klonk mij deze taal aangenaam in de ooren , 
omdat ik aan dezelve te huis, op Cura^ao, zoo vele jaren 
gewoon was. . . De Cura^aosche landtaal wordt niet slechts op 
de Deense eilanden onder de zwarte en gekleurde bevolking 
gesproken, maar men hoort dezelve ook op andere eilanden, 
inzonderheid op Cuba enz." . . . 2 ). Wanneer Bosch een bezoek 
gaat brengen op een plantage in 't binnenland , zendt men hem 
een neger met een paard naar de haven en ook deze neger 
spreekt „de Curacjaosche landtaal". Bosch komt op tegen de 
hierboven (blz. 29) aangehaalde uitspraak van Meinecke, die 
volgens hem „eene onnaauwkeurigheid begaat door te spreken 
van eene Hollandsche landtaal, welke niet bestaat. Uit het 
bovengemelde ziet men dat het zal moeten wezen ; „ „De land- 
taal van Gura^ao en onderhoorige eilanden" " 8 ). 

Het is, dunkt mij, zeker dat Bosch door deze volstrekte ont- 
kenning van 't bestaan van 't Negerhollands toont niet op de 
hoogte te zijn. Het aantal, van elkaar onafhankelike, getuigen 
die tegen hem spreken is groot. Toch zal het positieve gedeelte 

') Einige Notisen Über die Kreolensprache der d&nisch-ruestindischen 
Insein in Zeitschrift für Ethnologie, XIII (1881), blz. 130 vlg. 
8 ) Bosch, blz. 424. 
s ) Bosch, blz. 366 noot. 



32 

van zijn bewering enige waarheid bevat hebben, en ook 't 
Papiements als mededingster van de Hollandse slaventaal op 
't eiland zijn binnengedrongen. Te Cura^ao werd in de 17 de eeuw 
een „assiento" of slaven-entrepöt opgericht en „dit voorzag 
niet alleen de Spaansche kolonies van slaven, doch het maakte 
het eiland ook weldra tot het centrum van den West-Indischen 
slavenhandel, 't welk het jaren lang bleef" 1 ). Ook de zegsman 
van Addison van Name, Camps, die op St. Thomas gevestigd 
was, kende Papiements, doch dit mag niet als argument gelden, 
want van deze wordt meegedeeld dat hij „has also visited 
nearly all the West-India islands and can speak from personal 
observation of the limits of the several dialects" 2 ). 

De Rev. E. C. Greider, bisschop der Herrnhutter Gemeente 
op St. Thomas, die mij, gelijk straks zal blijken, nog door 
andere mededelingen omtrent het Kreools verplichtte, antwoordde 
mij op mijn vraag of nog heden 't Papiements op St. Thomas 
voorkomt, het volgende: „I do not think it is either spoken 
or understood here now. In the early part of the 19 th century, 
there was much more communication between Cura^ao and 
St. Thomas than now, and the majority of the Jewish families 
have come from that island. This fact of closer and more fre- 
quent intercourse may explain the use of the Spanish Creole 
at that time". Ik voeg hier nog bij dat de heer Jesurun in een 
opstel over het Papiements 3 ) vermeldt dat Cura^aonaars uit de 
arbeiderstand hun taal ook naar omliggende plaatsen over- 
brengen, o. a. naar Venezuela, waar men die Hollandés noemt. — 
We mogen dus als slotsom aannemen dat van de zeer sterk over- 
drijvende woorden van Bosch alleen te onthouden valt, dat ook op 
St. Thomas in zijn tijd Papiements sprekende negers voorkwamen. 
Bij de nadere bestudering van het Negerhollands zal het blijken 
dat die taal heel wat woorden aan het Papiements heeft ontleend. 

Ten slotte blijft nog de vraag te beantwoorden in hoeverre 
er nog op dit oogenblik Negerhollands gesproken wordt op de 



1 ) Hamelberg, De Nederlanders op de West- Indische EU. I, blz. 42. Nog 
heden bestaat er op Curacao een plantage die de naam Assiento draagt; 
de naam wordt genoemd in het Verslag Gesch. Gen. II (1898), blz. 9. 

2 ) Van Name, blz. 127 ; volgens Van Name wordt, of werd, er op 't eiland 
ook een eigenaardig Frans Kreools gehoord. 

3 ) Versl Gesch. Gen. I (1897), blz. 97 vlg. 




33 

Deense Antillen. Het is wel een bewijs van de onverschilligheid 
der meeste schrijvers voor taalkundige kwesties dat die vraag 
uit gedrukte bescheiden zo moeilik kan worden beantwoord. 
Vóór mij ligt de uitvoerige beschrijving van de eilanden door 
G. E. Taylor, uitgekomen in 1888, die ik reeds tweemaal heb 
aangehaald. De schrijver, een praktiserend geneesheer, had, 
toen hij zijn boek schreef, twee en twintig jaar op 't eiland 
St. Thomas doorgebracht; hij vermeldt biezonderheden omtrent 
alle onderdelen van de geschiedenis, beschrijft nauwkeurig de 
levenswijze der verschillende klassen van de bevolking, weidt 
uit over de flora en de fauna, de handel en de nijverheid, het 
klimaat en de oorspronkelike bewoners, — maar over de taal 
vindt men in dit deel van 228 blz. niets dan dit ene, onnauw- 
keurige, zinnetje; „Dutch was [op St. Jan] once the prevailing 
language, many of the planters being of Dutch descent. The 
population, which now numbers about 900, speaks English" *). 

Niet veel meer vindt men in een overigens bij grote beknopt- 
heid zeer volledig werkje, het aardigste dat, voor zover mij 
bekend is, over de Deense Antillen is geschreven. Ik bedoel 
de goed door fotografieën geïllustreerde schets Vore Vestindiske 
Öer van F. Börgesen en F. P. Uldall (Kopenhagen, 1900). Hier 
lees ik op blz. 47 (overgenomen uit 't Geografisk Tidsskrift 
XIII) het volgende: Engels is de gewone taal op St. Thomas, 
gelijk in 't algemeen op de Deense Westindiese eilanden. 
Intussen is 't Engels van de negerbevolking een verschrikkelik 
koeterwaals en vermengd met woorden en brokstukken van 
alle mogelike andere talen; 't heeft een eigen spraakkunst en 
is biezonder lelik. Dit jargon heeft echter ook in de taal der 
Europeanen duidelike sporen achtergelaten, en 't mooiste Engels 
krijgt men daardoor op onze eilanden gewoonlik niet te horen". 
Uit deze weinige woorden kan men opmaken dat het Neger- 
hollands is overgegaan in Negerengels, zoals dat, gelijk we 
zagen, reeds veel vroeger op St. Groix het geval is geweest. 

Zekerheid omtrent dit alles kreeg ik door een vriendelik 
schrijven van de reeds door mij genoemde heer Greider, die 
mij in een brief, gedateerd 31 Januari 1904, het volgende 
schreef: „The language in its purity is now spoken by a very 



') Taylor, blz. 99. 

8 



34 

few old people, principally those living in the country districts. 
The younger generation speak a mixed dialect that is called 
Creole, but it contains very many English words . . . Our people 
[dus de meer beschaafde negers, die niet op 't zogoed als ver- 
laten land wonen] speak a comparatively pure English and 
there is no patois like in the French or Dutch islands. In 
fact, if any one wished to study the language as it now is 
spoken, it would be best to do it immediately." Ten slotte 
deelt de heer Greider mij een proefje mee van het „bastard 
Creole", gesproken door de jongere generatie der nog niet 
geheel verengelste negers. Ik laat het hier volgen: 

How are you? How so you be? [Hoe so joe 6e?]. — 
How cwe you feeling this moming? How so you full for 
da fru-fru? [Hoe so joe voel voor die vroe-vroe?]. — Idon't 
feel rvéll this morning. Me no full fri for da fru-fru 
[Mie no voel vrie voor die vroe-vroe]. — We did not have 
communion last night. Ons no a how... na die dunku 
[Ons no a hou ... na die donker]. De gespatieerde woorden 
zijn niet zo Engels als zij er op 't eerste gezicht uitzien; dit 
blijkt uit de vertaling in 't oudere Kreools, naar Hollandse 
transkriptie, die ik tussen haakjes er bij heb geplaatst. In de 
laatste zin moet een woord zijn uitgevallen achter how. 

Uit het volgende hoofdstuk zal blijken dat het tans geheel, 
of zogoed als geheel, uitgestorven Negerhollands een vrij groot 
aantal gedrukte boeken het licht heeft doen zien. Het is onver- 
klaarbaar dat bijna geen enkele der schrijvers die over St. Thomas 
en zijn bevolking gehandeld hebben, van 't bestaan van deze 
boeken kennis blijkt te bezitten. Alleen Reclus zegt , in 't 
algemeen, dat „1'ancien dialecte créole, qui possède toute 
une littérature réligieuse, a presque entièrement dis- 
paru *) ; Van Name vermeldt slechts de vertaling van 't Nieuwe 
Testament door de Herrnhutters en Ponloppidan de overzetting der 
Denen. Taylor kent geen enkele van deze boeken, Knox evenmin. 



*) Reclus, Nouv. Géogr. Univers. XVII, blz. 802. Hij verwijst naar 
Hermann E. Ludewig, The Literature of American aboriginal Languages, 
Londen, 1858; deze schrijver kent echter slechts 5 van de 14 geschriften 
die in 't volgende hoofdstuk genoemd zullen worden, en verder een, mij 
onbekend gebleven, A. B. boekje dat in 1770 op S. Croix (!) verschenen zou zijn. 



IL 

Bij ontstentenis van de gelegenheid om op 't platteland der 
Deense eilanden de enkele oude negers te raadplegen die 't Neger- 
hollands nog spreken, moet men die taal bestuderen uit de 
verschillende gedrukte en ongedrukte bescheiden waarvan op 
de vorige bladzij sprake was. Deze stukken kunnen verdeeld 
worden in twee hoofdgroepen , in een Deense en in een Duitse, 
al naar zij 't werk zijn van Deense of van Duitse zendelingen 
(Herrnhutters). De taalproeven meegedeeld in het Zeitsch/rift 
für Ethnologie (zie hierboven , blz. 30) door Dr. Pontoppidan, 
een Scandinaviër op St. Thomas gevestigd, kunnen gevoeglik 
bij de eerste rubriek gerekend worden, daar zij voor een groot 
deel bestaan uit een herdruk van enige bladzijden uit de bijbel- 
vertaling der Denen en ook in de andere, niet overgenomen, 
stukken de spelwijze der Denen vertonen. 

Ik laat hier een opsomming volgen met een korte beschrij- 
ving van de teksten die ik zelf heb kunnen raadplegen. 

I. De Deense groep. 

Naar het uiterlik onderscheiden zich deze teksten van die der 
Herrnhutters door hun Deense orthografie, waarvan de biezon- 
derheden later zullen worden besproken, en naar hun inhoud 
door een sterker streven om zich aan de gesproken taal te 
houden. Wel verklaren ook de Denen dat „die bin noodsaeklig 
na geestlige Saeken for volg die hollands Spraek", maar zij 
verstaan daaronder het vermijden van platte Kreoolse woorden : 
de spraakkunst laten zij zo veel mogelik onaangetast. „Mie ka 
volg die Greolse Spreek-Manier overal, zegt de vertaler van 
het Nieuwe Testament, maer mie no ha wil gebryk die ge- 



36 

meene woorden,... die sellie dog gebryk in daglig Omgang". 
Als staaltjes van 't kenmerkend verschil tussen de beide ver- 
taalwijzen (dat 't meest uitkomt bij de bewerking van stukken 
in verheven stijl), noem ik het gebruiken van een naar Hollands 
model gevormd passief door de Herrnhutters, terwijl de Denen 
zich in de regel van deze, aan 't eigenlik Kreools onbekende, 
grammatikale kategorie onthouden; verder citeer ik de Deense 
omschrijving „vier die no sal yt" tegenover de uitdrukking der 
Herrnhutters „eeuwig vuur". De Denen spreken van Donker, 
Kop, Adderkinders enz. waar de Herrnhutters schrijven Nacht, 
Hoofd, Adderen-Geslacht; 't Kreoolse meervoud, gevormd door 
sender, is bij de Denen regel, bij de Herrnhutters uitzonde- 
ring. Eindelik vindt men in de Deense vertaling verschillende 
Danismen, waarvan ik tans alleen noem Jomvrow en Hykla/r 
voor jonkvrouw en huichelaar. 

De verschillende Deense geschriften zijn: 

1. Een boekje bevattende een A. B. boek, de kleine Katechismus 
van Luther en enige psalmen, gedrukt te Kopenhagen in 1770. 
Dit werkje, en de twee volgende nummers, worden vermeld 
in het „Voorberigt" tot de vertaling van 't Nieuwe Testament ; 
ik heb dat voorbericht in de bloemlezing laten afdrukken. Het 
boekje zelf heb ik niet machtig kunnen worden. 

2. Grammatica over det Creolske Sprog, som brugespaade 
trende Da/nske Mlande, St. Groix, St. Thomas og St. Jans 
i America, sammenskrevet og opsat af en paa St. Thomas 
indföd Mand. Trykt udi det Kongelige Waysenhusets Bog- 
trykkerie, af Gerhard Qiese Salikath. Kopenhagen, 1770, 
8°, 80 blz. In 't vervolg geciteerd als G. D. 

De schrijver van deze spraakkunst, de „indföd Mand", d. w. z. 
Kreool, op het titelblad genoemd, is J. M. Magen s, gelijk hij 
zich tekent aan de voet van de opdracht van zijn werk aan 
Graaf Otto Thott. Hij heeft zijn werk ondernomen ten bate 
van de Deense missie op de Westindiese eilanden. In zijn voor- 
rede zegt hij dat het Kreools der Deense eilanden afgeleid is 
van 't Hollands, daar de eerste blanke bewoners grotendeels 
afkomstig waren van de Hollandse gewesten in Europa. Voorts 
deelt hij mee dat, indien men zich naar de uitspraak der negers 
een denkbeeld wilde vormen van 't Kreools, men zich zeer 
zou vergissen, aangezien deze de „Litteras Gutturales" niet 



37 

kunnen uitspreken en ze meest weglaten, en ook niet waar 
twee medeklinkers te zamen komen die steeds beide uitspreken. 
Om nu zijn werk niet „onregelmatig" en „oneindig" te maken, 
heeft hij de uitspraak der blanke inwoners gevolgd, in de hoop 
dat alle weidenkenden hem zullen toegeven dat dit de beste en 
veiligste manier is om regels samen te stellen ter vorming van 
een taal die op al de drie eilanden bruikbaar kan zijn. De 
schrijver heeft dus in zijn spraakkunst de klanken van het 
hollandiserend Kreools beschreven. Voor 't overige is hij uiterst 
beknopt in 't geen hij van de klanken en de taalvormen 
meedeelt; zijn overzicht eindigt op blz. 33 en die bladzijden 
zijn dan nog voor 't grootste deel gevuld met opsommingen van 
de verschillende bijwoorden, voorzetsels enz., dus met lexiko- 
grafie. Zeer belangrijk zijn een reeks spreekwoorden en gesprekken 
die hij in 't tweede deel van zijn boek weergeeft, 't Langste 
gesprek is een onderhoud tussen een zendeling en een heiden 
over 't Kristelik geloof (blz. 37—51); de schrijver getuigt echter 
„dat men uit dit gesprek niet de eigenlike Kreoolse spreekwijze 
kan opmaken, daar de woorden die op de theologie betrekking 
hebben merendeels Hollands zijn; daarom voegt hij er een 
twaalftal gesprekken aan toe waarin hij getracht heeft alle 
[echt Kreoolse] spreekwijzen te pas te brengen die hem in de 
gedachten kwamen." — Deze laatste gesprekken en de spreek- 
woorden geven, met de onder T. P. te noemen teksten, het 
best een beeld van 't eigenlike Kreools. 

Op verzoek van Magens heeft, volgens het aangehaalde voor- 
bericht van het Nieuwe Testament, een zendeling een Woordéboek 
geschreven, dat evenwel in 1781 nog niet gedrukt was. Of het 
ooit onder de pers kwam, is mij onbekend. Op de Bibliotheek 
te Kopenhagen bevindt het handschrift zich niet. Evenmin kan 
ik iets meedelen omtrent een overzetting van 't Oude Testament 
door Magens begonnen, waarvan 't voorbericht tot het Nieuwe 
Testament gewaagt, met de toevoeging dat de psalmen van 
David reeds voltooid zijn en men de vertaling der profetiese 
boeken binnen korte tijd kan verwachten. 

3. Die Nywe Testament van ons Heer Jesus Christus ka 
set over in die Creolse Tael en ka giev na die Ligt tot dienst 
van die Deen Mission in America , gedrykt in Copenhagen 
1781, bei die Erfgenamen vcm Godiche. 



38 

In de opdracht aan de Koning van Denemarken (Christiaan VII) 
vindt men vermeld dat deze vorst het geld voor het drukken 
geschonken heeft. In het eerste deel van de Catalogus Bibliothecae 
Tottiamae leest men op blz. 228, onder n°. 4626: „Eiusdem 
libri (d. i. van 't Nieuwe Testament in 't Kreools) plagula 
prima (impr. Hafniae 1779), sed ob versionem nimis Belgicam 
rejecta, adeoque plus non prodiit." Dit afgekeurde eerste vel, 
in twee eksemplaren op de Kopenhaagse Bibliotheek aanwezig, 
mocht ik te Leiden raadplegen. Het bleek mij echter dat de 
tekst volkomen identiek is met die van de volledige uitgaaf 
van het Nieuwe Testament, zelfs een drukfout hebben beide 
stukken gemeen. De opmerking van de catalogus, die over is 
genomen door Graesse {Trésor de livres rares et précieux, 
Dresden, 1867, VI, 2, blz. 90) berust op een aantekening 
geschreven op een ingeplakt stuk papier, waarin wordt gezegd 
dat dit „het eerste vel is van 't Kreoolse Nieuwe Testament, 
gedrukt in 1779, waarvan niets verder is uitgekomen, daar de 
vertaling al te Hollands was." (Det forste Arck af et Creolsk 
Nye Testament trykt 1779, hvoraf intet videre udkom, siden 
Ofversetsel var formeget Hollandsk.) 

Indien werkelik dit eerste vel reeds in 1779 werd gedrukt 
en toen is afgekeurd, dan moet men aannemen dat, na inge- 
steld onderzoek, het gebleken is dat het karakter van de taal 
wèl goed was weergegeven, en men ten slotte besloten heeft 
het gehele werk te laten drukken. Met de woorden „versio 
nimis Belgica" zal wel bedoeld zijn dat te veel koncessies waren 
gedaan aan 't Hollands, in die zin dat het Kreoolse karakter 
niet genoeg uitkwam; vermoedelik heeft men later ingezien dat 
het zo goed als onmogelik was de verheven gedachten van 
het oorspronkelike weer te geven, indien men zich angstvallig 
bepaalde tot de zinbouw en het vokabularium der negers, die 
geen woorden kenden voor de begrippen in de Evangelieën, en 
vooral in de brieven van Paulus, uitgedrukt. 

De vertaling is het werk van M agens. De mening van 
Graesse dat het afgekeurde vel vertaald was door „L. Harbou 
et autres" berust op een vergissing: Harboe, Jessen, Hvid 
en Bartholin waren de leden van het „General-Kirke-Inspec- 
tions Collegium" die het Voorberigt ondertekenden en 't werk 
hadden goedgekeurd. Magens, die, ofschoon op St. Thomas 



39 

geboren, te Kopenhagen gestudeerd had, heeft blijkbaar naar 
de Deense tekst van het Nieuwe Testament zijn vertaling ge- 
maakt. De uitvoering van het boek is zeer fraai. Het papier is 
stevig, de druk helder en de band voorzien van gouden stem- 
pels die het gekroonde naamcijfer van Christiaan VII voorstellen. 
Drukfouten zijn zeldzaam; een tiental wordt in de corrigenda 
vermeld. 

Uit deze vertaling en uit de straks te noemen Duitse vertaling 
heeft Adelung {Mithridates , II, blz. 252) het Onze Vader mee- 
gedeeld als voorbeeld van het op de Deense eilanden gesproken 
Kreools. Hij vermeldt ook het Psalmboek der Duitsers (zie 
hierachter, blz. 44). In het Taalkundig Magazijn van 1840 
(blz. 50) heeft Mr. L. Ph. G. v. d. Bergh naar deze, hem uit 
Adelung bekende, proeven verwezen. 

In 1818 verscheen te Kopenhagen, tans bij „die Erfgenamen 
van Schultz" een tweede druk va/n deze vertaling. Men kan 
het een goedkope druk, een volkseditie noemen, 't Papier en 
de druk zijn veel minder fraai, de band is eenvoudig en een 
cul-de-lampe (een door een rivier bespoeld landschap voorstellend) 
boven 't eerste hoofdstuk van Mattheus in de eerste uitgaaf, 
ontbreekt. Ook is weggelaten de Deense vertaling van de 
opdracht aan de Koning en van het voorbericht. Overigens is 
de tekst onveranderd overgenomen; alleen heeft men van de 
drukfouten die in de corrigenda der eerste uitgaaf opgetekend 
staan er negen verbeterd voor de tweede druk, — doch de 
slordigere uitvoering van deze tweede editie heeft een veel 
groter aantal nieuwe fouten (ik telde er ongeveer 100) in de 
tekst gebracht. — Dit boek is in 't vervolg geciteerd als N. T. D. 

4. Dr. Maarten Luther sie klem Katechismus ka set ower na die 
Creól Tael, va/n J. J. Praetorms, Miss. ord. na St. Thomas 
en SL- Jan in Amerika, Rjöbenhavn, 1827. Ka prent bie 
C. Graébe. Dit boekje wordt geciteerd door H. Gaidoz in de 
Revue Critique 1881, II, blz. 167, als verschenen in 1829; 
ik vermoed dat het jaartal een drukfout bevat, van een tweede 
druk gewaagt Gaidoz niet. 

5. Evangelis Kristelik Leering-Buk tot Oébryk na die Onder- 
wies van die Katechesan sender na die Deen Mission in 
Amerika, ka skriev van J. J. Praetorius, Kjöbenhavn, 1827. 
Ka prient bie G. Graébe. 



40 

Deze beide boekjes, in 't zelfde jaar uitgegeven, berusten, 
in één band gebonden, op de Kon. Bibl. te Kopenhagen. Het 
eerste is 16 blz. groot, het tweede telt er 72. Het tweede 
werkje is te beschouwen als een uitbreiding der aantekeningen 
door Luther op de tien geboden, de geloofsartikelen, het Onze 
Vader en de sakramenten van Doop en Avondmaal gemaakt. 
De taal staat verder van 't Kreools der negers af dan de ver- 
taling van 't Nieuwe Testament. 

6. Taalproeven meegedeeld door Dr. E. Pontoppidcm {Z&iU 
schrift für Ethnologie XIII (1881), blz. 135—138). Deze ter- 
zameling van spreekwijzen, en het gesprek „im gewöhnlichen 
Kreol" er aan toegevoegd, zijn, hoewel gering van omvang, 
voor de studie der taal van grote waarde, en wel 1°. omdat 
hetgeen Pontoppidan meedeelt zuiver Kreools is, afgeluisterd 
van de negers (ik zonder natuurlik zijn overdruk van 't Nieuwe 
Testament uit), en 2°. omdat hij ons die taal in een ander 
stadium vertoont dan de reeds genoemde teksten. De opmer- 
kingen die de verzamelaar aan zijn werk toevoegt zijn van 
weinig belang. Er blijkt duidelik uit dat hij geen taaibeoefenaar 
van zijn vak is, en vooral de kennis van onze taal mist die 
voor recht begrip van 't ontstaan der Kreoolse vormen, en 
derhalve van een juiste spelwijze (tenzij men foneties wil 
schrijven), onmisbaar is. Hoe 't met Pontoppidan's kennis van 
onze taal geschapen staat, blijkt uit het volgende citaat (blz. 133): 
„Sehr wenige Worte scheinen africanischen Ursprungs zu 
sein;... es ist eine, obwohl ziemlich geringe Zahl von Kreol- 
wörtern, welche ich wenigstens nicht im Stande gewesen bin 
von anderswo herzuleiten, z. B. makutu (zie glossarium), quaet, 
leéluk (schlecht, schlimm), fraj (gut), gaw (schnell), u. a." Aan 
deze gebrekkige taalkennis moeten waarschijnlik verschillende 
drukfouten in het overgedrukte deel van 't Nieuwe Testament 
worden toegeschreven; ik vermeld die hier, en evenzeer Pon- 
toppidan's onbekendheid met het Hollands, om mij te recht- 
vaardigen wanneer ik in de van hem overgenomen taalproeven 
een enkele maal veranderd heb wat mij een lapsus calami 
van de schrijver toeschijnt te zijn. Natuurlijk drukt die onbe- 
kendheid met het Hollands een keur van echtheid op hetgeen 
de schrijver meedeelt. Zijn getuigenis is van grote waarde tegen- 
tegenover de andere teksten, waarbij we niet weten in hoever 




41 

de schrijvers van onze taal op de hoogte waren. Door verge- 
lijking van Pontoppidan's spreekwijzen met de overige teksten 
kunnen we enigszins de afstand tussen het Kreools der slaven 
en dat der blanken bepalen; tevens zien we er uit hoezeer 't 
Engels terrein had gewonnen. — Deze taalproeven worden in 't 
vervolg geciteerd als T. P. 

II. De Duitse groep. 

Reeds is hierboven er op gewezen dat in 't algemeen de 
teksten der Herrnhutters verder van 't Kreools der slaven afstaan 
en dichter tot het Hollands naderen. Addison Van Name heeft dit 
kunstmatige van 't Kreools der Moraviese broeders reeds opge- 
merkt. Hij noemt l ) de taal van hun bijbelvertaling en van hun lie- 
derboeken „in great measure artificial". Dit kunstmatige karakter 
wordt door Oldendorp verklaard en verdedigd. Nadat hij er op 
gewezen heeft dat de armoede van 't Kreools der negers vooral 
lastig is bij 't overbrengen van de H. Schrift en van gods- 
dienstige liederen, en de zendelingen daarom gedwongen werden 
„die Tempora passiva ebenso zu formiren, wie im Deutschen 
oder Holl&ndischen", gaat hij over tot de volgende theoretiese 
beschouwingen, die ik wat uitvoeriger meedeel, omdat zij de 
geest kenschetsen waarin de Herrnhutters hebben gewerkt. „Da 
die Sprachen der Nationen mit ihren Kentnissen in einem 
nothwendigen Verh&ltniss stehen, und jene nie weiter gehen, 
als diese reichen ; so muss bey der Erweiterung und Besserung 
der Kentnisse der Neger auch nothwendig ihre Sprache gewin- 
nen. Und da sie, wenigstens den Bussalen, eine fremde Sprache 
ist, so hat die Verbesserung derselben wenig Schwierigkeit. 
Aber auch die Creolen lemen sehr gern von den Missionarien, 
weil ihnen die Sachen wichtig sind, zu deren richtigeren Aus- 
druck die Verbesserungen vorgenommen werden. Es muss aber 
damit um ein gut Theil weiter gehen, wenn diese Sprache zur 
Poesie und zu guten Übersetzungen geschickt werden soll; sie 
muss nicht nur reicher an Ausdrücken, sondern auch durchaus 
biegsamer werden. Ersteres wird durch Einführung fremder 



») Blz. 160. 



42 

Wörter erhalten, wozu man durch den Ursprung dieser Sprache 
und die bisherige Gewohnheit berechtiget ist; zu diesem ist 
der wichtigste Schritt durch Einführung einer bestimmten Art 
zu conjugiren gethan worden" '). 

De zendelingen der Herrnhutters hebben ook elders hetzelfde 
systeem toegepast. Toen zij in 1767 te Suriname hun werk 
onder de negerbevolking begonnen, stonden zij voor dezelfde 
moeilikheden als vroeger op St. Thomas en hebben die, volgens 
de bewering van een hunner geleerdste mannen 2 ), ook over- 
wonnen door langzamerhand „eene geestelike of kanseltaal te 
vormen, die door de Kristenen behoorlik verstaan wordt". 

Behalve met de weerbarstigheid van 't objekt waarvan de 
zendelingen zich bij hun vertaalwerk hadden te bedienen, 
moesten zij nog ernstige bezwaren van subjektieve aard uit de 
weg ruimen. Vooral in de eerste tijd waren zij zelf zeer zwak 
ter tale. De eerste missionarissen leerden op hun reis naar 
West-Indië wat Hollands op de schepen die hen overbrachten, 
en preekten in 't begin op een wijze die Von Dewitz „mehr 
ein Stammeln als ein Predigen" noemt; ja, zegt hij, „es mag 
wohl mehr deutsch als holl&ndisch von ihnen geredet worden 
sein" 3 ). Spangenberg, de opvolger en biograaf van Von Zinzen- 
dorf, was de eerste die (in 1736) de negers in 't Kreools toe- 
sprak; Von Zinzendorf, die ook de eilanden bezocht, gebruikte 
de Hollandse taal, die hij reeds in zijn vaderland geleerd had, 
doch later begon hij een katechismus in 't Kreools op te 
stellen. In 1740 was er slechts één zendeling die 't Kreools 
volkomen meester was; alle gezangen werden in 't Hollands 
gezongen. Door de energie van Gottlieb Israël (gestorven in 
1743) werd het Kreools de eigenlike taal der zendingskolonie 4 ). 
Het is van belang dit alles in 't oog te houden, omdat uit deze 
omstandigheden zo wel de Duitse kleur der Herrnhutterteksten 
als 't vasthouden aan de Hollandse spraakkunst verklaard 



») Oldendorp, blz. 433 vJg. 

2 ) Wullschlagel, in het tijdschrift West-Indië I, blz. 288. 

3 ) Von Dewitz, blz. 10; vlg. blz. 165. 

4 ) Von Dewitz, blz. 48, 109, 260. Nog in 't voorbericht van 't Psalmboek 
van 1774 (zie hierachter) wordt gezegd dat de liederen vertaald zijn, voor 
„soo ver as ons a kom bekent met jender taal." 



43 

wordt. De latere zendelingen moesten telkens heel wat Germa- 
nismen afleren en slaagden daarin natuurlik zeer onvolkomen. Het 
kardinale punt waarop de Deense vertaling zich van de Duitse 
onderscheidt, is wel hierin gelegen dat het laatste werk door 
vreemdelingen, het eerste door een op 't eiland geboren man 
verricht is. 

Hoever de Herrnhutters zich van 't eigenlike Kreools hebben 
verwijderd, zal meer in 't biezonder uit de spraakkunst blijken. 
Hier wil ik er alleen nog op wijzen dat wij, binnen de grenzen 
der Duitskreoolse teksten, tweeërlei korrektief vinden voor hun 
verhollandisering, In de eerste plaats staan de taalproeven door 
Oldendorp meegedeeld veel dichter bij de gesproken taal dan 
de overzetting van 't Nieuwe Testament, een verschil dat reeds 
Van Name heeft opgemerkt *); ten tweede vinden we in een 
spraakkunst (zie hierachter, blz. 45) door Herrnhutters in de 
18 de eeuw geschreven, uitvoerige berichten omtrent de eigen- 
aardigheden der gesproken taal en enige proeven van spreek- 
woorden en gesprekken die overeenstemmen met de overeen- 
komstige bescheiden bij de Deense auteurs. 

Ik zet tans het overzicht van de mij bekende teksten voort, 
en noem dus de stukken die door de Herrnhutters zijn gedrukt 
of geschreven. 

7. Een in 1761 gedrukt boekje, bevattende de liturgie, de 
formulieren van doop en avondmaal en sommige liederen. 
Ik ken dit boekje alleen uit het werk van Oldendorp, waar 
het op blz. 914 geciteerd wordt als 't eerste geschrift dat in 't 
Negerhollands gedrukt is. Misschien hebben we met een ver- 
gissing van Oldendorp te doen; immers deze schrijver vermeldt 
op blz. 971 dat in 't jaar 1765 „das erste Creolische Gesang- 
buchlein" werd gedrukt. Dit schijnt in tegenspraak met de 
verzekering, op blz. 914 gegeven, dat het boekje van 1761 de 
vertaling „vieler Kirchenlieder" bevatte. De bibliotheek te 
Herrnhut bezit dit boekje niet. 

8. Gebeden en Liederen voor die swart Broedergemeenten 
vcm St. Thomas, z. pi. 1765. 

9. Psalmboek voor die Negergemeenten van St. Thomas, 
St. Croix en St. Jan, Barby, 1774. Onder Psalmboek heeft 



*) Van Name, blz. 160. 



44 

men hier niet een vertaling van 't boek der Psalmen van het 
Oude Testament te verstaan *), maar een vertaling van liederen 
ontleend aan het „Gesangbuch zum Gebrauch der evangeli- 
8chen Brüder-Gemeinen" , een werk dat sedert de tijd van 
Graaf Von Zinzendorf herhaaldelik herdrukt is en nog heden 
bij de Herrnhutters gebruikt wordt. 

In geen enkele tekst is de afwijking van de gesproken taal 
zo groot als in deze vertaling. Voor de spraakkunst levert het 
boekje dan ook niet veel op, maar hier en daar komen er 
woorden in voor die van belang waren voor 't glossarium. — 
Het Psalmboek wordt in 't vervolg aangehaald als Ps. 

In 1784 verscheen een tweede uitgaaf van dit Psalm- 
boek (Ps. 2 ). Het is een „nieuwe en vermeerte, ook hier en daar 
verbeeterde" druk. De „verbetering" bestaat hoofdzakelik in 
't nog meer opnemen van Hollandse woorden. Zo luiden b. v. 
de twee eerste regels van het derde koepiet van N°. 9 in de 
eerste uitgaaf: 

O Joe Bliek van Heerlikheit! 
Licht van Licht, ut God ka parri! 

en in de tweede editie (N°. 2): 

O Blik van die Heerlikheid, 
Licht van Licht ut God gebooren! 

10. Taalproeven (spreekwoorden en de apostoliese geloofsbelij- 
denis met de verklaring van Luther) meegedeeld door Oldendorp 
(blz. 432, 434-436). 

11. Die Nieuwe Testament na Creol Taal, Barby, 1802.8°. 
812 blz. Deze tekst leent zich 't best tot vergelijking met de 
Deense teksten. Hierboven is reeds gezegd dat de Denen zich 
trouwer aan de volkstaal hielden; er zijn echter plaatsen waar 
de Herrnhutters nauwkeuriger weergegeven hebben. De uitvoering 
van dit boek is goed, doch veel minder fraai dan die van de 



') Dr. A. Beets maakt er mij opmerkzaam op dat wat wij een „kerkboek'* 
noemen (berymde psalmen, gezangen en de liturgie bevattende) in 't Deens 
Psalmebog heet. Ondanks het gebruik van dit woord in een boek der 
Herrnhutters, hebben we dus hier misschien met een Danisme te doen. 



45 

eerste Deense druk. De „Drukfouten en Verbéeteringen" aan 
't eind nemen acht bladzijden in ; 't zijn voor een groot deel 
onregelmatigheden in de spelling die verbeterd worden. — In 
't vervolg is dit boek geciteerd als N. T. H. 

12. Die Hoofd-Inhoud van die Leering van Jesus Christus 
voor die Negergemeente van die Broeërkerk, Barby, 1785. De 
inhoud van dit boekje valt voor een groot deel samen met de 
taalproeven van Oldendorp. De taal is minder echt Kreools. 

13. A. B. C. Boekje voor die Negerkinders na St. Thomas, 
St. Croix en St. Jam, Barby, 1800. 

14. Qrammatik der Creol-Sprache in West-Indien (in 't ver- 
volg geciteerd als G. H.). 

Op de bibliotheek te Herrnhut wordt een handschrift, groot 
104 blz. klein 4°, bewaard dat deze titel draagt. Een kopie 
werd mij bezorgd door vriendelike tussenkomst van de heer 
A. Glitsch, archivaris. Het handschrift vertoont geen aanwijzing 
van de plaats waar het is geschreven, gedateerd is het even- 
min. Vermoedelik is het in de eerste jaren van de negentiende 
eeuw opgesteld; immers in 't begin wordt gezegd dat het 
Nieuwe Testament in 't Kreools is gedrukt en dat „auf den 
Englischen Insein, und auch schon im westlichen Teil von 
St. Croix verdorben Englisch" door de negers gesproken wordt. 
Veel later dan in 't jaar waarin 't Nieuwe Testament werd 
gedrukt (1802), kan men 't ontstaan van deze spraakkunst dus niet 
stellen; dan toch kan er van 't veldwinnen der Engelse taal 
onder de negers niet in zulke termen (en als alleen op St. Croix 
waar ie nemen) gesproken zijn. 

Deze spraakkunst is veel uitvoeriger dan de hierboven ge- 
noemde Deense. De spreekwoorden en gesprekken, die ook bij 
de Duitse schrijver niet ontbreken, nemen slechts een twaalftal 
van de ruim honderd bladzijden in. Op syntaxis en eigenaardig 
gebruik van vele woorden wordt telkens opmerkzaam gemaakt. 

De schrijver van deze Duitse spraakkunst is bekend met het 
werk van Magens. Hij vertelt in zijn voorbericht dat ook 
de Deense zendelingen teksten, in 't Negerhollands opgesteld, 
hebben laten drukken; somtijds ontleent hij iets aan deze 
voorgangers (b.v. de opsomming der bijwoorden en voorzet- 
sels); hij wijst er op dat er hier en daar verschil is tussen de 
Duitse en de Deense teksten, niet alleen in orthografie maar 



46 

ook in woorden en wijze van zich uittedrukken. Elders wordt 
gezegd dat er verschillende „dialekten" in 't negerhollands 
voorkomen, 't Woord „dialekt" is natuurlik hier op te vatten 
in een betekenis die zeer van de gewone afwijkt. Misschien 
hebben de Denen vooral gewerkt onder de negers die in en 
nabij de hoofdplaats woonden, terwijl, gelijk we weten, de 
Duitsers op 't platteland bleven, maar dit zou geen dialek- 
ties verschil van betekenis kunnen verklaren, daar immers 
de negerbevolking aangevuld werd door slaven van zeer ver- 
schillende stammen en naties. De reden van 't verschil tussen 
Denen en Duitsers zal wel aan drieërlei zijn te wijten (be- 
halve aan de belangrijke faktor dat Magens een Kreool was!): 
1°. de Denen brachten wat meer Deense, en de Duitsers wat 
meer Duitse eigenaardigheden in de tekst, en ook wel in de 
spreektaal der negers met wie ze verkeerden; 2°. als norm 
heeft vermoedelik zowel Magens als de schrijver der Duitse 
spraakkunst de spreekwijze van een paar personen of van een 
bepaald gezin genomen, 't geen bij de bontheid der neger- 
bevolking, waarvan de nieuwaangekomenen zich nog in allerlei 
graden van hun Afrikaanse moedertaal bedienden, ook wel de 
enige manier geweest zal zijn om een dergelijk werk te ver- 
richten. De schrijver der Duitse spraakkunst zegt nog dat, ook 
al kan iemand 't Negerhollands goed spreken, hij toch soms 
de negers niet zal kunnen verstaan, daar zij „oft die mit der 
Kehle auszudrückenden Buchstaben auslassen. Manche sprechen 
das Kreolisch nach ihrer guin&ischen Mundart aus, oder mengen 
mehr als gewöhnlich guin&ische Worte mit hinein, oder reden 
so ausserordentlich geschwind dass sie manche Buchstaben gar 
nicht aussprechen." Eindelik (3°.) is de Duitse spraakkunst 
ongeveer 30 jaar later opgesteld dan de Deense, en dit tijds- 
verloop kan bij snelle wijziging der toestanden, vooral door 
aanvoer van nieuwe slaven, verschil opleveren. Groot is dat 
verschil echter niet. Zowel de Deense als de Duitse schrijvers 
staan geheel onder invloed der ook nu nog, bewust of onbewust, 
door talloos velen gedeelde mening dat er eigenlik maar één 
grammatika ter wereld bestaat, die der Latijnse taal, zoals zij die 
op school geleerd hebben. Andere talen, die geen uitdrukkingen 
hebben voor de Latijnse grammatikale begrippen, „vormen die 
door omschrijving." De Duitser gaat in deze latinisering nog 



47 

verder dan zijn Deense kollega en spreekt niet alleen van de 
Kreoolse Ablativus, maar — nog klassieker dan het Latijn 
zelf — van de optativus in 't Kreools ! Als verklarende spraak- 
kunst heeft geen der beide geschriften enige waarde, maar ik 
heb aan beide voor 't vaststellen der feiten veel kunnen ontlenen. 

Al de hier opgenoemde boeken zijn, voor zover ik heb kun* 
nen nagaan, hoogst zeldzaam. In Nederland komt in openbare 
bibliotheken alleen voor: de eerste editie van 't Psalmboek, in 
de Boekerij der „Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde" 
te Leiden, en de tweede druk der Deense vertaling van 't Nieuwe 
Testament in de Bibliotheek van het Nederl. Bijbelgenootschap. 
Een eksemplaar van 't Nieuwe Testament volgens de Herrn- 
hutters en een volgens de Denen (2 de uitgaaf) heb ik anti- 
kwaries kunnen kopen. 

Ook in 't buitenland schijnen deze Kreoolse boeken weinig 
bekend te zijn; de rijke Bibliothèque Nationale te Parijs bezit 
ten minste niets anders dan een eksemplaar der tweede uitgaaf 
van het te Kopenhagen gedrukte Nieuwe Testament. De teksten 
te Kopenhagen gedrukt werden mij welwillend ten gebruike op 
de Bibliotheek te Leiden afgestaan door de Direktie der Koninklike 
Bibliotheek te Kopenhagen, en omtrent de Herrnhutter teksten, 
ontving ik inlichtingen van de reeds genoemde archivaris, de 
heer A. Glitsch, die mij ook vergunde enkele nummers van de 
aan zijn zorgen toevertrouwde bibliotheek te Leiden te raad- 
plegen. 

De zeldzaamheid van deze teksten vereist dat een gedeelte 
er van overgedrukt wordt, ten einde de lezer in de gelegenheid 
te stellen het door mij over de taal meegedeelde te kontro- 
leren en het onderzoek voort te zetten. Daarom heb ik hier- 
achter een bloemlezing uit de bestaande literatuur geplaatst, 
waarbij ik de teksten heb gerangschikt in een volgorde, aan- 
gewezen door het meer of minder zuiver Kreoolse gehalte van 
de verschillende stukken. In de eerste plaats komen dus de 
Taalproeven van Pontoppidan, het laatst de vertalingen der 
liederen gemaakt door de Herrnhutters. Bij de bespreking van 
de spraakkunst zal vooral, doch niet uitsluitend, naar vormen 
verwezen worden die in deze bloemlezing voorkomen; in het 
glossarium zijn woorden uit de gehele mij bekende literatuur 
opgenomen, voor zover die van enig belang schenen. Ik heb 



48 

echter niet alle namen van planten en dieren uit Oldendorp 
vermeld , omdat niet steeds nauwkeurig wordt opgegeven of een 
bepaald woord in zijn Kreoolse vorm voorkomt, en tevens 
omdat het werk van Oldendorp, dat geenszins zeldzaam is, een 
uitmuntende index en afdoende verklaringen in de tekst bevat. 
Wanneer in volgende hoofdstukken en in het glossarium een 
plaats uit het Nieuwe Testament alleen met de letters N. T. 
wordt aangeduid, betekent dit dat het woord aan de vertaling 
der Duitsers (N. T. H.) en der Denen (N. T. D.) gemeen is. 



HL 

Het woord Kreools heeft verschillende betekenissen. De 
afleiding van het woord (Port. creoulo, Sp. crióllö) is onbekend. 
Hoofdzaak in het begrip Kreools is dat de mensen die met 
die benaming worden aangeduid, geboren zijn in het land waar 
zij wonen; hetzelfde geldt in toepassing op de taal, door zulke 
Kreolen gesproken. Men zou dus het woord het best kunnen 
weergeven met ons inheems. De titel van de meeste der in 
Hoofdstuk II genoemde boeken is daarmee in overeenstemming; 
met de Creolse Taél of Creol Taal daarop vermeld, wordt 
bedoeld de taal die op de Deense Antillen inheems is. 

Oorspronkelik werden Kreolen de blanken genoemd die in 
de kolonie geboren waren. Bij uitbreiding is dan ook gesproken 
van Kreoolse negers, ter onderscheiding van de Bussalen, 
de zoutwaternegers, die over zee waren aangevoerd. 

Het 'karakter der inheemse taal die, ook aan de oppervlak- 
kigste waarnemer, zich vertoonde als een idioom waarin woorden 
en zinswendingen van zeer verschillende herkomst voorkwamen , 
zal wel de aanleiding geweest zijn tot de dwaling dat Kreolen 
mensen van gemengd bloed zijn, een dwaling die zó algemeen 
verbreid is, dat men haar wel als een tweede betekenis van 
het woord Kreool mag beschouwen 1 ). 

In dit geschrift zal het woord alleen in de uitgebreidere 
eerste betekenis van inheems (van blanken en negers gezegd) 
worden gebruikt. 

l ) Pfyffer von Neueck, Skissen von der Insel Java, Schaffhausen, 1829, 
geeft zelfs deze betekenis van het woord als de algemene aan (blz. 66). Ik 
ken zyn boek alleen uit een citaat bij Schuchardt, Kreol. Stud. IX, blz. 9. 
In de literatuur is die opvatting echter zeldzaam, niet in 't dageliks leveu. 

4 



50 

Door de vertaling inheems is intussen de term Kreools 
zeer onvoldoende bepaald, vooral wanneer hij van een taal 
gebruikt wordt; slechts ter onderscheiding van de andere 
betekenissen van het woord kan die vertaling enig nut hebben. 
Kreoolse talen zijn dan, naar een minder vage definitie, de 
talen die in overzeese gewesten uit Europese talen in de mond 
van Afrikanen, Aziaten, Australiërs of Amerikanen zijn ont- 
staan, en dan later ook dikwels door Europeanen of hun 
afstammelingen zijn gesproken. Al die talen vertonen zekere 
trekken van gemeenschap, die men ook voor een deel terug- 
vindt in het gebrekkige spreken van kinderen en 't geradbraak 
van iedereen die zich moet bedienen van een hem weinig 
bekende taal *). 

Maar behalve aan de eigenaardigheden van algemener soort 
zijn de Kreoolse talen te herkennen aan onderscheidingstekens 
die een nauwere kring van bepaling vormen. Zo is een alge- 
meen verschijnsel de voorkeur voor niet samengestelde klanken, 
. voor sterksprekende, beeldende uitdrukkingen, voor termen aan 
't zeemansleven ontleend en die in hun betekenis worden uit- 
gebreid; afgetrokken begrippen worden moeilik, of in 't geheel 
niet, uitgedrukt; in de syntaxis vindt men grote strengheid. 



*) Voor die algemene karaktertrekken verwijs ik naar Het Afrikaansch, 
blz. 142 — 145. Niet Kreools, maar geradbraakt, in korre kt Hollands zijn de 
briefjes van negers uit Berbice die in de Inleiding (zie blz. 3 vlg.) vermeld 
zijn. Andere dergelijke briefjes, afkomstig van de Goudkust, vindt men bij 
Gramsberg, Schetsen van Afrika's Westkust, Amsterdam, 1861, blz. 298. 
en Cruickshank, Achttien jaren aan de Goudkust, vertaald door D. P, 
H. J. Weytingh, Amsterdam, 1855, I, blz. 15 en 16. Ik haal de volgende 
volzin, die vrij wel onzin is, er uit aan: „want ieder mensch moet zijn 
verpligt doen om het brood te verdienen, en men moet niet sonder zitten 
eer dat het levensmiddelen te kunnen krijgen, maar men moet werken doen 
voor dat zulks te ontvangen hebben; want met UE. verzoek voor dit 
gezegde, en denkt UE. niets anders in uwe hoofd of dat ik UE. nigotiêren 
willen te doen maken, en zal UE. verzuimd worden voor den voldoener, 
maar ik zal nrijn best doen dat ik UE. te kunnen voldoen worden, en zoo 
maken alle de menschen op hier in de wereld te zijn." Hier is individueel 
geradbraak, waaruit men wel enkele dingen omtrent de taal van de schry ver 
kan opmaken (geen passief, geen vervoeging, geen inversie enz.) maar een 
aparte taal is 't niet: die ontstaat wanneer het individueel geradbraak heeft 
plaats gemaakt voor een komplex van door alle sprekers gevolgde, natuur- 
lik onbewust gevolgde, regels. Deze briefjes vormen in 't geheel geen 
eenheid. 



51 

Bepaalt men zich' tot de beschouwing van de Kreoolse talen 
die in de mond van Afrikanen zijn ontstaan — toch nog een 
gebied van grote omvang en bonte verscheidenheid! — dan 
kan men nog meer preciseren: men neemt waar dat de voor- 
stelling van de aard der handeling bij 't werkwoord hoofdzaak 
is, en dat het aanduiden van de verschillende tijden in de 
tweede plaats komt, dat er voorliefde bestaat voor klinkers als 
eindklanken, dat de r vermeden wordt en labiale klinkers 
(vooral in de nabijheid van overeenkomstige medeklinkers) 
labiodentale vervangen enz. *). 

Men heeft getracht die overeenkomst tussen talen van zo 
verschillende oorsprong, en op zo verschillende delen van de 
aarde gesproken, te verklaren door op faktoren te wijzen die 
zich overal voordoen waar een Kreools idioom ontstaat. 

De vraag wat dan eigenlik het essentiële is waardoor in soort- 
gelijke omstandigheden overeenkomstige gevolgen zich voordoen, 
is door de geleerden op verschillende wijzen beantwoord. Coelho 
heeft de stelling verdedigd dat alle Kreoolse talen de eerste 
graden van kennis vertegenwoordigen waartoe een volk dat 
een andere taal spreekt of sprak, komt bij 't aanleren van een 
nieuwe; al die talen zijn haar oorsprong verschuldigd aan de 
werking van overal identieke psychologiese en fysiologiese 
wetten, en niet aan de vroegere talen der volken bij wie men 
dat Kreools vindt. Deze mening was reeds vroeger in beknopte 
vorm uitgesproken door Tesa en andere geleerden die in 't 
zo straks te noemen werk worden geciteerd. 

Coelho stelt zich de gang van zaken ongeveer aldus voor: 
't Gehoor van 't volk dat de Europese taal door nood gedwongen 
moest leren, werd eerst getroffen door een warreling van geluids- 
golven, waarin 't langzamerhand rythme bespeurde; daarna 



>) Zie o. a. Schuchardt Kreol. Stud. III, blz. 17; IV, blz. 19, 35, 37; 
Literaturbl f. germ. u. rom. Fhil 1887, kol. 137 ; Das Ausland 1882, 
blz. 867. Voorbeelden in het Negerhollands van deze grammatikale eigen- 
aardigheden van 't Kreools vindt men in de volgende hoofdstukken; hier 
wil ik enige uitdrukkingen citeren die de voorliefde voor nadruk en schelle 
kleuren doen uitkomen: mi hab goe honger vor kik joe, vor kom na 
kerk; mi hab joe jaag na mi hert; mi raas goe vor em, alles om ver- 
langen naar iets uittedrukken. Mi hert lo bron betekent ik ben boos. Deze 
voorbeelden zyn ontleend aan de G. H., blz. 100. 



52 

ontdekte het in die oceaan van klanken enkele vaste punten; 
't waren de algemeenste en meest voorkomende vormen van de 
taal. Zij waren voorlopig voldoende; tijd en omstandigheden 
bepaalden in hoever de waarneming zich zó kon verscherpen 
dat getrouwe nabootsing mogelik werd. De Romaanse talen 
zijn langzamerhand uit het Latijn gekomen, waarbij fonetiese 
verandering, een verschijnsel van fysiologiese aard, ten grond- 
slag lag; de formatie der Kreoolse dialekten is daarentegen in 
hoofdzaak een psychologies verschijnsel. De Kreolen hebben 
geen enkele klank van hun eigen taal overgebracht in de 
Europese klanken die zij gingen spreken ; wel hebben zij Europese 
klanken die hun moeilik vielen gewijzigd. Er is dan ook geen 
andere invloed van de oorspronkelike talen te konstateren dan 
in 't vokabularium l ). 

Bijna het tegenovergestelde is de mening van Lu ei en Adam. 
Volgens hem hebben de negers die naar Amerika gebracht 
werden de woorden overgenomen van de Romaanse [en Ger- 
maanse] talen, maar hun eigen klankleer en spraakkunst 
behouden, zo dat hun Kreools te rangschikken is onder de 
Afrikaanse talen; op 't eiland Mauritius daarentegen is een 
idioom ontstaan met Maleise (Malgassiese) klankleer en spraak- 
kunst. Voor Adam is dus 't ethnologies substraat alles , en even- 
tuele gelijksoortigheid berust op ethnologiese overeenkomst, 
verwantschap of gelijkenis. Hij verklaart zonder aarzelen alle 
eigenaardigheden van de door hem behandelde talen uit de 
oorspronkelike talen der negers en der inboorlingen van 
Mauritius 2 ). Ter bestrijding van de theorie van Coelho vraagt 
hij deze o. a. hoe hij bij zijn zienswijze kan verklaren: meer- 



1 ) F. A. Coelho, Os dialectos romanicos o neolatinos na Africa, Asia 
e America Lissabon, 1878 (in Boletim da Sociedade de Geografia de 
Lisboa, blz. 129—196; de „algemene beschouwingen" die ik resumeerde, 
vullen de laatste tien bladzijden. 

2 ) L. Adam, Les Idiomes Négro-Aryen et Maléo-Aryen, Parijs, 1883. 
In zijn Inleiding wijst de schrijver op de gevolgtrekkingen waartoe zijn 
beschouwing van taaivorming ten aanzien van de Indo-Europese talen het 
recht geven. Jules Vinson, door hem geciteerd (blz. 13), drukt zich gematigder 
en juister uit wanneer hij zegt: „Ie créole est 1' adaptation du francais, 
de 1'anglais, de 1'espagnol an génie pour ainsi dire phonétique et gramma- 
tical d'une race linguistiquement inférieure". De laatste woorden zijn echter 
maar half te begrijpen. 



53 

voudsvorming door middel van 't voor- of achtervoegen van 
't pers. voornw. van de 3 de pers. meerv. en 't weergeven van 
de datief door middel van een tot participium ingekrompen 
werkwoord „geven". l ) Ik citeer hier de beide vragen die ook 
naar mijn mening ernstige bezwaren vormen tegen de ver- 
klaring van Coelho. 

René de Poyen-Bellisle 2 ) geeft de volgende omschrijving 
van het Kreools. „Le Créole est pour moi, getuigt hij, une 
langue produite par la nécessité de communication entre des 
hommes dans un état plus primitif, mis en contact aves (une) 
civilisation avancée." Hij legt dus 't gewicht op één bepaalde 
psychologiese faktor. Daarbij onderscheidt hij scherp tussen „le 
Créole pur" en „les langues mélangées", die er wel gewoonlik 
toegerekend worden, maar z. i. ten onrechte. Van 't Franse 
Kreools komt, naar zijn overtuiging, alleen aan de taal die op 
de Franse Antillen gesproken wordt de naam Kreools toe. In 
Guyana, Louisiana en op de eilanden ten Oosten van Afrika 
kwam het Frans in aanraking met talen van volken die een 
eigen beschaving hadden, met Engels, Spaans en Malgassies; 
die talen, hoewel soms door 't Frans verdrongen, bleven hun 
invloed oefenen, er mengde zich dus een derde element in 
't assimilatieproces van 't idioom der beschaafde Fransen met 
dat van hnn onbeschaafde negerslaven. Op de Antillen was de 
toestand verschillend. De oorspronkelike Caraïbiese bevolking 
verhuisde grotendeels naar het vasteland, zonder invloed van 
enige betekenis op de nieuwe taal te hebben; hier bevonden de 
Fransen zich in een ongestoord linguisties tête a tête met de 
slavenbevolking, hier kon ontstaan 't geen het dichtst nadert tot 
wat Poyen-Bellisle „un pur dialecte Créole" noemt, een idioom 
dus waarin, volgens hem, „on ne saurait trouver que ce qui 
provient de la Langue d'oü le Dialecte est sorti." Wat 't verschil 
in klanken tussen 't Frans en zulk zuiver Kreools betreft, „il 
est inutile de chercher a les expliquer par d'autres raisons que les 
causes physiologiques" (afwijkende vorm der spraakwerktuigen). 



') 't Eerste komt o. a. in 't Papiements, 't tweede in 't Negerengels voor; 
heide formaties vindt men terug in verschillende Afrikaanse negertalen. 

: ) R. de Poyen-Bellisle, Les sons et les formes du Créole dans les 
Antilies (Diss. der Universiteit van Chicago), Baltimore 1894, blz. 13, 15. 



54 

In zijn besprekingen der boeken van Coelho en Adam heeft 
Schuchardt, zonder twijfel de beste kenner van het Kreools, 
op de eenzijdigheid van zulke uitspraken gewezen. Hij, die de 
mengeltalen van 't verre Oosten zogoed als die van Amerika 
bestudeerd heeft, komt er tegen op dat de oorspronkelike taal 
der gekleurde bevolking geen invloed zou gehad hebben: het 
Pidginengels, zegt hij, is geheel van de Chinese „Sprachgeist" 
doortrokken, en op de Antillen tonen de verschillende soorten 
Kreools zeer duidelik speciaal Afrikaanse eigenaardigheden *). 
Naast een dergelijke ethnologiese invloed moet men echter 
ook de algemene oorzaken in 't oog houden die volgens Coelho 
de enige zijn. 't Werk van de linguist moet juist wezen de 
waarde der verschillende faktoren te bepalen en hun werking 
aan te wijzen in elk biezonder geval 2 ). 

Ook de definitie van Poyen-Bellisle zal Schuchardt stellig niet 
bevallen. Reeds in 1883 uitte deze de mening „dass der cultu- 
relle Unterschied zwischen dem niedriger und dem höher 
stehenden Volke, dessen Sprache jenes erlernt, bei derEntwick- 
lung der kreolischen Idiome überhaupt keine so wichtige Rolle 
spielt, wie man gemeint hat." 3 ) En inderdaad, wanneer men in 
't oog houdt dat juist zeer weinig ontwikkelde volken dikwels 
een zeer ingewikkelde spraakkunst bezitten, kan men de lage 
trap van beschaving van een der beide volken niet als oorzaak 
opgeven van 't simpele karakter der Kreoolse talen ; alleen de 
armoede aan woorden voor abstrakte begrippen kan op die 
wijze verklaard worden. Poyen-Bellisle heeft zijn definitie nog 
toegelicht door een voorstelling van de wijze waarop de twee 
talen met elkaar in aanraking komen. Hij neemt daarbij 
twee omstandigheden aan die z. i. tot vereenvoudiging leiden, 
n.1. „Ie maitre (de vertegenwoordiger van de hogere beschaving) 
simplifiant autant qu'il Ie peut" en „1'esclave imitant avec 
tout Ie soin dont il est capable." Ik voor mij zou weinig 
rekening houden met die hun taal vereenvoudigende blanken. 
Ieder die niet aan taaistudie doet, vindt zijn eigen taal een- 
voudig en duidelik; en mocht hij door een ander niet begrepen 



») Zeitschr. f. rom. Philologie 1831 (V), blz. 581 vlg. 

') Literaturblatt ƒ. germ. u. rom. Philologie 1883, kol. 236 vlg. 

3 ) Kreol. Studiën IV, blz. 16. 



55 

worden, dan zal hij zijn woorden met luider stem herhalen, 
gebaren en — als hij slaven heeft — desnoods de zweep te 
baat nemen, maar nooit op 't idee komen dat b.v. een genor- 
maliseerd verbum substantivum of 't gelijkvloeiend maken van 
alle werkwoorden zijn taal voor vreemdelingen gemakkeliker 
kan maken. 

De onderscheiding die Poyen-Bellisle maakt tussen hetgeen 
hij „langues mélangées" en „pur Créole" noemt, laat zich niet 
verdedigen. Hij behandelt de slavetaal als een eenheid, terwijl ze 
toch een mengelmoes was van velerlei Afrikaanse talen en bij 't 
bezinken tot een koivï\, een gemeenschappelike taal, veel heeft 
opgenomen van de Europese taal waarmee de slaven in Afrika 
't eerst en 't meest in aanraking kwamen, dus in de regel van 
het Portugees. Ook de blanken spraken niet allen dezelfde taal; 
in alle kolonies, en vooral in de Amerikaanse volkplantingen der 
17 de eeuw, vond men Europeanen van verschillende landaard. 
De voorstelling van de taaivorming op de Franse Antillen die 
Poyen-Bellisle geeft, is dus m. i. geheel verkeerd. 

Meer aandacht verdient zijn, ter loops gemaakte, opmerking 
dat rekening moet worden gehouden met de verschillende 
lichamelike eigenaardigheden van blanken en slaven. Schuchardt 
was hem ook hierin reeds voorgegaan; hij verklaarde het ver- 
mijden van de r in 't Negerkreools uit het prognathisme, en 
de voorliefde voor labialen uit de dikke lippen der negers *). 
Allerlei eigenaardigheden van taaivorming en taaldifferentiëring 
kunnen in dergelijke, stoffelike oorzaken hun grond hebben, 
en dat niet alleen in de natuurlike, voor zover de geschiedenis 
van 't mensdom reikt steeds bestaan hebbende, verscheidenheid 
der rassen, maar ook in willekeurige, naar tijd en plaats wis- 
selende, vervormingen die bijgeloof of mode voorschrijven. In 
de Bantu-talen, die over een taalgebied dat groter is dan 
Europa een inderdaad verbazingwekkende gelijkvormigheid ver- 
tonen, zijn de fonetiese verschillen tussen de klinkers der 
onderscheiden talen kleiner dan tussen de medeklinkers; deze, 
ons zonderling klinkende eigenaardigheid, verklaart Torrend door 
te herinneren aan de van stam tot stam wisselende gewoonten 
om neus of lippen met ringen te versieren, de snijtanden van 



*) Literaturblatt f. germ. u. rom. Phil. 1887, kol. 137. 



56 

bovenkaak of onderkaak uittebreken of tot wiggen te slijpen, 
enz., enz. l ) Wanneer de proefondervindelike klankleer op de 
ethnografie zal zijn toegepast, kan men wellicht meer pogingen 
tot verklaring in die richting beproeven. Vóór men zich waagt 
aan gevolgtrekkingen omtrent talen die ontstaan zijn in voor- 
historiese of te minste pro-ethniese tijden, zal men goed doen 
deze methode toe te passen op verschijnselen die binnen de kring 
van ons geschiedkundig onderzoek vallen. De Kreoolse talen 
zullen dan stellig het eerst in aanmerking komen, en wellicht 
zal dan nog menig punt opgehelderd kunnen worden door waar- 
neming van de lichamelike en geestelike eigenschappen der 
gekleurde volken. 

Ik kan mij echter niet denken dat ooit de eenzijdige theorie 
van Adam door zulk een onderzoek bevestigd zal worden. 
Indien men niet de waarheid op een punt tussen de beide 
uitersten mocht zoeken, indien men niet aan samenwerking van 
verschillende oorzaken mocht geloven, zou ik nog eerder de ziens- 
wijze van Coelho dan die van zijn Franse kollega willen delen. 
Hoe Adam overdreven heeft, blijkt het best indien men let op 
de syntaxis der Kreoolse talen, waarin dan toch het zuiverst 
het niet Europese karakter van die talen moest uitkomen. Bij 
alle strengheid in de plaatsing der woorden — een gevolg van 
't gemis aan buigings- en vervoegingsvormen — bij alle ver- 
wantschap met sommige eigenaardigheden van negertalen, wijkt 
die toch in hoofdtrekken af van het zinverband in de talen der 
Afrikaanse of Aziatiese inboorlingen. Reeds een blik op de 
interlineaire woordelike vertalingen in werken als Fr. Müller's 
Grundriss der Sprachwissenschaft is voldoende om dat te 
bewijzen. Beschouwt men enkele dezer talen wat nauwkeuriger, 
dan wordt het verschil nog groter: in welke taal die in aan- 
raking is geweest met Bantu-talen heeft men sporen ontdekt 
van de z. g. „classifiers", prefixen die 't verband der woorden 
aangeven door dat het woordje dat het substantief karakteri- 
seert herhaald wordt vóór elke uitdrukking die geacht wordt 
met dat substantief samen te gaan? 2 ) Vindt men in het Neger- 

1 ) J. Torrend, S. J., A Comparative Grammar of the South- Af rican 
Bantu Languages, London, 1891, blz. 9. 

2 ) Torrend (blz. 217) noemt ze de „basis of the whole mechanism of 
Bantu with respect to nouns and pronouns". 



57 

kreools de eigenaardigheid der talen van de Slavekust terug 
om de verhoudingen die wij weergeven door voorzetsels, uitte- 
drukken door werkwoorden en zelfstandige naamwoorden, waar- 
door b. v. een zin van de Ephetaal op ons de indruk maakt 
van een kwalik te begrijpen aaneenschakeling van werk- 
woorden ? l ) Voor men een taal in zijn wezen Afrikaans mag 
noemen, behoort men dergelijke, essentiële punten van overeen- 
komst als zulke „classifiers" of zulke opeenhopingen van werk- 
woorden 2 ) aan te tonen; enkele trekken van verwantschap, die 
inderdaad op Afrikaanse invloed kunnen wijzen, zijn daartoe 
niet voldoende. 

Ook moet men niet te spoedig invloed van de oorspronkelike 
taal der slaven aannemen, wanneer men slechts de beschaafde 
spreektaal, dikwels slechts de geschreven taal, der blanken 
bestudeerd heeft. Men behoort met tweeërlei rekening te houden : 
met de dialektiese eigenaardigheden der eerste kolonisten — 
voor zover men die te weten kan komen — en met de zeer 
gemeenzame of zelfs platte spreektaal der Europeanen, die als 
zodanig internationale karaktertrekken vertoont. De eerste op- 
merking spreekt bijna van zelf; ter toelichting van de tweede 
acht ik een voorbeeld niet overbodig. 

In velerlei Kreools komt herhaling van het onderwerp door 
een voornaamwoord geregeld voor. Die woordvoeging is in een 
menigte Afrikaanse talen zeer gebruikelik, in vele (in de Bantu- 
talen 3 )) de enig mogelike. Mag men hier nu aan invloed van die 
Afrikaanse talen denken? Voor men daartoe besluit leze men de 
voorbeelden door dr. J. J. Salverda de Grave bijeengebracht 
van hetzelfde verschijnsel in 't Frans, 't Afrikaans, 't Neder- 
lands en 't Duits 4 ). Men zal er uit zien dat hier een bijna 



1 ) Henrici, blz. 38; voorbeelden geven blz. 43-61. 

2 ) Iets dat er aan doel denken vindt men in 't gebroken Hollands dat 
hierboven, blz., 50, is aangehaald. Deze zin kan men „Afrikaans" noemen; 
doch hier heeft geen vermenging van de twee talen plaats gehad, maar 
ziet men alleen toepassing van de uiterlike vormen der Europese taal door 
een inboorling. Dit is evenmin Kreools als de Griekse thema van een zeer 
onwetende gymnasiast zo genoemd kan worden. 

3 ) Torrend, § 637. 

4 ) Taal en Letteren XIV (1904), blz. 8. Een type van deze konstruktie 
is: pater tuus is erat frater patruelis meus. Voor 't Engels zyn in dezelfde 
jaargang van Taal en Letteren (blz. 370) de voorbeelden aangevuld door 



58 

internationaal gebruik bestaat, in de spraakkunst der „beschaafde" 
talen niet vermeld, maar niettemin bestaand. De negertalen 
hebben geen literatuur; daardoor zijn de mensen die zulke 
talen uit de bronnen bestuderen, dat is ze van de negers zelf 
horen, gedwongen in de eerste plaats goed te luisteren, waar- 
door hun werk alle kans krijgt om in één opzicht boven het 
werk van vele, misschien geleerder, mannen uittemunten. 

Op één zeer essentiële faktor bij het tot stand komen van 
een Kreoolse taal dient nog gewezen, ik bedoel op 't plotselinge 
van de aanraking der talen die aanleiding zijn tot 't nieuwe 
idioom. Bij andere mengeltalen, ontstaan op de grenzen van 
tweeërlei taalgebied, is geleidelike aansluiting mogelik; ook 
waar veroveraars een land binnendringen en er zich vestigen, 
pleegt de onderworpen bevolking zich nog lang van de indringers 
afgezonderd te houden en de invloed van hun taal doet zich 
dikwels eerst geruime tijd na de verovering gevoelen. Slaviese, 
Romaanse en Turkse woorden vindt men in het Grieks eerst 
lang na de invallen der vreemdelingen *); in Engeland bleven 
na de komst der Normandiërs Frans en Engels nog langer dan 
een eeuw zogoedals gescheiden 2 j. Geheel anders is 't wanneer 
een scheepslading slaven naar andere streken wordt overgebracht. 
Reeds op 't schip vangt het proces der vereenvoudiging aan. 
De veelheid der talen die vertegenwoordigd zijn 8 ), doet afbreuk 



de heer F. P. H. Prick. Ook in andere talen zou men niet te vergeefs naar 
dergelijke wendingen zoeken; nauwkeurige waarneming van eigen spraak- 
gebruik kan voor 't Nederlands de hjst tot in 't oneindige vergroten. 

1 ) Men behoeft zich hierbij niet te verlaten op geschreven dokumenten 
waarin 't niet voorkomen van vreemde woorden geen afdoend bewijs is voor 
't ongebruikelik zijn in de gesproken taal. Op de Griekse dialekten van 
Zuid-ltalië kan men zich beroepen, die in de 9*« en W* eeuw ontstonden; 
we weten dat onder Leo VI 3000 kolonisten uit de omstreken van Patras 
naar Zuid-ltalië togen, en toch komt in die dialekten geen enkel Sla vies woord 
voor. De invallen der Slaven in de Peloponnesus begonnen reeds in de 
zesde eeuw; al bleven de steden steeds Grieks, op 't platteland vestigden 
zich overal Slaven. In 807 werd Patras met moeite tegen hen verdedigd. 

2 ) For a long time the two languages, French and English, kept almost 
entirely apart. The English of 1200 is almost as free from French words as 
the English of 1050; and it was not till after 1300 that French words began 
to be adopted wholesale into English (Sweet, A Primer of Historical 
English Grammar, 1902, § 21). 

3 ) Oldendorp (blz. 346) deelt woorden mee uit 26 verschillende negertalen» 
waarvan hij vertegenwoordigers vond onder de slavenbevolking van 



59 

aan de macht van het Afrikaanse element ; voor een deel heffen 
de verschillende eigenaardigheden elkander op in de gemeen- 
landse negertaai die zich vormt *), 't krachtigst blijft wat de 
grootste gemene deler van de talen der inboorlingen vormt. Na 
de reis komen de negers in onmiddellike aanraking, dikwels 
in huiselik verkeer, met hun meesters; van de eerste dag af 
moeten ze dezen begrijpen en zo goed mogelik zich verstaanbaar 
maken. De direkte methode wordt er in letterlike zin inge- 
ranseld; maar de leerlingen zijn meestal de leeftijd te boven 
waarop de spraakorganen nog gemakkelik de „Articulationsbasis" 
kunnen verschuiven; woorden leren ze snel en in overvloed, 
maar in hun klanken blijft de oude taal haar rechten voor een 
groot deel handhaven, en daar de denkwijs der negers zich 
weinig wijzigt, nemen zij maar weinig over van de grammatikale 
kategorieën der blanken. Groot is dus 't verschil met de wijze 
waarop in andere omstandigheden een gemeenlandse taal tot 
stand komt; van langzame overheersing van een dialekt kan 
geen sprake zijn, en de wisselwerking die plaats heeft bij 't 
samenwonen aan de grenzen moet hier voltooid zijn in één 
menseleeftijd. 

Het proces zal 't snelst en geweldadigst verlopen waar de 
omstandigheden zich voordoen die ik hier schetste; in 't alge- 
meen kan men het meest typiese Kreools verwachten waar 
slaven of bedienden tot de taal vermenging aanleiding gaven. 
Hieruit volgt reeds dat er onderscheiden soorten Kreools, of 
liever Kreools in allerlei graden, bestaan. Behalve de onmid- 
dellikheid van de aanraking beslist het relatieve aantal van 
kleurlingen en blanken, en de aard van de Europese taal. 
„There seems to have been a difference, zegt Van Name, in 
the readiness with which the several languages have taken on 



St. Thomas. De slaven werden dikwels diep uit het binnenland aangevoerd. 
De uitvoerhaven was in later tijd voornamelik Loanda. Bij 't raadplegen 
van Afrikaanse talen heb ik de meeste punten van overeenkomst gevonden 
in de talen der Slavekust; bij een d erge] ik onderzoek is men echter zeer 
beperkt door de spraakkunsten waarover men kan beschikken. Zeer veel 
nut heb ik gehad van het duidelike werk van Dr. Henrici; met de door 
hem behandelde Ephetaal trachtte ik iets meer dan zeer oppervlakkig 
bekend te geraken. 

*) Vgl. Schuchardt, Liter aturblatt. ƒ. gertn. u. rom. Philol. 1887, kol. 139. 
Ook hierin ligt een argument tegen Adam's theorie. 



60 

the Creole character . . . The greater number and fullness of 
the vowels in Spanish, as compared with the French, which 
give the syllables a structure more nearly resembling that of 
the African languages, by making the Spanish easierto acquire, 
may have been less favorable to the Creole tendency, just as 
the fact that the English is already so thoroughly creolized in 
its grammar has undoubtedly been an obstacle to further pro- 
gress in that direction 1 )". Of deze verklaring van Van Name 
juist is, betwijfel ik; zijn opmerking omtrent de meerdere of 
mindere vatbaarheid der talen om Kreools te worden, is dat 
echter wel. 't Negerhollands — ook dat der spreekwoorden en 
zegswijzen — heeft veel minder niet-Europese eigenaardigheden 
dan b. v. 't Frans van Mauritius, dat op zijn beurt weer 
minder Kreools is dan 't Frans der Antillen. Daarentegen zie 
ik niet in dat het Spaans zo veel minder gunstig is voor „the 
Creole tendency", getuige het Papiements. De betrekkelike 
weerbarstigheid van onze taal kan niet, gelijk met het Engels 
het geval is, door een reeds zeer vereenvoudigde vormleer ver- 
klaard worden. 

De verschillende graden van „kreolisering" kan men dikwels 
in hetzelfde land waarnemen, al naar de slaven — en de 
slavinnen! — in verschillende graad van intimiteit met de 
blanke bevolking verkeren , en deze meer of minder in schriftelik 
en kerkelik gebruik der Europese taal een korrektief heeft voor 
kreolisering; want de blanken nemen al heel spoedig de 
Kreoolse eigenaardigheden der kleurlingen over. Oldendorps 
onderscheiding van het Kreools der negers en het „feiner M 
gesproken Kreools der blanke bewoners heeft dus niets verras- 



*) Van Name, blz. 125. Het Negerengels van Suriname schijnt hem tegen 
te spreken, doch hier heeft men blijkbaar met een biezonder, nog niet 
opgehelderd geval te doen. Schuchardt (Kreol. Stud. I, blz. 15) neemt aan 
dat het Negerengels op een voorafgaand Negerportugees „gepropft ist, so 
das zun&chts ein anbequemen an portugiesische Lautsitte stattfand". 
Henrici (blz. VIII) geeft een paar proefjes van 't Negerengels der Slaven- 
kust die beter in overeenstemming zyn met de opvatting van Van Name: 
Them massa no be fit for go bush (deze heer is niet geschikt om in 't 
binnenland te reizen) en He live for find Mm, but no look Mm (hij is 
bezig het te zoeken, maar kan het niet vinden). Een geheel verhaal ineen 
dergelijk Engels, gesproken op St. Kitts, vindt men bg W. A. Paton, 
Down the islands, a voyage to the Caribbees, London, 1888, blz. 296. 



61 

sends *). Men zou dan ook zeer verkeerd handelen met alles 
wat de bijbelvertalers hebben laten drukken voor „kunsttaal" 
of „eigen maaksel" te houden. Over de vraag of die taal wel 
de naam Kreools verdient, kan men twisten, maar dat ze voor 
een groot deel even goed als de taalproeven van Pontoppidan 
„afgeluisterd" was, dat ze gesproken werd, daaraan valt niet 
te twijfelen. We hebben hier de direkte getuigenis van Magens 
in zijn gesprekken en we kunnen verwijzen naar de overeen- 
komst tussen de Deense en Duitse vertalers, die geheel onaf- 
hankelik van elkander gewerkt hebben. Wat deze drie autori- 
teiten gemeen hebben, mag men als Kreools, zij 't ook als 
Hoogkreools, beschouwen; bij de Herrnhutters blijft dan nog 
heel wat over dat waarschijnlik alleen op 't papier heeft 
bestaan. Het is stellig een groot geluk voor de studie van het 
zo goed als onbekende en bijna uitgestorven Negerhollands dat 
we teksten hebben van zo verschillende herkomst! 

Na deze algemene beschouwingen over het Kreools zullen 
wij trachten de talen op te sporen die in het Kreools der Deense 
Antillen zijn vertegenwoordigd. 

Het is bij de eerste blik in een der hierachter gedrukte 
teksten duidelik dat het Kreools der Deense Antillen het Neder- 
lands tot basis heeft. Maar wij kunnen bij nader onderzoek 
nauwkeuriger die grondslag omschrijven, en aanwijzen uit welke 
streek van ons vaderland de mannen afkomstig waren van 
wie de negers onze moedertaal leerden. Die mannen moeten 
Zeeuwen geweest zijn. De term Neger h o Hands zou dan 
ook misleidend genoemd kunnen worden, indien hij niet door 
vele analoga gerechtvaardigd werd, en het woord Neger- 
nederlands of Negerzeeuws niet al te gezocht was, en niet 
al te absoluut (want er is ook zeer veel niet-Zeeuws in onze 
teksten) zou klinken. Uit woorden en vormen blijkt de over- 
heersing van het Zeeuwse element in het Kreools van St. Thomas. 
De geschiedenis van onze kolonisatie verklaart die overheersing 
en maakt tevens duidelik waarom ook in onze West het 
Zeeuws zijn aanwezigheid in het aldaar gesproken Kreools 
verraadt. 



*) Oldendorp, blz. 263. Ook Pontoppidan en de schrijver van de Deense 
spraakkunst wijzen uitdrukkelik op dit verschil. 



62 

Wij hebben gezien dat we van de eerste kolonisten op 
St. Thomas te weinig weten om hun herkomst nader te bepalen, 
maar ten opzichte van het Vaste Land (de z. g. Wilde Kust) 
en de Nederlandse Eilanden van West-Indië zijn wij beter 
ingelicht; daarom zal ik daarover het een en ander in herinne- 
ring brengen waaruit men kan nagaan uit welk gewest de 
eerste Nederlandse zeevaarders en volkplanters in de West- 
Indiese Archipel afkomstig waren. 

Reeds in 't laatst der 16 de eeuw werd door Hollandse en 
Zeeuwse schippers druk handel gedreven op de Wilde Kust, 
maar van de Zeeuwen weten wij dat zij er 't eerst vaste voet 
kregen *). De Middelburgse en Vlissingse kooplieden Jan van Pere, 
van Rhee, de Moor, Lampsins, de Vries en van Hoorn lieten 
deze streken bevaren en beproefden met afwisselende uitslag 
er volkplantingen te stichten. De naam Nova Zelandia komt 
telkens voor, en van de eerste vestiging aan de Pomeroon is 
bekend dat zij uitgezonden was door Veere, Vlissingen en 
Middelburg. Abraham van Pere uit Vlissingen vroeg en ver- 
kreeg in 1627 vergunning om een 60-tal kolonisten naar Ber- 
bice over te voeren. Essequebo en Demerary waren insgelijks 
door 't initiatief der Zeeuwen gegrondvest, en de Kamer van 
Zeeland meende zelfs het recht te hebben tot de vaart op de 
Wilde Kust met uitsluiting van alle anderen. Dit vermeende 
recht, 't eerst in 1634 verdedigd, heeft in 1750 aanleiding 
gegeven tot hevige en langdurige geschillen tussen de Kamer 
van Zeeland en de Vergadering der Tienen; in 1772 zijn de 
onenigheden herhaald, en al was ook noch het wettelike noch 
het morele recht aan Zeeuwse zijde, de aanspraken konden 
aannemelik klinken op grond van de feiten 2 ). Immers de 
steden Middelburg, Vlissingen en Veere hadden, onder patronaat 
der staten van Zeeland, een tijd lang de kolonie Essequebo 
van de Westindiese Compagnie in bestuur overgenomen; de 



*) Het volgende is, waar geen andere bronnen zijn genoemd, ontleend 
aan Netscher, blz. 32, 38, 40, 41, 53, 78, 120 vlg., 139 vlg. 

2 ) Hartsinck, Beschrijving van Gtuiana of de Wilde Kust in Zuid- 
Amerika, Amsterdam, 1770, 1, blz. 212—256, spreekt uitvoerig van 
het gehaspel tussen de Kamer van Zeeland en de West-Indiese Com. 
pagnie en gaat na welk aandeel Zeeland in de plantages en andere 
bezittingen had. 



63 

expeditie die in 1667 Suriname veroverde werd door de 
Zeeuwse admiraal Crijnssen geleid en had haar ontstaan 
geheel te danken aan de ijver waarmee men in Zeeland, na 
de verliezen die wij in 1665 in de West door de Engelsen 
geleden hadden, voor de belangen van Essequebo en aangren- 
zende landen opkwam. 

Van Curagao en bijbehorende eilanden weten wij dat zij in 
1623 en volgende jaren herhaaldelik door Zeeuwse schepen 
werden bezocht 1 ), doch na de verovering van 't voornaamste 
eiland, in 1634, schijnt hier de kolonisatie voornamelik van de 
Kamer van Amsterdam te zijn uitgegaan. De provincie Holland 
trok zich vooral Nieuw-Nederland en het eiland Curagao aan, 
die onder één hoofd gerekend werden 2 ) ; daarentegen weten we 
dat de Bovenwindse Eilanden door Zeeuwen zijn gekoloniseerd 3 ) ; 
het waren volkplantingen door partikulieren met machtiging 
der Westindiese Compagnie gesticht, terwijl de eilanden Beneden 
de Wind bezittingen waren der Compagnie. St. Eustatius kreeg 
in 1636 de naam Nieuw-Zeeland, de kolonisten brachten hun 
tabak in Zeeland aan de markt en het eiland werd reeds vóór 
1639 „gepopuleerd" door de Vlissingse koopman Pieter van 
Rhee, die met zijn kompagnon Abraham van Pere, lange jaren 
„patroon" van het eiland is geweest 4 ). Van St. Eustatius uit 
werd het eiland Saba bevolkt, dat onder dezelfde patroons stond. 
Op St. Martin werd het ons toebehorend Zuidelik gedeelte het 
eerst blijvend bevolkt door een kleine kolonie Zeeuwen onder 
Adriaensen; hun aantal werd het eerst vermeerderd in 1649 
door kolonisten die uitgezonden waren door de Vlissingers 
Adriaan en Cornelis Lampsins 5 ). Deze gebroeders, als reders 
van de Ruyter gedurende de tijd dat hij ter koopvaardij voer 
welbekend, behielden lang hun oktrooi en bezaten een dergelijke 



l ) Hamelberg, De Nederl op de West-Ind. EU. I, blz. 19. 

*) Hamelberg, De Nederl op de West-Ind. EU. I, blz. 21 vlg., 36, 37. 
Dokumenten I, blz. 58, 67. Zie ook Swalue, De daden der Zeeuwen 
gedurende den opstand tegen Spanje, Amsterdam, 1846, blz. 331 vlg. 

8 ) Hamelberg, Verslag Gesch. Gen. 11, blz. 109. 

4 ) Hamelberg, De Nederl. op de West-Ind. EU. II, blz. 10 vlg. Dokumenten 
II, blz. 13, 17—19. In de Histoire naturelle et morale f blz. 41, leest men 
dat van Ree en van Pere „y ont établi une colonie, composée d'environ 
seize eens hommes." 

*) Hamelberg, De Nederl op de West-Ind. Eil II, blz. 17 en 18. 



64 

vergunning voor het eiland Tobago of Nieuw- Walcheren 1 ). Ook 
op St. Christoffel en Barbados waren, volgens Swalue , Zeeuwen 
gevestigd 2 ). 

Al deze geschiedkundige berichten, hoewel door officiële 
bescheiden gestaafd, zijn minder betrouwbare bewijzen voor 
't aandeel der Zeeuwen in de kolonisatie dan de getuigenis 
der taal. Men zou immers kunnen zeggen dat die verschillende 
volkplantingen wel op Zeeuwse schepen, voor Zeeuwse 
rekening en onder leiding van Zeeuwen werden aangelegd, 
maar dat de meerderheid der kolonisten wel kan bestaan hebben 
uit mensen van andere landaard. Op Tobago waren een 
menigte Fransen 3 ) ; ook van Saba leest men dat de Fransen 
er met de Nederlanders vereenigd waren 4 ), en iedereen weet 
dat onder de bemanning van onze schepen alle gewesten van 
ons land en tal van vreemde nationaliteiten vertegenwoor- 
digd waren. 

Maar de twijfel door deze overwegingen gewekt, moet ver- 
dwijnen wanneer men in 't Negerhollands woorden aantreft als 
kachel voor veulen, kot (hoenderhok enz.) voor hok, hoffie 
voor tuintje, schuif voor lade, Dissendag voor Dinsdag, 
wachten voor hoeden (van vee) enz., en vooral wanneer men 
ziet dat klank en vormleer overeenkomstige bewijzen geven 
van 't Zeeuwse karakter der eerste kolonisten. Ondanks alle 
schakeringen, door vermenging met andere talen en dialekten 
ontstaan, heeft de taal een beslist Zeeuwse tint behouden 5 ). 

'-) Deze vergunning vindt men afgedrukt bij Hamelberg, Dokumenten 
II, blz. 14 vlg. Voor St. Martin schijnt het oktrooi gelijkluidend te zijn 
geweest, volgens een opmerking van de heer Hamelberg in fine. Een uit- 
voerige, en voor de patroons zeer vleiende, beschrijving van 't eiland is 
Rocbefort's Le Tableau de Visie de Tobago ou de la Nouvelle Oualchre , 
Leyde, 1665. 

") Swalue, De daden der Zeeuwen enz., Amsterdam, 1846, blz. 332. 

3 ) Rochefort, Le Tableau de V isle de Tabago, blz. 80. 

4 ) Hamelberg, Be Nederl. op de West. Ind. EU. II, blz. 18. 

6 ) Men kan terecht opmerken dat „Zeeuws" een vage term is; dat het 
Zeeuws van eiland tot eiland verschilt, en dat verschillende eigenaardig* 
heden die 't Zeeuws van 't algemeen Nederlands onderscheidt ook in 
Vlaanderen worden gevonden. Toch heb ik gemeend mij van die vage term 
te mogen bedienen bij de behandeling van taalvormen die, reeds door de 
omstandigheid dat zij alleen door schriftelike overlevering mij bekend zijn, 
geen in de kleinste biczonderheden afdalende bestudering mogelik maken. 
Van slechts één Zeeuws dialekt, dat van Noord-Beveland, is een onderdeel, 



65 

Niet zo duidelik is 't kontingent dat de Duitse taal aan de 
woordenschat van het Negerhollands heeft geleverd. De spraak- 
kunst der Herrnhutters (G. H.), niet die der Denen (G. D.), 
spreekt wel van 't aandeel dat het „nieders&chsisch" of „platt- 
deutsch" bij het tot stand komen der taal heeft gehad, maar 
voorbeelden of bewijzen worden niet aangehaald. Het is zeer 
de vraag of de Herrnhutters behoorlik onderscheid konden 
maken tussen onze taal en het Platduits. Wel komen er woorden 
met een onmiskenbaar Duits uiterlik in de teksten voor, maar 
men kan niet uitmaken welke als vergissingen van de vertalers 
zijn aan te merken en welke werkelik door de Kreolen gebruikt 
werden, 't Zelfde geldt van de Deense, of verdeenste, woorden 
in de tekst. De meeste van die woorden komen niet bij beide 
groepen voor en dit wettigt het vermoeden dat de grote meer- 
derheid inderdaad toevallige Germanismen en Danismen zijn. 
Voorbeelden zijn in de Duitse teksten: bedung (bemesten, N. 
T. H. Luc. 13, 8; N. T. D: mest), hoopning (hoop, N. T.H. 
Handl. 2, 26; N. T. D: hoop), ordning N. T. H. Mrcs. 6, 
40, Denen: plaes bie plaes), pestilenz (pest, N. T. H. Mth. 
24, 7; Denen: pest), thoor (poort, Ps. 2 , blz. 141), straat (weg, 
N. T. H. Mth. 3, 3; Denen : weg), swam (spons, N. T. H. 
Mrcs. 15, 36; Denen: sponsje) enz. Uit de Deense teksten 
haal ik aan: legtsindig (lichtzinnig, Luth. Katech. blz. 4), 
onderkoop (omkopen, N. T. D. inhoudsopgave van Mth. 28, 
Deens underkiöbe), skaem yt (verwijten N. T. D. Mth. 11,20: 
Herrnhutters verwit), Ut aster tid (van lieverlede, Voorber. 
N. T. D. vgl. Deens tid efter tid) enz. enz. 

In 't oog vallend groot is 't aantal bastaardwoorden van 
Franse oorsprong die zo wel bij Duitsers als Denen voorkomen ; 
hun aantal is met honderd niet te hoog geraamd. Men kan 
vragen in hoeverre die woorden binnengedrongen zijn door 't 
samenwonen met Fransen, met Hugenoten vooral, en in 



de klankleer, op streng wetenschappelike wijze behandeld en wel in de 
voortreffelike dissertatie van de heer A. Verschuur; op zijn mededelingen 
ben ik voornamelik afgegaan. Voor 't Westvlaams heb ik natuurlik in de 
eerste plaats het Idioticon van de Bo geraadpleegd. De kolonisten van de 
heren Lampsins c. s. kwamen ongetwijfeld niet slechts uit Walcheren, 
maar voor een groot deel ook uit het z. g. IV de Distrikt van Zeeland en 
uit Vlaanderen. 

5 



66 

hoeverre zij behoorden tot de taal die door de uit Nederland 
afkomstige kolonisten gesproken werd. Ik aarzel niet te ant- 
woorden dat de overgrote meerderheid van die Franse woorden 
door Nederlanders naar de West is gebracht. Indien toch de 
onmiddellike omgang met Fransen, 't geregeld aanhoren van 
hun taal *), de aanleiding tot het invoeren was geweest, dan 
zouden er stellig veel woorden op de Deense Antillen voorkomen 
die niet in Nederland als Franse bastaardwoorden bekend zijn. 
Dit nu is niet het geval. De Franse woorden van het Neger- 
hollands zijn ongeveer allen ook bij ons bekend, wel niet als 
nog tegenwoordig in gebruik bij 't gehele volk, maar te 
vinden in de aan „brabandse" woorden zo rijke taal der 
schrijvers uit de 16 de en 17 de eeuw, uit de tijd toen nog geen 
Hooft en Vondel het Noordnederlands van „bastert woorden en 
onduitsch" hadden „geschuimt". Die bastaardwoorden behoorden 
wel grotendeels tot de geschreven taal — anders had men ze 
niet zo kunnen uitbannen — , maar dat geldt alleen voor de 
Noordelike gewesten. In 't Zuiden waren zij wél in gebruik bij 
het gehele volk, hoofdzakelik in Vlaanderen en Braband, maar 
toch ook in Zeeland. Nog in onze tijd komen in het dialekt 
van die provincie, vooral op 't vasteland van Zeeland, heel 
wat woorden van Franse herkomst voor die men in Holland 
niet gebruikt. In Uit het Zeeurusche Volksleven 2 ) leest men : 
labeuren (bewerken, blz. 52), maljeniers (ijzer verkopers, blz. 143), 
patiencie (geduld, blz. 55) enz. Vorsterman van Oyen vermeldt 
in zijn woordelijst van 't dialekt van Aardenburg 8 ) : batteren 



') Van Name (blz. 126) deelt mee dat „in a considerable portion of the 
city population of St. Thomas" 't Franse Kreools der Antillen gesproken 
wordt, maar aan de invloed van dit idioom kan men de Franse woorden 
niet toeschrijven, daar in de tijd waarin onze gedrukte teksten ontstaan 
zijn er nog zo goed als geen „city population" van St. Thomas bestond. 
Ook hebben de Franse bastaardwoorden niet de Kreoolse, maar de Franse 
vorm en betekenis, met één enkele uitzondering (zie glossarium op sjansee). 
't Franse Kreools zal wel op St. Thomas in de 19 de eeuw zyn ingevoerd; 
geen schrijver vóór Van Name maakt er melding van. 

Hoofdbezwaar tegen 't aannemen van rechtstreekse ontlening is echter 
de overweging dat het al te toevallig zou zyn, indien de Nederlanders in 
Europa en in de West onafhankelik van elkaar precies dezelfde woorden 
hadden overgenomen. 

2 ) Door F. Nagtglas (Middelburg, 1885). 

s ) In Onze Volkstaal I, blz. 137 vlg. 



67 

(snel lopen, battre), commeer (commère), compassie (medelijden), 
crieeren (omroepen), f rinse (aardbei, fraise), herridon (teestoof, 
guéridon), kavaone (verplaatsbare woning van een schaapherder, 
cabane), konte (grap, leugen, conté), van de lanteeren (ventre 
a terre), pertant (toch, pourtant) enz. 

Ik zie dus in de talrijke Franse woorden een krachtig 
argument voor de stelling dat de eerste kolonisten uit het 
Zuidwestelik deel der Nederlanden afkomstig waren. Zie hier 
enige der bastaardwoorden: absenteer, absoluut , accordeer, 
appelleer, armee, asserant (astrcmt), blameer, confereer, 
condisje, confusie, consenteer, continueer, contribueer, cou- 
sin, curagie, def endeer, delibereer, divers, dispuut, edukasje, 
escapeer, estimeer, excellent, except, expedieer, flatteer, in- 
viteer, negeer, óbligasje, offereer, ordineer, pardoneer, per- 
misje, menteneer, miserabel, satisfacsje, passeer, pretendeer, 
regardeer, reguleer, resolveer, respecteer, revangeer, solveer 
enz. enz. 

In alle teksten komen deze Franse woorden voor, doch in 
die der Herrnhutters nog veelvuldiger dan bij de Denen. De 
Herrnhutters volgden de Nederlandse spreekwijs getrouwer dan 
de Denen; waren de Franse woorden eerst op de Antillen, 
door direkte aanraking met Fransen of Franskreools sprekende 
negers, in 't Negerhollands gekomen, dan zou men die termen 
't meest in de Deense teksten aantreffen, 't Franskreoolse sjansee 
vindt men inderdaad bij Magens, niet bij de Herrnhutters. 

Engelse woorden zijn in de Taalproeven van Pontoppidan 
natuurlik schering en inslag 1 ), maar ook reeds in veel vroeger 
tijd, toen er nog geen sprake was van gehele verengelsing, deed 
het Engels zijn invloed gelden. Reeds onder de eerste kolonisten 
zullen , Engelsen geweest zijn. In de teksten uit de achttiende 
eeuw vindt men de volgende woorden: dig (graven), gie (geven), 
jump en tjomp (springen), krop (oogst, erop), mevrket (markt), 
onprofitdbél (on voordelig), tingel (verstrikken, to tcmgle), tjook 
(verstikken, to choke), truhel (lastig vallen, to trouble), vens 
(afscheiding, wal, fence) enz. 

') addu (liever, rather), joe aght to (behoorde, you aught to), be (verb. 
substant.), better (beter), destroi (vernielen), dinner (middagmaal) , doctor 
(dokter), him (hem), long (lang), peck (plukken, to piek), wen (wanneer, 
wen), wander (rondlopen) enz. 



68 

Veel talrijker dan de Engelse zijn de Spaanse woorden in 
't Negerhollands. De nabijheid der Spaanse kolonies is m. i. 
in veel geringer mate oorzaak van 't voorkomen van Spaanse 
woorden , dan de verbreiding van het Negerspaans, het Papiements 
(zie hierboven, blz. 32). Vóór de stoom vaart bekend was, werd de 
afstand van twee plaatsen veel minder bepaald door de lijn die 
de passer op de kaart kan uitmeten dan door de route der 
zeilschepen, die afhankelik is van stroom- en windrichting. Zo 
kan 't Negerspaans van Curagao meer invloed gehad hebben 
dan de minder sterk verhaspelde taal der Spaanse bezittingen. 
De nauwe betrekking tussen Papiements en Negerhollands 
blijkt ook uit een paar woorden die aan beide talen gemeen 
zijn, doch, voor zover ik heb kunnen nagaan, in geen ander 
Kreools, en evenmin in 't Spaans, voorkomen ; het zijn papoessie 
en makoet (korenaar en mand). Spaanse woorden in 't Neger- 
hollands zijn o. a. : adiós, bambaj, boerrik, cdbrita, cahé, 
haschee, kaba, kamina, kawai, koerri, kwak, mattaen, 
moeschi, no, parae, pat-pat, parri, póbre, savan, torka enz. 

Gering is 't aantal woorden van onbetwijfelbaar Portugese 
oorsprong. Dit is enigszins verwonderlik. Ten eerste toch weten 
we dat uit Brazilië verdreven Joden zich op St. Thomas geves- 
tigd hebben en deze Joden zullen, evenals hun geloofsgenoten 
in Suriname *), lang trouw zijn gebleven aan hun moedertaal. 
Verder kan men in elk Kreools dialekt Portugese woorden ver- 
wachten uit de zeemans- en slavetaal die op de Goud- en 
Slavekust veel verbreid was *). De paar Portugese woorden 
die in 't Negerhollands voorkomen, als maski, na, bussaal, 
traval, zijn vermoedelijk langs die weg in 't Kreools der 
Antillen gekomen ; men vindt ze in Oost en West 3 ). De 



') In de voorrede van het Geschied- en Handeïkundig Tafereel van de 
Bataafsche West-Indische Colonieën, geschreven door eenige Joodsche 
geleerden (Nieuwe Uitgave, Amsterdam 1802), verontschuldigen de schrijvers 
zich over de vorm van hun boek, daar zy genoodzaakt zijn te schryven in 
een taal die de hunne niet is, waarby een noot: „Hunne gewoone taal is 
de Portugeesche en Spaansche." 

2 ) Door die zeeraanstaal heeft het Portugees „fast in jeder Kreolischen 
Mundart .... Spuren hinterlassen" (Schuchardt, Kreoh Stud. IV, blz. 38). 

3 ) „Die Aufhahme dieser Formen reicht gewiss in die erste H&lfte des 
16. Jahrhunderts zurück, als die Spanier urn ihre neuen Entdeckungen sich 
noch wenig kummerten und die Portugiesen im Handels- und Religionsin- 



69 

Israëlieten schijnen op St. Thomas en omliggende eilanden hun 
Portugees te hebben opgegeven, waarschijnlik onder de invloed 
van hun Spaans sprekende geloofsgenoten uit Curagao. 

De verschillende negertalen die de zwarten spraken voor zij 
uit Afrika werden weggevoerd, hadden bij dit overzicht 't eerst 
genoemd moeten worden, indien op de belangrijkheid werd 
gelet van de faktoren die 't Negerhollands deden ontstaan; 
doch als men nagaat 't aantal woorden die met zekerheid als 
van oorsprong Afrikaans kunnen worden aangemerkt, dan 
komen de negertalen terecht hier eerst aan 't einde van het 
overzicht te staan. Onder elkander zullen de negers, vooral de 
„zoutwaternegers", stellig heel wat meer Afrikaanse woorden 
gebruikt hebben *). 't Was echter hun belang zo spoedig mogelik 
de taal over te nemen der blanken en der inheemse zwarten; 
daarin slaagden zij 't eerst en 't best ten opzichte van het deel 
der taal waarvan zij zich bewust waren dat het verschilde van 
dat der Europeanen, dus ten opzichte van het vokabularium. 
En dat was niet alleen hun belang, maar ook hun eerzucht. 
Gelijk elders 2 ) plachten ook op de Antillen de in de West 
geboren negers met verachting neer te zien op hun pas aan- 
gevoerde medeslaven. Dat waren domme, verachtelike schepsels ! 
Een oude negerin, die Kristin was geworden, drukt de staat 
van verblinding waarin ze vóór haar bekering was geweest uit 
door te zeggen dat zij een „aerm pover, een soutkop, een 
swart heide" was geweest 3 ). 

De woorden die niet aan Europese talen zijn ontleend bepalen 
zich in hoofdzaak tot de benamingen van produkten uit het 
plante- en diererijk. 't Is mij niet mogelik geweest een juiste 



teresse hier festen Fuss zu fassen suchten." Deze woorden zegt Schuchardt 
(Kreol. Stud. IV, blz. 38) naar aanleiding van 't Kreools der PhiJippijnse 
eilanden, doch zij slaan, met wijziging van datum, ook op andere streken. 
Dikwels is een Portugees woord dan later via een andere taal verder 
verbreid. 

') Oldendorp, blz. 433. 

-) Men vergelijke uit het in de Inleiding afgedrukte briefje uit Berbice de 
zinsnee: „moet niet denken dat de Neeger wel slaven wil zyn, maar de 
Neeger dat UEd. heb op de seepe [op de schepen die slaven aanvoerden] 
die kan zijn UEd. slaaven." Van solidariteit is nergens sprake, wel van 
dwaze verheffing op hun geboorte onder blanken. 

") G. H. blz. 111. 



70 

onderscheiding te maken tussen de termen die aan de Afrikaanse 
talen zijn ontleend en de woorden die, met de Amerikaanse 
produkten, door middel van de Caraïben aan de blanken in 
West-Indiê bekend zijn geworden. Ik noem hier enige van die 
niet-Europese woorden: geambo, jekké, cassave, karang, 
kingamboe, kukkaba, makaku, mapua, tschikki enz. Men 
zie verder het glossarium. 



IV. 



A. Spelling. 

§ 1. De teksten die tot de Deense groep behoren, volgen 
alle dezelfde spelling, n.1. de Deense. De eerste regels der G. D. 
luiden: „Iedere letter wordt in 't Kreools met zijn volle klank 
uitgesproken, evenals in 't Deens; alleen wordt de v uit- 
gesproken als ƒ , omdat ze van Hollandse oorsprong is ; in plaats 
van v wordt w gebruikt, evenals in 't Hoogduits." In de praktijk 
komt dit systeem hierop neer, dat de afwijkingen der Deense 
teksten van de Hollandse spelwijze geen andere zijn dan de 
volgende: u staat voor oe (buk, bruder); y staat voor u (zo 
wel in rysje, Holl. ruzie, absolyt, Holl. absoluut, als in pyt, 
Holl. put, en in kyssintje, Holl. kussentje; in 't laatste geval 
staat somtijds i, b. v. drippel voor Holl. druppel); de gerekte 
a, u en y worden meestal weergegeven door toevoeging van e 
(waarbij evenwel groote inkonsekwentie in de toepassing valt 
op te merken): tael, ruep (roepen), hyélen (huilen, schreien). 
Deze toevoeging van e, hoewel vroeger ook in onze taal in 
zwang en nog tans in Vlaanderen zeer gebruikelik, is hier aan 
de Deense orthografie ontleend. 

In eigennamen, dus in woorden die de Denen niet van hun 
bekeerlingen hoorden, is de u geschreven waar bij Hollandse 
uitspraak y verwacht zou worden, dus Jesus Christus, Juda f 
Jerusalem enz. 

De v geeft, ondanks de bovenaangehaalde woorden van 
de G. D., niet altijd een f weer; in qvaet (kwaad), quest 



72 

(kwetsen) b. v. heeft men een Deense schrijfwijze voor fcn? te 
te zien (vgl. § 36). 

In de inleiding tot de G. D. wordt door Magens verklaard 
dat „wie spoedig 't Kreools wil leren, de Hollandse taal 
verstaan moet." Magens en zijn kollega's kenden ongetwijfeld 
Hollands en waren ook min of meer op de hoogte van onze 
schrijftaal. Zo schrijven zij mie word, maar in de derde 
persoon wordt (soms wort), die geskiedt enz. In 't algemeen 
hebben ze echter gestreefd naar 't weergeven van 't gesproken 
woord. 

§ 2. De Duitsers hebben, naar hun zeggen in de G. H., de 
Hollandse spelling gevolgd, „hauptsftchlich deswegen, weil die 
Schwarzen welche lesen lemen, es Holl&ndisch lernen". Vooral 
het gezangboek met de geestelike liederen werd ijverig gelezen. 
Dat de Duitse vertalers de schrijftaal der Hollanders kenden, 
en zich daarvan minder ver verwijderden dan de Denen, blijkt 
uit de spelling van woorden als mensch (met sch), waar de 
Denen mens schrijven; de Duitsers gaan soms nog verder dan 
hun modellen en schrijven wienporsch (wijnpers) enz. Sommige 
afwijkingen van 't Hollands spelgebruik zijn te verklaren uit 
de Duitse nationaliteit der vertalers; in gesloten lettergrepen 
wordt soms één klinker geschreven in plaats van twee; bewegt 
(beweegt), lat (laat), slot (sloot), strom (stroom). Dit is Duitse 
orthografie van Nederlandse woorden ; ook in de Deense teksten 
vindt men 't zelfde verschijnsel, doch niet zo dikwels. 

Fouten in omgekeerde richting, waarbij Duitse en Deense 
uitspraak (want ook in de Deense teksten leest men enkele 
zulke onregelmatigheden) van door het schrift bekend geworden 
Nederlandse woorden schijnt voor den dag te komen, zijn tal- 
rijker; men leest hooi, loof, stoof, streek voor hol, lof, stof, 
strek. Zeker heeft men hier voor een deel inderdaad met 
onvastheid in de spelling te doen; dat mag men, dunkt me, 
opmaken uit de Errata van het N. T. H., waarin enkele van 
deze fouten verbeterd worden. Doch ik geloof niet dat men op 
die wijze al dergelijke gevallen mag verklaren. Veeleer heeft, 
naar mijn mening, meestal die schrijfwijze fonetiese betekenis 
en dient zij om de gerekte uitspraak der klinkers van de 
negers weer te geven. In de briefjes van negers uit Berbice 
die ik op blz. 4 en 5 heb aangehaald, leest men ook daet, ge- 



73 

daegten, haeden, waes *) enz. voor dat, gedachten, hadden, 
en was; ik onderstel dus dat vormen als bestraev (bestraffen), 
jamer (jammer) en swaken (zwakken), die bij Denen en Duit- 
sers voorkomen , beantwoorden aan de werkelike uitspraak 2 ). 

De Duitsers schrijven u in gesloten lettergrepen bijna steeds 
met één letter : sekur (sekuur), versup (verzuipen), ut (uit, vgl. 
§ 16); een enkele maal vindt men uu, b. v. skuum (schuim) 
of ue, b v. huer (huren). Rekking wordt door de Duitsers niet 
weergegeven door het toevoegen van een e, gelijk de Denen 
dat doen; alleen in een woord als huer schijnt dat het geval 
te zijn, gewoonlik is verdubbeling van de klinker het middel; 
ae geeft in Duitse teksten dus niet aa weer, maar een open e 
(vgl. § 5). 

De verdubbeling van de t in wett (wit) schrijf ik toe aan de 
bedoeling om te voorkomen dat een Duitse lezer de klinker 
gerekt zou uitspreken, gelijk de dubbele t in hutten en utterste 
(buiten en uiterste) wel dienst zal moeten doen om een doffe u 
(niet ü) aan te wijzen. Spellingen als heil (zelfst. naamw.) en 
al (al) dienen insgelijks om 't karakter van de klinker aan 
te geven. Daarentegen danken de dubbele medeklinkers in de 
werkwoordsvormen wül, vall, vervoell, kuss enz. (willen, vallen, 
vervullen, kussen) hun oorsprong aan de mening der vertalers 
dat het Kreoolse werkwoord niet anders is dan de onbepaalde 
wijs van 't Hollandse werkwoord zonder —en; deze mening 
wordt ook uitgesproken door Oldendorp (blz. 427). In overeen- 
stemming met bovenstaande verklaring is de spelling sal (zul- 
len) en wandel (wandelen) met één l; hier ging de theorie niet 
op, of gaf haar toepassing slechts één l op 't einde. 

Uit het voorbericht der G. H. blijkt dat de Duitsers in menig 
geval aan etymologiese spelling de voorkeur hebben gegeven, 
ook waar de meer fonetiese niet alleen juister zou wezen, maar 



') Iets dergelijks vindt men in 't Engels van het op blz. 60 (noot) aan- 
geduide verhaal. 

: ) In dezelfde zin getuigt het rijm in het Psalmboek: alleen en kleen 
rijmt op ben, allemaal op getal, nood op God, boov' (boven) op loof (lof) 
enz. enz. Al te veel moet men intussen aan deze getuigenis niet hechten» 
want de onbeholpenheid der vertalers — die zg zelf erkennen — doet hen 
dikwels genoegen nemen met halfrijm en, in kritieke gevallen, het gehele 
rym opgeven. 



74 

zelfs in 't Hollands burgerrecht had verkregen. Zo verklaren 
zij dat het beter is niet metal of niemetal te schrijven, dan 
naar de „gewöhnliche Aussprache" niemendal ') ; ook achten 
zij barricad en barkad (grens) beter dan ba/rgat, „wie es nach 
dem Gehör lautet", omdat de eerste schrijfwijzen meer herin- 
neren aan 't Spaanse barricado. Een paar bladzijden verder 
schrijven zij evenwel koei f rooj en andere afwijkingen van de 
Hollandse spelwijze. Konsekwentie is in dit alles ver te zoeken. 

B. Klanken. 

Klinkers. § 3. Het Kreools door negers gesproken toont 
neiging om de woorden te doen eindigen op klinkers, in over- 
eenstemming met de aard van vele Bantu-talen en van de talen 
der negers aan de Goudkust, die geen eigenlike medeklinkers 
als slotklank dulden 2 ). Het sterkst vertoont zich dit verschijnsel 
in het Negerengels van Suriname. 

Dezelfde eigenaardigheid komt ook in onze teksten herhaal- 
delik uit en niet alleen in de T. P., wel een bewijs dat de 
„uitspraak der blanken", die Magens verklaart weer te geven, 
ten minste in dit opzicht met die der negers overeenstemde. 
Ik haal aan uit de G. D. : bobo (boven), hoppo (op), hogo (oog), 
krabbo (krab), feesa (feest), rotto (rat); in de T. P. leest men 
dunku (donker, nacht), hundu (kip, van hoender, als in 't 
Afrikaans), makutu (gew. makoet, korf). De G. H. verklaart 
dat vele negers in plaats van doek, doéko of doeki zeggen, in 
plaats van groot, voet en „dergelijke woorden" ('t verschijnsel 
deed zich dus doorlopend voor), grooto en voeti. In die spraak- 
kunst en in 't N. T. H. leest men sondo voor zonde. De vormen 
op i kunnen hierbij beschouwd worden als deminutieven. 

Naast deze woorden met een eindklinker door toevoeging 



1 ) Zo schrijven de Denen echter dit woord, b.v. N. T. Mth. 10. 8. 

2 ) Torrend, blz. 14 — 51; Henrici, blz. 18. Ook in de Mande-talen eindigen 
de woorden op een klinker (Steinthal, die Mande Neger Sprachen, Berlin, 
1867, blz. 18), en bijna altijd is dit het geval in het Foula (de Guiraudon, 
Manuel de la langue foule, Parijs — Leipzig, 1894, blz. 3). — Bij Hoogenhout, 
blz. 111, zijn een paar zinnen van een Afrikaans sprekende kaffer te vinden, 
waarin bijna alle woorden op een klinker uitgaan (omme sy nekke, . . , 
danne di klyn-basi salie sine enz. enz.). 



i 



75 

van een, gewoonlik labiale, klinker, staat een nog veel groter 
aantal woorden die ten gevolge van apokope op een klinker 
uitgaan. Men vindt sa, ha, ple naast sal, hab, plek; vooral 
echter is de afstoting zeer veelvuldig wanneer de slotklank van 
't woord r is. In alle teksten leest men geregeld da, ma, wa, 
voor daar, maar, waar; verder hier en daar alga voor 
al(le)gaar, mage voor mager, f o voor voor; jender en sender 
hebben in onze teksten nog de r, doch bij Van Name is 
't jende en sende geworden. 

Dit wegvallen van een sluitende medeklinker is in 't Kreools *) 
stellig voor een deel toe te schrijven aan de behoefte der negers 
om hun woorden met een klinker te eindigen, maar de ver- 
klaring moet in dit geval evenzeer rekening houden met het 
Zeeuwse en Vlaamse taaieigen, dat evenzeer door slappe arti- 
kulatie veelal de slotmedeklinker, en vooral een r, laat vallen. 
Voorbeelden vindt men bij Verschuur (§ 204) en in de novellen 
van Heins bij wie men geregeld leest wa, da, wee, mae voor 
waar, daar, weer, maar; voor behoudt in deze verhalen de 
r vóór een klinker, doch verliest die vóór een medeklinker, 
b.v. : voo de maene en vlak voor ons (Heins I, blz. 85). 
Vorsterman van Oyen (Noord en Zuid II, blz. 310 vlg.) getuigt 
omtrent het dialekt van Aardenburg dat de r aan 't eind der 
lettergrepen niet wordt uitgesproken, en de Bo geeft in zijn 
Idioticon op onderscheiden plaatsen voorbeelden van zulk een 
wegvallen van een medeklinker op 't eind van een woord, b.v. 
op blz. 183 van de d. 

Kreoolse en Zuidnederlandse eigenaardigheden werkten dus 
in dit geval samen. 

§ 4. Vele negertalen — en dientengevolge vele Kreoolse 
idiomen — zijn afkerig van klinkers als beginklanken 2 ); of de 
klinker waarmee het woord aanvangt valt weg, vooral wanneer 
de eerste lettergreep toonloos is, of een spirans wordt voor de 
klinker geplaatst. In 't Papiements heeft zeer vaak het laatste 



') Ook in 't Negerspaans komt het veel voor: volgens Jesurun (Verslag 
Gesch. Gen. I, blz. 99) is in 't Papiements het weglaten van een mede- 
klinker op 't eind bijna regel. 

2 ) Steinthal, die Mande Neger Sprachen, blz. 13;deGuiraudon, Manuel 
de la longue foule, blz. 3. 



76 

plaats l ). Onze teksten geven dat niet altijd weer en evenmin 
de woordelijsten. Toch lees ik in 't Nederlandsch-Papiementsch- 
Spaansch Woordenboekje (Curacjao, 1875) de volgende vormen : 
habrir voor dbrir (aanbreken), haf dak voor afdak, ha/rikra 
voor anchora (anker), hasa voor asar (braden), holer voor 
oler (ruiken), hancho voor ancho (breed), hera voor errar 
(dwalen), haas voor aas (lokaas), haltoe voor altoe (rijzig) 
enz. Men ziet dat zo wel woorden van Spaanse als van Neder- 
landse afkomst die abnormale h vertonen. 

Een dergelijke h hebben ook de negers van de Deense 
Antillen aan 't begin der woorden gewenst. Daarop wijzen 
vormen als hogo (oog), hoor (oor), hou en houwe (oud). Die 
eigenaardige „Anlaut" in de mond der negers heeft de mis- 
sionarissen soms doen aarzelen in hun spelling, vooral wanneer 
zij dachten aan 't geen zij van de Nederlanders (Zeeuwen) 
hoorden. Zo schrijven de Duitsers steeds em ('t voornaam- 
woord) en a ('t partikel van de verleden tijd, vgl. § 59), maar 
de Denen hem en ha. 

Hoe zijn nu de „overtollige" fc's in 't Negerhollands te rijmen 
met de Zeeuwse afkomst der kolonisten? Het is toch bekend 
dat in het Zeeuws de in het Nederlands door h voorgestelde 
artikulatie regelmatig en onafhankelik van de omgeving achter- 
wege blijft 2 ); aan „omgekeerde schrijfwijs" (graphie inverse) 
kan men niet denken, want een „omgekeerde schrijfwijs" die 
regel — en regel met bijna geen uitzondering, eigenlik alleen 
em bij de Duitsers — is geworden, is vrij wel een ongerijmd- 
heid. Hoe ik de moeilikheid zou willen oplossen, blijkt reeds 



l ) Schuchardt, Kreol. Stud. I, blz. 16. Soms wordt deze h aangeduid 
door een j waarmee dan de Spaanse klankwaarde (die van een postpalatale 
spirans) bedoeld wordt. De anarchie in de orthografie van 't Papiements is 
een lastig ding. Evertsz schrijft b.v. muchoe, veel, met een u in de eerste, 
en oe in de tweede lettergreep, omdat de klank van de eerste sylbe van 
Spaanse, maar die van de tweede, volgens de schrijver, van Hollandse 
oorsprong is (Compendio de la gramatica del Papiamento, Curazao 1898). 
Zulk een systeem is interessant voor wie de zienswijze van een schrijver 
in een etymologiese kwestie wil leren kennen, maar in de praktijk onbruik- 
baar. Andere schrijvers richten zich naar 't Spaans of naar 't Nederlands; 
een taal met weinig of geen literatuur heeft het voorrecht fonetiese spelling 
te kunnen verdragen, en het is jamnier indien daarvan geen gebruik wordt 
gemaakt. 

*) Verschuur, blz. 164; Kousemaker, blz. 4. 



k 



77 

uit hetgeen ik in de vorige alinea gezegd heb: in de taal der 
oudste, Zeeuwse, kolonisten werd de h niet uitgesproken en 
dit gaf, bij 't aanwezig zijn van vele niet Zeeuwse Nederlanders, 
aanleiding tot een zeer wisselend en ongelijk gebruik, Die h is 
door de negers, krachtens hun eigenaardige „Anlaut", terug- 
gebracht waar ze in 't algemeen Nederlands voorkomt, maar 
natuurlik ook wel geplaatst waar in elk Nederlands dialekt een 
klinker het woord begint. De spirans waarmee de negers zulke 
woorden aanvingen zal wel niet precies onze h geweest zijn, doch 
zulke schakeringen geven de teksten natuurlik niet aan en de 
grammatici hebben ze niet opgemerkt of ten minste niet vermeld. 

Op deze wijze wordt het ook begrijpelik dat juist bij de 
Duitsers, die in hun orthografie veel meer zich naar 't geen 
ze van Nederlanders hoorden plachten te richten, em staat, 
terwijl de overtollige h's vooral bij de meer foneties schrijvende 
Denen voorkomen. 

§ 5. Wanneer we de klinkers en tweeklanken afzonderlik 
nagaan, bemerken we de volgende verschillen met het Nederlands, 
zoals dat in onze tijd door beschaafde mensen wordt gesproken *): 

e staat in plaats van a in hert (G. H. herhaaldelik, daarnaast 
hart, N. T. D. Mth. 5, 28); hert is een Westvlaamse vorm 
(Vercoullie, blz. 8). Verder in erm (bijvnw., G. D. blz. 59) door 
de Duitsers steeds aerm geschreven (N. T. H. Mth. 5, 3 enz.). 
Erm wordt geciteerd als Zeeuwse vorm; aerm, met gerekte e, 
als Westvlaamse 2 ). Voor tam staat teem (N. T. H. Mrcs. 5 , 4). 
Dit is een van die gerekte vormen waarvan hierboven (blz. 72) ge- 
sproken is , en waarmee men nog kan vergelijken steem voor stem 
(N. T. H, Handl. 7, 59) en laame voor lammen (N. T. H. Mth. 
15, 30); de blanke Kreolen zeiden vermoedelik tem, een West- 
vlaamse en Zeeuwse vorm (Vercoullie, blz. 13 ; Verschuur § 88, d.). 

Een a voor r in gesloten lettergreep is veelal ee geworden, 
b.v. keer s (N. T. Mth. 5, 15), kneersing (Mth. 13, 42, naast 



') Deze omschrijving van onze gemeenlandse omgangstaal verklaart hoe 
men de woorden „in plaats van" en dergelijke in de volgende paragrafen 
heeft op te vatten. — In dit hoofdstuk, gelijk in het glossarium, heh ik in 
de regel slechts één plaats, een bewijsplaats, aangehaald. Aanwijzing van 
het geschrift waar een bepaald woord gevonden wordt was nodig, omdat 
anders, bij 't verschil van orthografie, de klankwaarde onbepaald bleef. 

■) Kousemaker, blz. 19; Te Winkel, blz. 818. 



78 

knersing, Mth. 8, 12), peerd (Openb. 6, 2, 4, 8), peerlen 
(Mth. 13, 45, naast perlen Mth. 7, 6), rechtveerdig (Mth. 1 , 19), 
treetvje (J on 8 e koe > Hebr - 9 > 13 )> «weerd (Mth. 26, 52), weerd 
(herbergier, Luc. 10, 35). De schrijfwijze paerd in 't N. T. H. 
wijst op de uitspraak pèrd. 

Denen en Duitsers schrijven gem voor gaarne (N. T. Mth. 14, 5 ; 
1 Cor. 9, 17). Ook hierin stemmen de twee groepen overeen 
dat zij aarde (Mth. 5, 5), altaar (Mth. 5, 24), dienaar (Mth. 
5, 25), kandelaar (Mth. 5, 15) en tollenaar (Mth. 5, 47) met 
a spellen. In 't bijvnw. waardig (Mth. 3, 8), hebben de Denen 
de a-klank, de Duitsers hun è (ae). 

Men zie voor de in het Westvlaams veel algemener vervanging 
van a vóór r door ee: Vercoullie, blz. 9. 

In Italieensche (Handl. 10, 1) heeft men geen klankeigen- 
aardigheid van het Kreools te zien; in deze eigennaam hebben 
zowel de Denen als de Duitsers de klinker behouden die 't 
woord in hun eigen taal had. 

§ 6. In gemeinte, weinig, klein, meisje hoorden de Denen 
een tweeklank, de Duitsers, blijkens hun spelling gemeente, 
weenig, Meen, meeschi niet. Uit dit verschil blijkt reeds dat 
in 't Negerhollands de e in ei nog een gesloten klank was; 
daarop wijst ook de spelling der Denen van lej (lei, schrijftafel 
Luc. 1, 63), sprej yt (uitspreiden, Luc. 2, 17), berej ', kastej enz. 
In 't Westvlaams wisselt ei met ee naar de verschillende 
plaatsen (Vercoullie, blz. 9; de Bo, blz. 249). 

§ 7. Talrijk zijn de voorbeelden dat e staat voor een korte i 
in gesloten lettergrepen: bed (bidden), destby (dichtbij), sens 
(sinds), set (zitten), wesselbanken (wisselbanken), wett (wit). Al 
deze vormen komen voor in 't N. T. H. ; daar wordt ook 
onderscheiden lecht (gemakkelik, Mth. 9, 5, en opheffen, Mth. 
17, 8) van licht (lumière, Mth. 17, 2, en lichtgevend, Mth. 17,5), 
een onderscheiding die wel geen toeval zal zijn, maar berust 
op de verschillende oorsprong der beide woorden *). De Denen 
schrijven al de bovengenoemde woorden met een i (behalve 
wesselbanken, Luc. 19, 23); zij hebben ook steeds bin, de 



x ) Zie echter Te Winkel, blz. 828, waar juist lecht in de zin van lumière 
Middelvlaams wordt genoemd, tans lucht. Volgens Kousemaker, blz. 9, is 
licht (niet zwaar) in 't Zuidbevelands lucht. 



79 

Duitsers ben (verb. subst.), die dit woord evenwel laten rijmen 
op overwin (Ps., blz. 27). In diestebie (dichtebij, Mth. 3, 2) 
verlengen de Denen zelfs de i. Toch is door hen ook dezelfde 
klankwaarde van onze i opgemerkt als door de Duitsers, blijkens 
wessdbanken, negje (nichtje, G. D. blz. 69) en fes (vis, T: P. 
blz. 135). De onzekerheid van deze spelling moet niet alleen 
gezocht worden in de moeilikheid die vreemdelingen hebben 
om onze z.g. i-klank in een woord als bidden te onderscheiden ; 
hun kennis van onze schrijftaal zou de zendelingen wel geholpen 
hebben. In 't Westvlaams is wisseling van e en i in dergelijke 
positie zeer gewoon (Vercoullie, blz. 8, 9); in 't Zeeuws vindt 
men hetzelfde (Kousemaker, blz. 9). 

Ook een paar niet-Hollandse woorden met de doffe i-klank 
hebben e: pek (plukken, Eng. to piek, N. T. H. Mth. 7, 16) 
en ekke (niet, Deens ikke, T. P. blz. 135). 

In 't Evcmg. Leerb., blz. 13, 21 leest men meedel voor 
middel met de op blz. 72 besproken rekking. 

Zie verder over e en i § 13. 

§ 8. In barbeer (G. D. blz. 62) en waneer (G. D. blz. 77) 
staat ee voor ie, doch hier is geen fonetiese eigenaardigheid in 
't spel. Het zijn de Deense woorden, klakkeloos overgenomen. 

§ 9. Ee voor eu in beersie, beerschie (beursje), beert (beurt) 
deer (deur), heep (heup), hevel (heuvel), humeer (humeer), neet 
(neut, noot), reek (reuk), skeer (scheuren), vreegde (vreugde) 
enz. enz. De Denen passen deze spelling met de grootste konse- 
kwentie toe, de Duitsers niet. Zij hebben soms en als in 
't Nederlands (reuk y vreugde enz.) en in twee woorden, huvel 
en skur, een u. Uit de Deense schrijfwijze ee valt iets te 
leren voor de taal. Zij heeft, meen ik, niets te maken met 
Nederlandse, dialektiese eigenaardigheden, al treft men ook in 
't Vlaams bij vele woorden wisseling aan van e met eu 
(evel, euvel; krepel, kreupel en vele andere woorden bij de 
Bo, blz. 249). Er blijkt uit die dubbele ee 's de algemeen 
Kreoolse neiging tot vereenvoudiging van samengestelde klan- 
ken, d. w. z. de neiging om bij klanken die gevormd worden 
door 't vooruitsteken der lippen, terwijl de tong de stand 
inneemt die voor palatale klinkers vereist wordt, of dat 
vooruitsteken der lippen of de palatale positie der tong 
achterwege te laten. Daardoor wordt ook in 't Franse Kreools, 



80 

zowel in dat der Antillen als in de taal van Mauritius, eu 
tot e en u (ü) tot i (Poyen-Bellisle, blz. 17; Baissac, blz. 110). 
Het schijnt dat de dikke vlezige lippen der zwarten voor deze 
samengestelde artikulatie minder geschikt zijn; daarom wordt 
bij eu en u (ü) of 't vooruitsteken der lippen verzuimd, en 
krijgt men dus ee en i, of wel de stand der tong wordt 
gewijzigd en de klinker wordt geheel labiaal, derhalve o en oe. 
De eerste wijziging is de regel; voor de tweede zie men § 25. 

§ 10. In twee woorden vindt men bij Oldendorp (blz. 430 
en 431) e in plaats van o, n.1. in sen (zon) en sender (zonder). 
De andere teksten hebben deze onregelmatigheid niet. 

De Duitsers schrijven steeds geweente voor gewoonte, en 
dat deze vorm enig recht van bestaan heeft, blijkt uit het N. 
T. D. dat (Mrcs. 10, 1) gewente heeft. 

Andere voorbeelden van e in plaats van o komen niet voor. 
Immers skettel (schotel, N. T. D. Mth. 23, 25) staat voor 
skittél (vgl. § 7), dat ook voorkomt (Mth. 14, 8), en dit 
skittel is ontstaan uit skuttel (vgl. § 15), dat door de Duitsers 
met skötel wordt weergegeven. In 't Zuidbevelands luidt het 
woord schuttd (Verschuur, § 114, Opm. 1.) 

§ 11. De e voor u in derv (durven), gerest, restdag laat 
zich in deze teksten verklaren als wisselend met i 9 de klank 
waartoe in de mond der negers u is geworden (vgl. § 15). 

§ 12. De, uit lange i ontstane, Hollandee ij, is in 't Neger- 
hollands, gelijk in 't Zeeuws, i gebleven; soms wordt de klank 
door i, soms door ie weergeven, met onregelmatigheden zelfs in 
de schrijfwijze van hetzelfde woord, vooral bij de Duitse groep. 
Bij de Denen vindt men, als uitzonderingen op de hoofdregel, 
de twee Hollandse vormen veif (vijf, G. D. blz. 24) en teiden 
(N. T. Handl. 14, 17; 1 Petr. 1, 5, tegenover ontelbare malen 
tiden); de Herrnhutters zijn minder nauwkeurig en schrijven 
onder invloed van 't Hollands, en soms van het Duits, bij 
(voorzetsel, Luc. 2, 81), leid (lijden, Mth. 17, 12, 15), neidig- 
heid (nijdigheid, Mrcs. 7, 22), vijanden (Rom. 11, 28), vrij 
(vrijen, huwen, Mth. 22, 30), ijdelheid (Eph. 4, 17), ijver 
(Rom. 1, 2) enz. De overheersende schrijfwijze bij beide groepen 
is echter te vinden in Ui (blij), kik (kijken), tid (tijd), viegie 
(vijg), vrie (vrij), wien (wijn), wies (wijs) enz. enz. 

De in het Zeeuws voorkomende overgang van i tot u (ü) 



i 



81 

tussen twee labialen (Verschuur § 124), heeft noch de Deense, 
noch de Duitse groep; beide schrijven steeds bliev (blijven) en 
wief (wijf). Geen wonder: de il is voor negers een lastige 
klank (§ 9). 

§ 13. De Duitsers hebben i voor e in dink (denken), dink 
op (op iets achtgeven), mingél (mengelen, mengen). Dienke 
voor denken is Zeeuws, wellicht ook mingel, waarbij de klinker 
in dergelijke positie voorkomt (vgl. Verschuur, § 88 c). Him voor 
hem, in de T. P., is vermoedelik het Engelse pers. voornw. 
De toonloze e aan 't eind van een woord wordt i in bittie 
(buiten, G. D. blz. 25, T, P. blz. 135). 

§ 14. Voor een gerekte e staat bij de Duitsers i in twiUing 
(tweeling, Joh. 11, 16) en gékskier (gekscheren, Eph. 5, 4). 
Het eerste woord is naar het Duitse twilling gevormd; de 
Denen schrijven tweeling, 't Zeeuws heeft echter ook een i in 
de eerste lettergreep (Verschuur, § 152). 

Beide groepen hebben swiep of swip (zweep, Handl. 5, 40), 
een vorm die in verschillende delen van ons land bekend is, 
en gie(v) voor geven. Misschien is gie aan 't Engels ontleend; 
in 't Negerengels heeft het juist diezelfde vorm. 

Overeenkomstig de platte Nederlandse spreektaal luidt heten 
(genoemd worden) hiet (Mth. 5, 9). 

§ 15. In verschillende woorden wordt bij de Deense schrijvers 
een Nederlandse u, zo wel de heldere als de doffe (il en Ü), 
vervangen door i. B.v. : bespieg (spugen, Mrcs. 10, 34), 
biermom (buurman, G. D.), skiër (schuur, Luc. 12, 18), zierdeeg 
(zuurdeeg, Mth. 13, 33), siegen (zuchten, Mrcs. 13, 17; 24, 
19), sister (zuster, Mth. 19, 29), stik (stuk, Mth. 9, 16), kis 
(kussen, zoenen, Mth. 26, 48). De Duitsers schrijven al deze 
woorden met u. De reden van dit verschil is hierin gelegen 
dat de Denen juister de eigenlike Kreoolse uitspraak weer- 
geven, waarbij de u, vooral in de mond der negers, neiging 
heeft om i te worden; de verklaring van die overgang is 
beproefd in § 9. 

Niet alle us zijn tot i geworden; slechts in bepaalde woor- 
den heeft de negeruitspraak algemene geldigheid gekregen. Zie 
echter ook § 16. 

Zo wel bij de Duitsers als bij de Denen leest men naast 
elkander put, pit en piet voor put, doch hier komt 't Kreools 

6 



82 

niet in aanmerking; pit (pet), piet zijn in Nederland zeer ver- 
spreide dialektiese vormen. Ook vier voor vuu/r (Mth. 13, 42, 
de Duitsers hebben vuur) kan van Nederlandse oorsprong zijn. 

§ 16. In plaats van de Nederlandse ui vindt men u en i. 
De Denen hebben gewoonlik i. Deze onregelmatigheid is als 
volgt te verklaren. In het Nederlands der eerste kolonisten 
luidde de besproken klank, overeenkomstig het Zeeuwse taai- 
eigen (Verschuur, § 132), u (ü), en deze u werd in de mond 
der negers i; deze paragraaf valt dus grotendeels samen met 
de vorige. 

De Denen schrijven steeds biek (buik, Mth. 12, 40), bittie 
(buiten, G, D. blz. 25), diefje (duif, Mth. 3, 16), dievel (duivel, 
Mth. 4, 1), drief (druif, Mth. 7, 16), getiegnis (Mth. 23, 31), 
hier (huur, Mrcs. 1, 20), skiem (schuim, Mrcs. 9, 18), versiep 
(verzuipen, Mrcs. 5, 13, maar ook suup Luc. 7, 34), versiem 
(verzuimen, Handl. 6, 1), vist (vuist, Mth, 26, 67). De Duitsers 
houden zich aan de Nederlandse uitspraak, en hebben dus 
buk, hutten, duffie, duvel, druvie enz. enz. Het omgekeerde 
is hoogst zelden: de Denen hebben de w-klank in beslyt, slyt 
yt (Handl. 25, 25; Gal. 4, 17) behouden, terwijl de Duitsers 
besliet en sliet ut schrijven. 

In zeer vele woorden hebben beide groepen de u, door de 
Denen met y, door de Duitsers met u of uu weergegeven: 
dysternis, gébryk, rymte, syd enz. 

Van de enkele woorden die in 't Zeeuws ui hebben (Ver- 
schuur, § 137) komt ook in 't Negerhollands geen vorm met 
u of i voor: ruilen (N. T. H. Mth. 21, 12; Mrcs. 11, 15, de 
Denen hebben een ander woord) is geworden tot reyd. Fluit 
geven de Denen weer met flöjt (Mth. 11, 17), de Duitsers met 
flöte ; 't is waarschijnlik dat bij beiden 't overeenkomstige woord 
in 't Deens en Duits (FlOit en Flöte) van invloed is geweest. Lui 
schrijven de Denen ééns (G. D., blz. 77) als löj, doch in Mth. 
25, 26 hebben beide redakties looj, een bijvorm van lui die 
ook bij Kiliaen voorkomt en nog tegenwoordig dialekties in 
gebruik is, o. a. in het Zaans (zie Boekenoogen, de Zaansche 
Volkstaal, kol. 590). 

Nog in een paar andere gevallen schrijven de Duitschers ui, 
stellig onder invloed van de geschreven taal: gébuigt (reeds 
geheel Onkreools naar de vorm, N. T. Rom. 14, 11, naast 



k 



83 

het juistere bieg, Rom. 11, 4), bruid, bruidegom (Mth. 9, 15, 
de Denen hebben brydgom), Hun moedertaal volgen zij wanneer 
zij 't woord kuis met eu, dus keusch, keuschheid (Hoofdinh., 
blz. 41) spellen. De Denen schrijven kyes. 

§ 17. Ie in plaats van oe vindt men in pielen (Eph. 6, 16), 
in beide vertalingen. 

§ 18. Ie voor eu hebben de Denen in liegie, liegenar (N. T. 
Joh. 8, 44); deze vormen zijn wellicht ontstaan uit lieg (zelfstnw. 
en werkw.) van liegen. De Duitsers schrijven lugie en lugenaar, 
misschien onder invloed van hun moedertaal of uit misverstand 
om de i-uitspraak der negers te vermijden (§ 15). 

§ 19. O staat in plaats van a in socht (zacht, Mth. 11, 8) 
bij Denen en Duitsers. Het is de gewone Zeeuwse vorm 
(Verschuur, §86). 

§ 20. O voor e vindt men in rvienpors (wijnpers, Mth. 21, 33). 

§ 21. O in plaats van eu in door bij Denen en Duiters (Mth. 
6, 6). Op één plaats hebben de Denen deer (G. D. blz. 34). 
Door behoeft niet verklaard te worden door vereenvoudiging 
van artikulatie (§ 9 slot), het is een vorm die ook bij Marnix 
en Coornhert voorkomt (J. Heinsius, Klank- en buigingsleer 
van de taal des Statenbijbels, Groningen 1897, § 12). 

§ 22. De Denen hebben blommetje (b. v. G. D. blz. 66) en 
soms bloometje (N. T. 1 Petr. 1, 24, vgl. blz. 72), tegenover 
het minder gemeenzame bloemetje van de Duitsers. Blom is 
een zeer verbreide Nederlandse vorm, ook in Zeeland gebruikelik. 
Ook in 't Papiements spreekt men van een blomtje. 

§ 23. De o heeft in 't Negerhollands een zeer gesloten klank 
en wordt dientengevolge in de teksten soms met oe verwisseld. 
De Duitsers schrijven skoenmoeder (schoonmoeder), de Denen 
dum en dom (N. T. Mth. 9, 32, 33; 12, 22), drum voor 
droom (T. P. blz. 138), grun voor grond (T. P. blz. 138). De 
omgekeerde schrijfwijze vindt men in plantsoon en groot (T. 
P. blz. 138). 

Wanneer de Duitsers skoel schrijven (school, Mth. 4, 23), 
poelsaar (polsader, Ps. blz. 233), junger (jongere, discipel, 
Mth. 10, 24) en de Denen klump (dus met oe-klank voor Nederl. 
klomp, G. D. blz. 32), dan zie ik daarin invloed van hun 
moedertaal (Schule, Pulsader, Jilnger en Deens Klump). De 
Denen hebben skool en jong; de Zeeuwse vormen joenk, joengers 



84 

(zie b.v. Heins I, blz. 12, 79, 134 enz.) doen hier niet ter 
zake , daar de Herrnhutters onze oe niet door een u plegen weer 
te geven. 

Ons werkwoord bukken vindt men eens in de overeenkomstige 
vorm byk (N. T. D. Joh. 8, 6), overal elders met de oe-klank 
b.v. Mrcs. 1, 7; Luc. 24, 12), die ongetwijfeld de o van de 
vorm bokken weergeeft. 

§ 24. Onder invloed van de volgende v, door de negers zeer 
labiaal uitgesproken, is de toonloze, onduidelike vokaal in 
al te veel, ontevreden tot oe geworden (G. H. blz. 19, 88). 

§ 25. Drie woorden die in het algemeen Nederlands een ui 
hebben, vertonen in 't Negerhollands een'Oe, t. w. hoes, kroes, 
loes. Zij stammen af van de Zeeuwse vormen met u (ü) en 
zijn de enige gevallen waarbij de negers, de samengestelde 
klank vermijdende, niet het vooruitsteken der lippen hebben 
nagelaten, maar de stand van de tong hebben gewijzigd (vgl. § 9). 

In sukustok (suikerriet, T. P. blz. 138) is 't eerste deel- van 
het woord aan het Papiements (zoekoe, Sp. amcar) ontleend. 

§ 26. In de G. H. wordt uitdrukkelik gezegd dat men in de 
klankverbindingen -cmw-, -eeuw- nog „iets van de w" hoort. 
De Denen schrijven echter geregeld blaw (blauw), gaw (gauw), 
Hébreew, leew, skreew, eewig, en ook de Duitsers hebben een 
enkele maal die spelling, b.v. in N. T. 1 Petr. 5, 11: ewigheid. 
Het vermoeden is dus gegrond dat de Kreolen ook in dit geval 
de klankverbinding hadden vereenvoudigd. 

Omtrent ou leert de G. H. dat deze diftong klinkt „wie cm, 
koud lies: koud". Met deze, op zich zelf in 't geheel niet ver- 
rassende, mededeling is de spelling der Denen in strijd. Immers 
deze schrijven (naast oud, hout enz.) bow (bouwen), how 
(houden), kowd (koud), row (rouw), trow (trouwen), vrow 
(vrouw) enz., en omtrent de klankwaarde van ou schijnt die 
laatste spelling iets te leren dat ook voor de geschiedenis van 
onze taal van belang is. In 't Deens toch wordt o vóór v (en 
de w vervangt in deze teksten voor de Denen hun v, blijkens 
de G. D., vgl. hierboven, § 1) uitgesproken als een tweeklank, 
waarvan 't eerste element een zeer gesloten o is: 't Deense 
Low (wet) klinkt als „lo u v". Daarom mag men uit de Deense 
schrijfwijze van een woord als kowd opmaken, dat in 't Neger- 
hollands de ou nog niet in zijn eerste element de open o had 



k 



85 

van onze hedendaagse uitspraak. Die konklusie wordt bevestigd 
door 't woord roovklaeg (rouwklacht, N. T. D. Handl. 8, 2), 
waar al heel duidelik de klankwaarde van ou uit blijkt. 

Dat de Denen goed gehoord hebben vindt nog steun in de 
spelling der T. P., waarin men how (houden) en tow (touw) 
leest; twee maal vindt men er sotved gut voor „ein Stück 
gesalzenes", m. a. w. sout goed (zoutewaar, pekelvlees). 

Gelijk echter boven gezegd is, verklaart de G. H. pertinent 
dat de o van ou zeer open was. Er is misschien tweeërlei 
uitspraak geweest: de oudere Nederlandse met gesloten o, in 
zwang bij de eerste kolonisten en op de Antillen inheems 
gebleven, en een jongere, die de Duitsers van de Hollanders 
hoorden. 

Medeklinkers. § 27. Enkele afwijkingen bij de mede- 
klinkers, vooral in de Duitse teksten, kunnen geëlimineerd 
worden, daar zij blijkbaar niet tot de gesproken taal behoren» 
maar naar Duits model vervormde Nederlandse woorden zijn. 
Daartoe reken ik in het N. T. H. beddelen (bedelen, Mrcs. 
10, 46), goetig (goedertieren, Luc. 6, 35), luitend (luidend, 
1 Cor. 13, 1), skuttel (schudden, Mrcs. 6, 11). Dat ik hier niet 
aan fonetiese eigenaardigheden denk, berust ten eerste op de 
overweging dat, voor zover ik kan nagaan, uit geen enkele 
Kreoolse taal blijkt dat negers de dentalen wijzigen (gelijk ze 
dat de saamgestelde klanken en de postpalatalen doen), en ten 
tweede op de schrijfwijze der Denen, die op bovengenoemde 
plaatsen de regelmatige vormen bedel, lydend, skyd hebben, 
en in plaats van goetig, guedaerdig. 

In overvloetig (N. T. H. Mth. 5, 20) kan de t verklaard 
worden door het vormen van het bijvoegl. naar het zelfst. naamw., 
dat men op t hoorde uitgaan. De Denen hebben een ander 
woord. Misschien is echter 't op zich zelf staande overvloetig 
te beschouwen als een verschrijving van een Duitser die onze 
media en tenuis verwarde. 

Het voornaamste Danisme in 't weergeven der medeklinkers 
is de uitgang -lig bij de bijvoegl. naamw. In 't N. T. D. leest men 
steeds: hartlig, heerlig, vriendlig enz., terwijl de Duitsers 
schrijven hartlik, heerlik, vriendlik enz. Door die Deense uit- 
gang -lig hebben de vertalers zelfs 't Nederlandse suffix Aing 
vervangen in syglig (zuigeling). 



86 

§ 28. Waar twee medeklinkers samenkomen, zegt Magens 
in de 6. D., spreken de negers die niet altijd beide uit. Deze 
echt Kreoolse eigenaardigheid blijkt voor 't Negerhollands uit 
woorden als bran op (opbranden, N. T. H. Mth. 3, 12), vass 
(N. T. Mth. 28, 9), Ulliar (billiard, G. D. blz. 58), tem (tand, 
T. P. blz. 137) enz. enz. 't Is onmogelik bij de verklaring een 
grens te trekken tussen deze Kreoolse neiging en de overeen- 
komstige verschijnselen in de gemeenzame en platte Nederlandse 
taal, waarin ik vin voor ik vind en derg. zeer gewoon zijn 1 ), 
't Noordbevelands is rijk aan voorbeelden van weggelaten 
medeklinkers (Verschuur, § 203). 

§ 29. Als een andere biezonderheid van de spreekwijze der 
negers vermeldt Magens dat zij de „litteras gutturales" niet 
goed kunnen uitspreken, en ze meest weglaten (6. D. blz. 8); 
ook de G. H. (blz. 3) getuigt dat zij „oft die mit der Kehle 
auszudrückenden Buchstaben auslassen." Van dat „weglaten" 
der keelklanken is zelfs in de T. P. niet zo heel veel te bemerken. 

Na een e is de g weggevallen op 't eind van een woord, 
waarbij de e tot een diftong is geworden. Zo leest men bij de 
Denen (N. T. Mth. 2, 13) sellie ha ka loop wej (weg) en 
stier wei (Luc. 1, 53); de Duitsers schrijven wee. Op dezelfde 
wijze moet men verklaren de vormen lee en see (naar Duitse 
spelling) voor leggen en zeggen, want men dient uittegaan van 
de Kreoolse vorm van 't werkwoord, en die is leg en seg. 
Hoewel de Denen in de regel fonetieser schrijven dan de 
Duitsers, schijnen zij het bij deze beide woorden juist minder 
te doen; immers zij spellen leg en seg. De verklaring kan 
wellicht hierin gezocht worden dat in 't Deens de uitgang -eg 
als een diftong wordt uitgesproken, b.v. jeg (ik), dat bijna als 
jei klinkt. 

Tee schrijven Denen en Duitsers op gelijke wijze (b.v. Mth. 
1, 17); het woord betekent totaan en is ons tegen, in zijn 
Kreoolse vorm teeg (vgl. morg of mork voor morgen enz.) 

Achter andere klinkers dan e valt g niet weg, dus dag, lag 
(zelfstnw.), nog, bedrog, sug enz. 

l ) In wind en overwind voor win(nen) en overwin{nen) bg de Denen 
(N. T. Mth, 18, 15; Luc. 11, 22) moet men niet aan „graphie inverse" 
denken: de vertalers hebben hier aan de Deense woorden vinde en over* 
vinde gedacht. 



\ 



87 

§ 30. De ch wordt bij de Denen steeds k in likam (lichaam, 
b.v. N. T. Mth. 5, 30) en looken (verloochenen, b.v. N. T. 
Joh. 18, 27). De Duitsers hebben hier ch, gelijk ook in huichelaar; 
dit laatste woord spellen de Denen hykla/r, waardoor het bijna 
geheel met het Deense woord (Hykler) samenvalt. Ach wordt 
ak (N. T. D. Mth. 20, 30). 

§ 31. In de overgrote meerderheid der woorden waarin g of 
ch door t wordt gevolgd, hebben de teksten geen afwijking 
van 't Nederlands gebruik (dus agt, licht, vrucht enz.), doch 
in sommige woorden komt het Kreoolse bezwaar tegen onze 
uitspraak voor den dag. Zo hebben Denen en Duitsers vekkete 
voor vecht(en) (G. H. blz. 8, G. D. blz. 35, ook N. T. D- 
1 Cor. 15, 32, waar echter de Duitsers vechete schrijven); in 
N. T. Handl. 19, 24, 38 leest men bij de Denen ambaks-mans 
en ambak (ambacht). De spelling segt (sekte, N. T. D. Handl. 
15, 5) en gestigt (gestikt, G. D. blz. 78) wijst, als „graphie 
inverse" op dezelfde moeilikheid. 

In een paar woorden die zeer veel voorkomen is de koppeling 
bij beide groepen regelmatig *) op een andere wijs vervangen, 
n.1. in aster (achter, dat de beteekenis na heeft gekregen, N. 
T. Mth. 1, 12) en in destby of diestebie (dichtbij, N. T. 
Mth. 3, 2). Ook in mista of eniste (T. P. blz. 137, 138) zie 
ik hetzelfde verschijnsel; het woord betekent enig, iets, b.v. 
Ju ka drum enista fraj? (Heb je iets moois gedroomd?) en 
as die ha eniste nyw na taphus (of er iets nieuws in de stad 
is). Dat de st in dit woord een ch gevolgd door een t vervangt» 
onderstel ik op grond van de Zeeuwse vormen ienechte en 
sommechte voor enige en sommige (Verschuur, § 206, 6). De 
Duitsers hebben voor ooit, ereis de uitdrukking eenigste tid; 
in deze vorm mag men, dunkt me. een middending zien tussen 
eenichte en eniste. Het Nederlandse enigste, een pleonastiese 
superlatiefvorm , heeft een geheel andere betekenis en kan hier 
niet tot verklaring dienen. 

Is de verandering van cht in st, die zo afwijkt van de bij 
vecht, ambacht enz. waargenomen wijze, nu toe te schrijven 
aan het Kreools? Dit betwijfel ik na de mededeling van de Bo 



l ) In G. D. (blz. 76) wordt ééns gesproken van aftermiddag voor namid- 
dag, vermoedelik tengevolge van Deens E f ter middag. 



88 

(blz. 56) dat in sommige streken van West- Vlaanderen men 
voor achter (dat, als op de Antillen, ook van de tijd gebruikt 
wordt) aster zegt. 

§ 32. Zonder uitzondering staat in alle teksten sk waar de 
algemeen Nederlandse spreektaal sch heeft (dus gevangenskap 
(N. T. Mth. 1, 11), skande (N. T. Mth. 1, 19) enz. enz. Deze 
oudere klank is in zoveel streken van ons vaderland nog 
bewaard gebleven, dat het voorkomen er van in 't Neger- 
hollands niet aan 't Kreoolse vermijden van de postpalatale 
spirans behoeft te worden toegeschreven. 

§ 33. Tussen twee klinkers wordt de d tot j, niet alleen in 
gevallen waarin dit ook in de beschaafde Nederlandse spreek- 
taal plaats geeft {goeje, rooje enz.), maar ook bij woorden die 
in 't Nederlands dialekties, of alleen in platte taal, die j ver- 
tonen; van daar een vorm als genooite (genoodigden, N. T. H. 
Mth. 22, 3), gemaakt naar een werkw. nooj (nojen, nodigen, 
N. T. D. Luc. 14, 10). 

§ 34. Van Name getuigt, zij 't ook ter loops en niet waar 
hij over 't Negerhollands spreekt (nl. blz. 129), dat in „Dutch 

Creole a final n or m frequently has lost its consonant 

power, making the preceding vowel nasal." De teksten zwijgen 
hierover en evenzo de beide spraakkunsten, 't Is mogelik dat 
Van Name's zegsman, Gamps, die over zo velerlei Kreools 
hem inlichting gaf, zich vergiste en een verschijnsel dat in 't 
Negerfrans (Poyen-Bellisle, blz. 38), Negerengels (Van Name, 
blz. 150) en Negerspaans (Van Name, blz. 164) voorkomt, ook 
aan 't Negerhollands toeschreef. Juist de algemeenheid van 't 
verschijnsel in zoveel analoge gevallen doet echter vermoeden 
dat de teksten in dit opzicht te kort schieten, 't Enige wat op 
nasalisering van een klinker, of wel op inlassing van een 
nasaal wijst (de spelling gedoogt niet dat uittemaken), is 't 
woord nungal voor nogal dat tweemaal in de T. P. (blz. 138) 
voorkomt. Zie ook § 35, noot. 

In 't „Voorberigt" tot het N. T. D. leest men ongervieste 
voor onderwezenen. In 't zelfde voorbericht komt herhaaldelik 
onder wiesing, onderskejing enz. voor ; 't is dus niet uittemaken 
of we hier met een drukfout te doen hebben, dan wel met de 
uit het Afrikaans en het dialekties Nederlands bekende overgang 
van n tot ng (vgl. Het Afrikaans, blz. 151, noot). 



89 

§ 35. In § 3 zijn reeds verschillende woorden genoemd 
waarin de r op 't eind is weggevallen (alga, fo, ma, wa); in 
't midden van het woord komt die uitlating voor in jalues 
(jaloers, G. D. blz. 34), kakélak (kakkerlak, G. D. blz. 40, 
maar T. P. blz. 135 kakerlaker), flekon *) (vlerk, Zeeuws vleke, 
Verschuur § 203, 3). 

§ 36. Met de klankwaarde van de v hebben de vertalers niet 
goed raad geweten, gelijk reeds blijkt uit het omtrent de 
spelling van de v in § 1 uit de G. D. aangehaalde. Bij het 
daar gezegde kan hier nog het volgende gevoegd worden. De 
Deense vertalers begaan verschillende inkonsekwenties, zodat 
zij b. v. vlyveél (fluweel, G. D. blz. 79), vout (fout, N. T. 
Luc. 20, 26) en zelfs vutbaj (Eng. foot-boy, loopjongen, G. D. 
blz. 53) schrijven. De Duitsers zijn ook ongelijk in hun spelling ; 
lief e en gelooftg spellen zij met f, maar in sommige woorden, 
b. v. in begrafen, wordt de f in de corrigenda achter hetN. T. 
in v veranderd. Op 't eind van een woord plaatsen zij veelal 
een v, b. v. selv (zelf), beev, leev enz.; bij de laatste woorden 
is de reden te zoeken in hun mening dat het Kreoolse werk- 
woord de onbepaalde wijs van het Nederlandse werkwoord 
was, verminderd met -en (§ 2, blz. 73). 

Achter deze willekeurigheden van de spelling zal wel het 
volgende schuilen als de ware staat van zaken. In 't Kreools 
der blanken hoorden de Deense en de Duitse zendelingen de 
klank die alle vreemdelingen zo veel hoofdbreken kost, onze 
Hollandse v, die zij, zo goed als andere niet-Nederlanders, 
soms met onze w, soms met onze ƒ, verwarden. In de taal die 
de negers spraken zal zowel de f als de v de neiging gehad 
hebben om van labio-dentaal bilabiaal te worden. Immers die 
eigenaardigheid kenschetst alle door negers gesproken Kreools 
(vgl. Baissac, blz. 111; Poyen-Bellisle, blz. 33) en laat zich 
verklaren uit de omkrulling en vlezigheid van hun lippen; op 
dezelfde wijze wordt de overgang van v in b in 't Papiements 
begrijpelik. 

§ 37. In de groep gel, wordt de e regelmatig gesynkopeerd, 

*) Misschien is de uitgang -on te beschouwen als een poging om een 
genasaliseerde eindvokaal weer te geven. Een andere, meer bevredigende, 
verklaring van de zonderlinge vorm kan ik niet geven. — Jalues kan een 
dichter bij 't oorspronkelike Frans staande vorm zijn. 



90 

dus glïk r gloof, gliknis. Een enkele maal hebben de Duitsers 
ook in bun schrijfwijze de e behouden. Bij de Denen is ook 
in de verbinding gen de e uitgestoten, dus gnug (genoeg, 
N. T. D. Mth. 18, 21). 

Evenals in de gemeenzame Nederlandse uitspraak, ten minste 
van een groot deel der Nederlanders, zijn woorden die eindigen 
op een 1 4- medeklinker niet eensylbig. De fonetiese spelling 
van Pontoppidan geeft dit weer door de schrijfwijze folluk 
(volk), morrük (morg van morgen), sdluf (zelf). 

§ 38. In attofel voor al te veel en in assens voor absens, 
beide voorkomend in de T. P., heeft men voorbeelden van 
proleptiese assimilatie. 

Dissimilatie komt voor in slenter voor sleutel (N. T. H. 
Mth. 16, 19, de Denen hebben steeds sleetet). Slenter en stoter 
vindt men ook in 't Zeeuws (Verschuur, § 164). 

In brambi (mier, T. P. blz. 134 voor brcm(d)mier, vgl. 
Oldendorp, blz. 121) heeft na de assimilatie (*brammie) diffe- 
rentiëring der beide labialen plaats gehad. 

§ 39. Gevallen van metathesis zijn: geppes (gesp, G. D. 
blz. 61), quest (kwetsen, N. T. D. Mrcs. 12, 4), tvolter (wortel, 
N. T. H. Mth. 3, 10, de Denen hebben steeds wortel), cocro 
(kroko(dil), T. P. blz. 135). Oeps en kwesten komen ook in 
de Nederl. volkstaal voor. 

Gunri (T. P. blz. 135) schijnt uit groei te zijn ontstaan, 
via * goeroei. 

C. Funktie en vorm der woorden. 

§ 40. In 't Kreools kunnen de verschillende woordsoorten 
alleen onderscheiden worden naar de betekenis die de bepaalde 
woorden hebben voor het redeverband. Differentiëring die blijkt 
uit verschil van vorm — gelijk in onze taal meestal het geval 
is — ontbreekt. Uitgangen zijn er niet, de schakering van het 
begrip bij de als stammen gevoelde woorden, hangt af van de 
samenhang en van de plaatsing in de zin. Derhalve kunnen 
Nederlandse woorden in funkties optreden die zij in onze taal 
niet bezitten, of, indien wij aan onze terminologie vasthouden: 
zelfstandige naamw. kunnen tot werkwoorden, tot bijwoorden 
en bijvoegl. naamw. gemaakt worden, werkwoorden kunnen 



dl 

bijvoegl. naamw. en zelfstandige naamw. worden en deze weer 
werkwoorden enz. 

Voorbeelden van dit schijnbaar dooreenlopen van de woord- 
soorten levert elke bladzijde van de hierachter gedrukte bloem- 
lezing uit Negerhollandse teksten. Enige sprekende staaltjes 
haal ik hier aan: een Lazarus siek ha knie voor hem (geen 
af knotting van knielde of kniel, maar ons woord knie, fun- 
gerend als werkw., N. T. H. Mrcs. 1, 40); Eahel traan over 
si kinders (ibid. Mth. 2, 18, in 't zelfde vers traan als zelf- 
standig naamw.); twee sal mola mit malkcmder{mola, molen, 
in de betekenis malen, ibid. Luc. 17, 35); joe kan skoon mi 
(reinigen, Mrcs. 1, 40); mie mut hoppo nunu (ik moet dadelik 
opstaan, van 't bijw. op, G. D. blz. 56), niet een volk steek 
op een keers en tue die mit een vat (bedekken, van toe, 
N. T. D. Luc. 8, 16); die speel no ha wees sut (het spelen 
was niet prettig, G. D. blz. 55): skaem hem bin (hij schaamt 
zich, G. D. blz. 74); mie bin skaem for beedel (N. T. D. 
Luc. 16, 3). 

Hoe verschillende woorden door hun plaats vóór het zelf- 
standig naamwoord kunnen optreden als bijvoegl. naamw., 
blijke uit de volgende voorbeelden: mie bin blanko neger, 
mie mut werk die heel week voor mie meester (ik ben een 
aam een blanke toebehorende neger, tegenover vrijneger, G. 
H. blz. 50), vlikvlooj tong (N. T. D. Rom. 16, 18), blink 
Meeren (N. T. D. Luc. 24, 4), meester kabaj ('t paard van de 
meester, anders gedacht, hoewel op 't zelfde neerkomend, als 
meester sie kabaj, G. D. blz. 75), Godt woord (verbum divi- 
num, G. D. blz. 37), mi ben een pover, bederf, verloor kind 
(G. H. blz. 110), lóbbetje hemmete (hemd met lubben, G. D. 
blz. 62) enz. enz. Er is geen grens te trekken tussen dit 
gebruik en 't vormen van samenstellingen. 

Voor 't bepalen van de betekenis van een woord kan een 
juist inzicht in de besproken Kreoolse formatie van nut zijn. 
Zo moet men mie wil hab een nyw Meet (G. D. blz. 50) niet 
vertalen met ik wil een nieuw kleed (kledingstuk) hebben, 
maar met ik wil een nieuw pak hébben. Uit hetgeen volgt 
blijkt dat rok, broek en kamisool bedoeld wordt; kleed is dus 
niet het Nederlandse zelfstandig naamwoord — een deftig woord 
dat in 't Negerhollands ons zeer zou verbazen — maar ons 



92 

werkwoord kleden, optredend als substantief en desnoods met 
kleding te vertalen. 

Sporen van dergelijke Kreoolse eigenaardigheden in de taal 
der Afrikaanders worden aangehaald in Het Afrikaansch (blz. 
112 — 114), waar ook verwezen is naar Schuchardt's Kreol. 
Stud. IX (blz. 203 vlg.), die 't zelfde heeft aangetoond in het 
Maleis-Portugees. In velerlei Kreools kan men iets dergelijks 
vinden. Ten bewijze van het algemeen Kreoolse karakter van 
het verschijnsel volgen hier alleen enkele voorbeelden, aan 
't Frans van 't eiland Mauritius ontleend: Bomatin mo té 
lagasse perdrix (vanmorgen heb ik op patrijzen gejaagd; té 
is 't teken van de verleden tijd, lagasse is jacht en jagen); 
mo té laguére soxante bananées pour to (ik heb 60 jaar voor 
u gestreden , laguére is strijden) ; mo faim laviande (ik heb 
trek in vlees) enz. Zie verder Baissac, blz. 56 ! ). 

§ 41. Uit de vorige paragraaf volgt dat de eigenlike vorm- 
leer van het zuivere Kreools zich tot een minimum beperkt, en 
dat de indeling van dit hoofdstuk der spraakkunst eigenlik 
geheel anders moest zijn dan de gewoonlik gevolgde methode 
meebrengt. Dat deze niettemin hier gevolgd wordt, berust op 
de overweging dat de teksten, en stellig ook de gesproken taal, 
heel wat halfkreoolse en zelfs zuiver Hollandse vormen bevatten. 
Daarom is een koncessie gedaan in de rïchting die tevens voor 
de lezer 't overzicht gemakkeliker zal maken. 

§ 42. 't Bepalend lidwoord is het onveranderlike die, naar 
zijn oorsprong 't aanwijzend voornaamw. van 't Nederlands. 
Het Kreoolse streven naar vermeerdering van nadruk is de 
oorzaak van deze overgang. Men vgl. Het Afrikaansch, blz. 
136 vlg., waar het gebruik als een Malayisme verklaard is; 
naast die, in dat geval aan te wijzen, biezondere invloed, kan 
ook de algemene, psychologiese faktor gewerkt hebben, gelijk 
blijkt uit vergelijking met ander Kreools. Zie b.v. St. Quentin, 
blz. 116: pagaye-la, gouvernail-la (oorspr. cette pagaye-la, 
ce gouvemail-lÖ) , waar schijnbaar het vrouw elik lidwoord, 
achter het zelfstandig naamw. gevoegd, de enige vorm is geworden. 



l ) Men wachte zich wel aan „omschrijvingen" of „weggelaten praeposities" 
ter verklaring te denken. Mo té lagasse en mo faim staat op één hj'n met 
alle andere werkwoorden, dus b.v. met mo técóne, mo cóne (ik kende, ik ken)* 



,J 



93 

Het ontstaan van 't bepalend lidwoord in 't Kreools is een her- 
haling der geschiedenis van het lidwoord in andere, oudere talen. 

§ 43. De betrekking die in de klassieke talen door de Genetivus 
wordt aangegeven drukt men in 't Kreools uit door van en 
door sie, 't Nederl. bezitt. voornw. van de 3 de pers. (zijn). 
Dus: die Heer sie Engel, die vrow sie hus enz. Vgl. Het 
Afrikaansch, blz. 135 (Marie se boek). 

§ 44. Geslachtsonderscheiding kent het Negerhollands niet, 
evenmin verbuiging. 

§ 45. In 't Negerhollands der blanken, 't Hoogkreools, kan 
't meervoudig begrip uitgedrukt worden als in 't Nederlands, 
door achtervoeging van -en of -s, met een kleine uitbreiding 
in gebruik van de laatste vorm, b.v. vissermans (vissers), 
nagts (N. T. D. Mth. 4, 2). Men vergl. Het Afrikaansch, 
blz. 134. Enkele afwijkende vormen komen voor b.v. rotter 
(ratten, T. P. blz. 135), kakerlaker (kakkerlakken, T. P. blz. 
133), vermoedelik uit het Deens overgenomen woorden; doods- 
beenden (N. T. H. Mth. 23, 17), een verhaspeling van 't meer 
literaire doodsbeenderen met doodsbeenen (N. T. D. Mth. 23, 
27), vrouwens (N. T. H. Rom. 1, 26; N. T. D. Luc. 23, 27), 
een pleonastiese meervoudsvorm die in 't Afrikaans voorkomt 
(Het Afrikaansch, blz. 133, noot 2). Eavens (N. T. Luc. 
12, 24) is een regelmatige meervoudsvorm van het zeventiende- 
eeuwse ra/oen voor raaf. 

Geheel tegen de aard van 't Kreools is wijziging van klinker 
bij meervoudsvorming. Leden (N. T. 1 Cor. 12, 14) en schepen 
(N. T. D. Openb. 8, 9) zijn dus noch Hoog-, noch Laagkreoolse, 
maar Nederlandse vormen. Hoogkreools is skippen (N. T. Luc. 
5, 2, 3, 7, 11), hollen (N. T. D. Openb. 6, 15), Godten (N. 
T. H. 10, 34, 35) voor schepen, holen, Goden. 

Zuiver of onvermengd Kreools is echter geen van al deze 
vormen, al ontbreken ook de woorden met onze uitgangen in 
geen der teksten geheel en al. 't Meervoud wordt door de 
negers alleen uitgedrukt wanneer het niet-enkelvoudige karakter 
wordt aangegeven, dus niet in onbepaalde uitdrukkingen. B.v. 
joe moet maek mou na die kamisool en sweetgat na onder 
die erm sender (je moet mouwen maken in 't kamisool en 
zweetgaten onder de armen). 

Het meervoudstoevoegsel in 't Negerhollands is sender of 



94 

sellie, het laatste alleen van personen. Van 't meervoud op 
sdlie vind ik geen voorbeelden in de teksten; 't wordt echter 
vermeld in de beide spraakkunsten (G. D. blz. 10 en G. H. 
blz. 11—13). 

De pluralis op sender leest men in de teksten die de gesproken 
taal weergeven zeer vaak, dus vooral in de gesprekken van de 
G. D., b.v. : die radies sender (de radijzen, blz. hl), mie twee 
kint sender (mijn twee kinderen, blz. 61), mie meester sie 
skuen sender (mijn meester z'n schoenen, blz. 61) enz. enz. 
Bij de Duitsers leest men zulke vormen, behalve in de G. IL, 
ook in 't gezangboek: ons siel sender (Ps. 2 blz. 138), die 
volk sender (de mensen, Ps. blz. 187), en bij 't woord pover 
(arm) ook in 't N. T., dus: die pover sender (Mth. 19, 21; 
26, 9). Andere voorbeelden zijn sporadies in 't N. T. H. te 
vinden; b.v. die klip sender a split, en die graf sender a 
word geopend (Mth. 27, 52). 

Sender (sellie) is '1 persoonl. voornaamw. van de derde 
pers. meerv. (zie § 47). Op dezelfde wijze wordt het meervoud 
gevormd in velerlei Kreools. Zo zegt men in 't Papiements 
voor „de huizen" e casnan (cas = huis; nan = zij, hen) en 
in 't Negerfrans van Haiti en Louisiana kaj layo en kay layé 
(cage-la -f- eux). 

In de negertalen van de Slavekust wordt het meervoud op 
volkomen dezelfde wijze gevormd. De pluralis van ame (mens) 
en ape (huis) is amewo, apewo (wo is 't persoonl. voornaamw. 
van de derde pers. meerv.) 2 ). Ik meen dan ook dat het Kreoolse 
meervoud niet uit algemene oorzaken te verklaren is, maar 
door de invloed van de oorspronkelike taal der negers. In 't 
Franskreools van Mauritius en het Portugeeskreools vanCeylon, 
waar de Europese talen niet in aanraking kwamen met 
Afrikaanse talen, vindt men deze meervoudvorming niet. 

§ 46. Vele zelfstandige naamw. komen in de vorm van ver- 
kleinwoorden voor. Van eigenlijke diminutieven kan men niet 
spreken, daar 't zuivere Kreools, wanneer het een verkleining 



') In die teegut sender (G. D. blz. 67) wordt door sender het kolJektief 
teegut tot een meervoudsvorm: de kopjes en schoteltjes door ons veelal 
teegoed genoemd. 

2 ) Henrici, blz. 32. 



N 



95 

wil aanduiden, zich bedient van een afzonderlik woord vóór 
het hoofdwoord geplaatst (klein, beetje). De G. D. zegt (blz. 11) 
dat „de uitdrukking tje tot het uitdrukken van een diminutivum 
meest gebruikt wordt door blanken die Hollands verstaan." De 
G. H. heeft iets dergelijks (blz. 16); beide kennen geen andere 
verkleinende uitgang dan -je en -tje. De teksten tonen echter 
duidelik dat de diminutiva die hun verkleinende betekenis ver- 
loren hebben — een kategorie van woorden die in alle volks- 
talen zeer talrijk is — zo wel op 4e als op -je uitgaan. Men 
leest bankie, bergi en bergje, brokkies, diffie en diefje (duif), 
flessie en flesje, hoffie en hofje, kalfie, pussie en pussje 
(poes, kat), viegie (vijg) enz. Dit naast- en doorelkaar voor- 
komen van de beide uitgangen heeft tot verwarring en 't 
ontstaan van nieuwe slotklanken geleid. Daar de verkleinende 
betekenis van woorden als flessie enz. geheel verloren was 

gegaan (vgl. N. T. D. Mth. 9, 17, volk no due nyw tvien 

na oud leer-flessis), strekte de analogie zich uit tot alle woor- 
den op -ie, en vooral tot de zeer talrijke woorden op -sie. 
Daardoor leest men in de T. P. (blz. 138) pieterselje voor 
pieterselie en in N. T. D. (Luc. 12, 51) rysje voor ruzie *). 
Ook zijn door de genoemde kontaminatie veranderd de uit het 
Frans overgenomen woorden die in 't gemeenzame Nederlands 
op -sie uitgaan, onverschillig wat hun Franse oorsprong is; 
b. v. consciensje (N. T. D. Rom. 2, 15), gasje (soldy, Luc. 
3, 14), nasjes (naties, Openb. 7, 9), obligasje (Luc. 16, 6), 
ordinansje (Rom. 13, 2), penitensje (Mrcs. 1, 4), permisje 
(Handl. 28, 16), pestilensje (Mth. 24, 7), purgasje (G. D. 
blz. 63) enz. enz. Ook in de T. P. leest men dergelijke vormen 
telkens. 

Al deze vormen vindt men in de Deense teksten. De Duitsers 
schrijven in de regel etymologies, dus of, als kenners van 
't Latijn, ordincmtie (N. T. H. Rom. 13, 2), patientie (ibid. 
Mth. 18, 26), presentie (Joh. 20, 30) of, aan de Franse 
taal denkend, confoesie (Ps. blz. 184), noticie (N. T. H. Luc. 



') In dit woord, en in enkele andere, is ook in onze taal verandering van 
suffix waar te nemen. De uitspraak musje, spinaasje (voor ruzie en spina- 
zie) hoort men wel van bejaarde mensen, zonder dat aan gemaaktheid of 
scherts valt te denken (als b\j kofje, foelje voor koffie, en foelie). 



96 

21, 1), patiencie (Luc. 21, 19). In 't woord portion voor 
portie, ded (N. T. H. Luc. 12, 42) hebben de Duitsers onver- 
anderd 't woord van hun moedertaal overgenomen. 

Hoewel ik overtuigd ben dat in vele gevallen de eigenaardige 
uitgang der pseudo-diminutiva en der woorden op -ie, -sie, aan 
de analogie is toe te schrijven, geloof ik toch niet dat men op 
die wijze alle soortgelijke afwijkingen van 't Negerhollands 
moet verklaren. Hoogstwaarschijnlik zijn er ook andere faktoren, 
van fonetiese aard, in 't spel. In 't Negerfrans der Antillen 
komt palatalisatie van de s in alle posities voor (Poyen-Bellisle, 
blz. 24), evenzo in dat van Louisiana (Van Name, blz. 130); 
ook in 't Papiements wordt s -f- i tot sj, een omschrijving 
door Van Name (blz. 150) gegeven (en door de woordelijsten 
bevestigd) die op palatalisatie wijst *). De onderstelling ligt voor 
de hand dat ook in de mond der negers op de Deense Antillen 
-sie tot -sji werd. Het voornaamwoord si (zijn) schrijft Pontop- 
pidan regelmatig sji. Hier is m. i. geen analogie de verklarende 
oorzaak. Moeiliker is 't tot een beslissing te komen bij schrijf- 
wijzen als meeschie (meisje, N, T. H. Mrcs. 5, 41) suschi 
(zusje, G. H. blz. 112), gaschie (soldij, N. T. H. Luc. 3, 14), 
kuraschie (moed, G. D. blz. 76), revanchie (N. T. H. Mrcs. 5, 
41). Hier kan zowel aan een kontaminatie van de uitgang -sie 
met -je gedacht worden, als aan een zuiver foneties overgaan 
van -sie in -sie. 

Het suffix -sji, hoe dan ook ontstaan, heeft zich verbreid 
en een plaats gekregen ook daar waar het Nederlands geen s 
op 't eind der woorden vertoont. Zulk een vervanging van 
suffix vindt men in de T. P., in bitsji (gespeld bitzji) voor 
beetje, kikinsji (kuikentje) en in kominsje (kommetje). Aan 
zulke, in onze teksten op zich zelf staande vormen, zou weinig 
waarde mogen toegekend worden indien men niet overeen- 
komstige afwijkingen in 't Papiements aantrof. Dat ook Pon- 
toppidan, wiens onbekendheid met de geschiedenis der woor- 
den een zekere waarborg geeft dat zijn schrijfwijze foneties 
getrouw zal zijn, molassi en mussie spelt, condisje, consciensje, 
permis je, satisfaksje versterkt de overtuiging dat van een 



l ) Je wordt sje, b.v. kotnmetsje, blinkertsje (colibri), konyntsje, laadsje 
enz. enz. 



97 

geregeld overgaan van -sie tot sjie in 't Negerhollands geen 
sprake kan zijn. De grens tussen de invloed der analogie 
en die van de palatalisering der s kan m. i. niet bepaald 
worden. 

Ik meen dat bij de bespreking van deze z.g. diminutiva en 
vormverwante woorden op-sie een woord naar aanleiding van 
de verschillende vormen voor as, verbrandingsprodukt, op zijn 
plaats is. Men vindt aschies (N. T. H. Hebr. 9, 13), haschis 
of hachis (ibid. Mth. 11, 21; Luc. 10, 13), assisje (N. T. D. 
Luc. 10, 13; 2 Petr. 2, 6), assesje (ibid. Mth. 11, 21; Hebr. 
9, 13). In 't Zeeuws luidt het woord assie (Verschuur, § 152) ; 
de oude vorm is in 't Nederlands asse en komt, gelijk 't Franse 
cendres, als kollektief begrip veel in 't meervoud voor (zie 
Nederl. Woorderib. i. v.). De Kreoolse vorm aschies wijst dus 
op een Zeeuwse meervoudsvorm assies; assisje en assesje 
schijnen ontstaan te zijn uit assie, tot assje geworden, en asse. 
Over de h van haschis vgl. § 4. 

§ 46. Daar het Kreools verbuiging schuwt, heeft het bijvoeg, 
naamw. een onveranderlike vorm, dus die heilig geest, wild 
honing. De Denen schrijven ook een lam (N. T. Mrcs. 2, 4), 
een blind (Mrcs. 8, 23), mie naest (Luc. 10, 29) voor een 
lamme , een blinde, mijn naaste. 

De trappen van vergelijking worden gevormd door meer en 
meest, behoudens enkele uitzonderingen, als beeter, waarvoor 
men ook wel meer beeter vindt (b.v. G. H., blz. 18). De over- 
treffende trap wordt aangegeven door altoeveel, goe en over, 
b.v. em ben altoeveel Meen (hij, of zij, is biezonder klein), 
mi ben over goe bli (ik ben buitengewoon blij, G. H. blz. 19). 

Natuurlik komen in de teksten ook de Nederlandse vormen 
van het bijvoeg, naamw. voor (die goeje vrucht, nywe wien enz.). 

§ 47. 't Persoonl. voornaamw. is in het enkelvoud mi, joe, • 
(h)em, in 't meervoud ons of wellie, jender of jellie, sender 
of sdlie l ). In de Duitse teksten komen wellie, jellie en sellie 
niet voor, ofschoon de G. H. ze vermeldt. De schrijver van 
deze spraakkunst voegt er bij: „nach einem Dialekt wird, wenn 
von Personen die Rede ist, jellie statt jender und sellie statt 



') In de T. P. vindt men de Engelse vormen hint voor hem en we (wi) 
voo* ons. 



98 

sender gesagt, doch ist es meist nur im Nominatif gebr&uchlich. 
Wenn aber von leblosen Dingen oder Creaturen die Rede ist, 
so wird nur sender, nicht sdlie in Plurali gebraucht" (G. H. 
blz. 20). Het „dialekt" waarvan de G. H. hier spreekt is 
het Negerhollands zoals de Deense teksten dat weergeven. De 
G. D. heeft nu een opmerking die maar voor een deel over- 
eenstemt met die van de Duitse spraakkunst. Er staat n.1. (blz. 10) : 
„sender en sellie worden promiscue gebruikt van personen, 
maar van dieren en levenloze zaken wordt alleen sender gezegd". 
Een onderzoek der Deense teksten leert dat de Duitsers nauw- 
keuriger hebben geformuleerd wat daaruit valt op te maken 
dan de Denen zelf. Immers in die teksten vindt men jeUie en 
sellie alleen als onderwerpsvormen, en jender en sender als 
voor werps vormen. Men vergelijke, om een enkel voorbeeld te 
noemen, N. T. D. Mth. 5, 46 en Mth. 6, 16: Wcmt als jellie 
hab sender lief die hab jender lief, wat loon jellie krieg doen? 
Die tollenars ook no due soo ? Maer, als jdlie vast, jellie 
no sal kik sier, glik als die hyklcvrs ; . . . waerwaer mie seg 
na jender, dat sellie hab sender loon tuej. 

Naast jender en sender komt een enkele maal ook de ver- 
korte vorm, jen en sen, voor. Gedrukt heb ik die alleen 
gevonden in Ps. ; de G. H. vermeldt echter die vorm, en ook 
Van Name, blz. 161. 

In 't enkelvoud toont het persoonl. voornaamw. de voor- 
werpsvorm van 't overeenkomstige Nederlandse voornaamw. Mi 
kan bevreemden, daar 't in de algemene, zeer gemeenzame 
spreektaal mijn, en in 't Zeeuws min luidt, 't Wegvallen van 
de n kan toegeschreven worden aan de Kreoolse voorliefde 
voor 't uitgaan op een klinker, doch men zal ook er mee 
rekening moeten houden dat mi een zeer algemeen verbreide 
Kreoolse vorm is, uit het Negerportugees van West- Afrika 
bekend *). 

Joe is de Zeeuwse vorm van 't persoonl. voornaamw. van 
de tweede pers. enkelv. (Kousemaker, blz. 12). Men moet natuur- 
lik niet aan 't Engelse you denken, want vergelijking met 
hetgeen zo straks omtrent de tweede persoon meervoud gezegd 



! ) Zie voorbeelden bjj Schuchardt, Kreol. Stud. I, blz. 19, uit 't Kaap- 
Verdies en 't Kreools van S. Thomé. 



99 

zal worden, zal de voorkeur doen geven aan Zeeuwse herkomst ; 
een zo grote invloed van 't Engels is ook niet waarschijnlik 
in de oudste teksten die wij bezitten. 

De vormen van 't meervoud, ons en tuellie, jellie en séllie 
(ons is ook Zeeuws, en de andere vormen, gewoonlik met u, 
zijn in Nederland welbekend), verdienen hier geen nadere 
bespreking, wel de parallel vormen jender en sender die, ten 
minste bij de Duitsers, ook in de Nominativus voorkomen. 
Van Name (blz. 161) meent dat jender en sender „correspond 
precisely with the Creole French zót (vous auto-es)"; hij ziet 
er dus in „u anderen" en „zij anderen". 

Tegen die verklaring heb ik twee hoofdbezwaren, die blijven 
bestaan ook al leest men niet u en zij anderen, maar je anderen 
en ze anderen. In de eerste plaats berust de vorm zót op een 
speciaal Romaanse, gemeenzame manier van spreken (cf. vous 
cmtres, Ital. voi altri en vooral Sp. vosotros); men zou dus 
niet ter verklaring aan een wijze van uitdrukking die aan 
negers eigen is mogen denken, maar men zou invloed moeten 
onderstellen van 't Frans of Spaans en niet eens van 't Frans- 
kreools, daar immers door sprekers noch hoorders zót ontleed 
werd in zijn samenstelling, die dan toch nagevolgd zou zijn. 
Zulk een invloed van een vreemde Europese taal is al zeer 
onaannemelik. Een ander bezwaar tegen 't aanvaarden van 
Van Name's onderstelling is de mogelikheid om de beide 
vormen uit het Nederlands zelf te verklaren. In 't Zeeuws is 
de meervoudsvorm van 't voornaamwoord der 2 dö en 3 de persoon 
julder, zulder (Kousemaker, blz. 4) en 't Westvlaams heeft, 
behalve deze vormen, nog gijnder, zijnder, met de onbetoonde 
vormen je en ze. 't Negerhollandse jender en sender is nu 
waarschijnlik ontstaan uit een verhaspeling van de onbetoonde 
met de betoonde vorm, of liever uit het streven om de vorm 
zonder nadruk zeer te versterken. Stellig is de gelijkenis met 
de genoemde Zuidnederlandse vormen te groot, dan dat men 
geneigd zal zijn aan een verbinding met het woord „anderen" 
te geloven 1 ). 



') De uitgang -der in julder, zulder enz. heett natuurlik niets met 
„anderen" te maken. In al deze vormen schuilt de genetiefvorm lieder; de 
n in gynder en eijnder is uit de voorwerpsvornien van het enkelvoud 
afkomstig {gijn en zijn). 



100 

§ 48. Het bezittelik voornaamw. van de 3 persoon enkelv. 
is si (nederl. zijn, in de T. P. sji), dat van de eerste pers. 
meervoud ons. Voor 't overige dienen dezelfde vormen als 
persoonl. en als bezittel. voornaamw. 

§ 49. Het aanwijzend voornaamw. is die, onverbuigbaar en 
voor alle geslachten gelijk: Die ben die boek (dit is het boek, 
N. T. H. Mth. 1, 1). Het kan, zelfstandig gebruikt, even als 
een zelfstandig naamw. si achter zich krijgen: die sie moeder 
(die z'n moeder, de moeder van deze, G. H. blz. 21). 

Naast die komt in de beide bijbelvertalingen herhaaldelik 
deese voor (b. v. deese verlies, N. T. Mth. 26, 8; deese water, 
N. T. H. Mth. 26, 9), maar de G. H. verklaart dat het „wohl 
oft in gedruckten Schriften gebraucht, aber in gemeinen Reden 
selten gebraucht" wordt (blz. 22). De G. D. vermeldt het niet 
eens. Hetzelfde geldt van diejeen, degene, dat een enkele maal 
in de vertaling der Duitsers voorkomt (b. v. Mth. 5, 42, 46). 

Ter vermeerdering van nadruk of tot scherpere bepaling vindt 
men somtijds dieselve of dieselvde, waar dus in het Grieks 
avzb tovto of insïvo staat; b. v. : dieselvde dat jender ka kom 
godlik bedroefd (N. T. H. 2 Cor. 7, 11), na dieselvde dag 
jender sal weet (N. T. D. Joh. 14, 20). Misschien is deze 
wijze van spreken niet onbekend geweest aan de blanken; 
zuiver Kreools schijnt ze niet. Zij komt alleen voor in de bijbel- 
vertalingen. 

In het eigenlike Kreools kan die versterkt worden door 
't voorvoegen van da (daar), dus da die (G. H. blz. 22). Men 
vergelijke Het Afrikaansch, blz. 139 vlg. 

§ 50. Het betrekkelik voornaamw. is die; de G. H. noemt 
ook welke, en haalt zelfs een voorbeeld aan uit de bijbel vertaling 
(Phil. 4, 3), maar zulk een op zich zelf staand geval leert niets 
omtrent het werkelik gebruik van de vorm. 

Ook wie komt voor. B.v. Johannes wie sie kop hem ha 
ka lastaen kap af (Johannes, wiens hoofd hij had laten 
afslaan, N. T. D. Inhoudsoverzicht van Math. 14). 

§ 51. Wie, welk (onverbuigbaar), wat of wagoed zijn de 
vragende voornaamwoorden. 

§ 52. Als wederkerend voornaamw. dient het persoonl. voor- 
naamw., in de regel versterkt door toevoeging van het woord 
self. Voor de derde persoon is daarbij zo wel (h)em in gebruik 



101 

als si (zijn), dat ook in Nederland dialekties als persoonl. voor- 
naamw. in gebruik is. Voorbeelden : sellie ha denk bie sender 
sdv (N. T. D. Mth. 21, 25), em ka gie em quaat of em 
ka gie em self quaat (hij heeft zich bezeerd, G. H. blz. 25), 
Jesus ha draej He om (N. T. D. Mth. 16, 23, waar de 
Duitsers schrijven hem om), Jesus ha ruep sie disciplen na 
sie (N. T. D. Mth. 15, 32, Duitsers na hem). 

§ 53. Onbepaalde voornaamw. en omschrijvingen die ze 
vervangen, zijn: allemaal, som (sommige), portie (pcwtie van 
die skriftgdeerden ha seg, (N. T. D. Mth. 9, 3), een (iemand, 
een seg na hem, N. T. D. Mth. 12, 47), een goed (iets, 
ju bruder hah een gut tegen ju, N. T. D. Mth. 5, 23), een 
plek (ergens), niet een mens (niemand), niet een goed (niets)* 
Uit deze omschrijvingen spreekt de neiging om met nadruk te 
spreken die aan 't Kreools eigen is. 

Voor iemand zegt men ook een volk, b.v. lastaan een volk 
loop na hoffie (laat iemand naar de tuin gaan, G. D. blz. 68). 
Dit gebruik van het verzamelwoord om een individu aan te 
duiden herinnert aan 't Papiementse un hende voor iemand 
(Sp. gente), en aan éne doumonde (un dumonde) in gebruik op 
Mauritius voor qudqyCun ; een grijzaard noemt men op dat 
eiland éne vié doumonde. 

§ 54. Het werkwoord kent geen vervoeging; alle vormen 
zijn gelijkluidend ')> onderscheiding van de aard en de tijd 
der handeling wordt aangegeven door partikels, gelijk in alle 
Kreoolse talen. 

Een passivum bestaat niet, al wemelen de Duitse teksten 
van vormen met word, en al worden vele bladzijden der G. H. 
ingenomen door een tot in alle biezonderheden uitgewerkt 
schema der werkwoordsvormen, waarbij, voor 't actief en 
't passief, het „gerundium", het „paulopostfuturum" en dergel. 
niet worden vergeten. Dit is alles geknutsel van grammatici, 
geen waarneming van het gebruik. 

Ook de Denen gebruiken somtijds een naar Nederlands model 
gevormd passivum, doch veel minder. In de spreekwoorden en 
gesprekken komen zulke vormen niet voor. 



') 't Verbum substaotivum is de enige uitzondering, dat helft twee 
vormen: ben en wees (zie § 62). 



102 

Waar wij het passief gebruiken wordt in het Kreools gewoonlik 
de zin in het aktief omgezet. Zo schrijven de Duitsers (N. T. 
Mth. 8, 12); die kinders van die koningrik sal word uit- 
gegooyt na die buttenste dusternis, maar de Denen, meer in 
overeenstemming met het Kreoolse taaieigen, die kinders vom 
die rik, sdlie sal gooy sender na die byttenste dy sternis. 
Sellie betekent hier men, ze, en sender slaat op die kinders 
van die rik, die prolepties reeds bij de aanhef van de zin zijn 
genoemd. Eenvoudiger middel om 't passief van 't oorspronkelijke 
weertegeven volgen de Denen ; ; door werkwoord en woord- 
voeging onveranderd te laten. B.v. Elk boom die no droeg 
gueje vrygt sal kap af (N. T. Mth. 7, 19, de Duitsers hebben 
sal word afgekapt); in de gesprekken volgen de G. H. het 
juistere gebruik: ik wensch vor doop (ik wens gedoopt te 
worden, blz. 49). Zie ook § 60, blz. 107. 

Hoewel de voornaamste negertalen aan de Slavekust ge- 
sproken, insgelijks het passief missen en, ook wanneer de 
verrichter der handeling niet genoemd wordt, die handeling 
aktief voorstellen met het voornaamw. der 3 de pers. meerv. als 
onderwerp, bestaat er hier toch geen aanleiding om aan eigen- 
like ontlening te denken. Daartoe ligt, bij 't streven naar ver- 
eenvoudiging en afslijting dat het wezen vormt van 't Kreools, 
het afschaffen van deze „Luxus der Sprache", gelijk Von der 
Gabelentz het passief noemt, te zeer voor de hand; een zeer 
groot getal talen kent het passief niet *). 

§ 55. De enige en algemene vorm van het werkwoord 
komt in de meeste gevallen uiterlik overeen met de onbe- 
paalde wijs van het Nederlands, ontdaan van de uitgang -en. 
In werkelikheid is die vorm ontstaan op de wijze die ik in 
Het Afrikaa/nsch (blz. 143 vlg.) nader heb omschreven; hij is 
het als stam gevoelde, essentiële deel van 't werkwoord. Veelal 
wordt als zodanig de infinitief gevoeld, die in talen met door 
omschrijving gevormde tijden zo herhaaldelik voorkomt; in 
't Franskreools van Mauritius is aan 't verleden deelwoord 
die funktie toegekend bij vele werkwoorden 2 ). In 't Neger- 

l ) Zie Von der Gabelentz, Über das Passivum (Abhandl. der Kön. Sachs. 
Gesellsch. d. Wissensch. VIII, Leipzig 1860), blz. 455, 464-469. 

J ) Baissac (blz. 49 vlg.) zegt, m. i. ten onrechte, by alle. Ook in 't Papie- 
ments komt vorming naar 't participium voor (Van Name, blz. 155). 



k 



103 

hollands is een enkele maal de vorm van 't verleden deelwoord 
algemeen geworden, b.v. in verloor voor verliezen: wie wil 
bèhou si leev em sal verloor die, en wie sal verloor si leev 
enz. (N. T. H. Mrcs. 8, 35). Het is opmerkelik dat juist dit werk- 
woord ook in het Afrikaans die afwijking vertoont 1 ). Ten onrechte 
heb ik {Hel Afrikacmsch, blz. 147) verloor de „vorm van het 
Imperfectum" genoemd; dat men aan het verleden deelwoord 
moet denken is reeds op zich zelf waarschijnliker en wordt, 
behalve door de analogie van andere talen, nog duideliker bij 
vergelijking van twee andere Negerhollandse vormen, n.1. skaep 
voor scheppen, in Oodt ha skaep (G. H. blz. 39), waarbij 
natuurlik niet aan 't Nederlandse schiep, maar slechts aan het 
deelwoord geschapen kan worden gedacht, en slaeg voor slaan 
{ons sal slaeg mit die sweerd, N. T. D. Luc. 22, 49). 

§ 56. Wanneer een enkele maal, onder invloed van 't Neder- 
lands, een deelwoord in 't Kreools voorkomt, gaat het uit op 
-te (ongervieste, onderwezen, Voorber. van N. T. D. , genooiten, 
N. T. H. Mth. 22, 4). 

§ 57. Van 't allermeeste gewicht voor de kennis van het 
Negerhollandse werkwoord zijn de partikels die de nuances 
van voorstelling en tijdsaanduiding weergeven. Zij zijn Ie, lo 9 
{h)a, sa(l) f ka. Het is niet gemakkelik van al deze partikels 
nauwkeurig na te gaan welke betekenis zij aan 't werk- 
woord geven, en evenmin hun herkomst te bepalen. In zeer 
vele Afrikaanse talen komen soortgelijke partikels voor, zowel 
bij de niet voor vervoeging vatbare negertalen van de Slave- 
kust als bij de Bantu-talen, die niet geheel verstoken zijn van 
't geen wij vervoeging noemen. Dat in zo vele Kreoolse talen 
een dergelijke wijze van werkwoordsbepaling gevonden wordt, 
mag men dan ook wel aan de invloed van de moedertaal der 
zwarten toeschrijven; dat b. v. ook de tegenwoordige tijd aan- 
geduid wordt door een partikel, kan niet verklaard worden uit 
drang naar vereenvoudiging. Maar met dit aannemen van de 
niet-Europeese talen als de oorsprong van het gebruik, moet 
ook het zoeken van een nadere verklaring in die richting 
ophouden. Immers de analogie van andere Kreoolse talen, 



l ) Misschien is de verklaring te zoeken in het minder veelvuldig gebruiken 
van verliezen in het praesens. 



104 

speciaal van het in Afrika en Azië gesproken Portugees en 
Frans, toont aan dat de Kreoolse partikels zelf aan de onder- 
scheidene Europese talen zijn ontleend. Zo zal het ook op de 
Antillen gegaan zijn. 't Is begrijpelik dat de voorstellingswijze 
der negers Afrikaans bleef, maar dat zij woorden (weldra tot 
encliticae verminkt) gebruikten die aan de taal waren ontleend 
der blanken tot wie zij zich moesten richten. Hoewel dus uit 
verschillende Afrikaanse talen gelijkluidende partikels, of „hulp- 
woorden" gelijk men ze noemt, kunnen aangehaald worden als 
de op blz. 103 genoemde Negerhollandse, moeten wij de oor- 
spronkelike betekenis van die Kreoolse woordjes uit de taal 
der blanken trachten optemaken. De gelijkluidende Afrikaanse 
termen hebben allerlei, naar taal of dialekten sterk wisselende, 
betekenissen l ) en kunnen reeds daardoor van geen nut zijn; 
mocht er één taal gevonden worden die dezelfde of bijna 
dezelfde „hulpwoorden" had als 't Negerhollands met soortgelijke 
waarde, dan zou die indentiteit geen toeval kunnen heten, doch 
iets dergelijks is, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet bet 
geval. Wel kunnen wij als leiddraad bij het zoeken naar de 
verklaring der Negerhollandse partikels gebruik maken van de 
mededeling der deskundigen dat die hulpwoorden ontstaan zijn 
uit werkwoorden die zichtbare en wèl omschreven menselike 
handelingen aanduiden, als „gaan", „komen", „ophouden" 2 ). 

§ 58. Le, lo, sa{l). De G. H. zegt (blz. 38) „es war vor 
mehreren Jahren sehr gewöhnlich dass man, wenn man im 
Pr&sens redete, le vorsezte, z. Ex.: mi le loop, ich gehe; joe 
le kik, du siehest; em le slaap, er schl&ft; ons le werk, wir 
arbeiten. So wurde le auch in der ersten Person im Praet. 
Imperf. gebraucht, wenn man antwortete, z. Ex.: da mi a le 
slaap, ich schlief; da mi a le see em, ich sagte ihm. Dieses 
le wurde auch in der 2 ten und 3 ten Person in dem Praet. 
Imperf gebraucht, wann man sich um etwas befragte und da 
brauchte 3 ), z. Ex.: Da joe al le slaa em, schlagst du ihn? 
Da sender a le visch, fischten sie? u. s. w. Heut zu Tage 
aber findet man dieses le in Schriften &usserst selten (ausser 



*) Zie b. v. Torrend, § 892. 

3 ) Torrend, § 873 over het „auxiüary" a, § 965 over ka, § 12 over sa. 

3 ) Zie hieronder, § 70. 



105 

in den alten) und im Reden ist nun das lo mehr gebr&uchlich 
als le, und liesse sich am besten mit dem Englischen do und 
did, oder mit dem altdeutschen thue, that erkl&ren, z. Ex.: 
Em lo kom, er kommt, er thut kommen; mi lo skriev, ich 
schreibe, ich thue schreiben, ich bin im schreiben." 

In overeenstemming met deze mededelingen vindt men in de 
oudste teksten , dus bij Oldendorp en in de G. D. , Ie; in 't 
laatste werk staat bij dit woord alleen dat het „in 't Kreools 
meestal gebruikelik is 't woord Ie vóór 't praesens te plaatsen.' 
Bij Van Name en in de T. P. vindt men alleen lo; de bijbel- 
vertalingen hebben noch Ie noch lo, maar voor 't praesens 
alleen het werkwoord. 

In geen van onze teksten vindt men Ie regelmatig gebruikt, 
zelfs niet in de meerderheid der gevallen; dit geldt ook van 
de G. D. Te vergeefs heb ik gezocht naar een reden waarom 
Ie soms gezet en meestal weggelaten wordt. Verschil tussen 
transitieve en intransitieve werkwoorden, gelijk 't Negerfrans 
der Antillen bij een dergelijke konstruktie maakt *), viel niet 
waar te nemen; ook de verklaring van de G. H., die blijkbaar 
in 't gebruik een streven om met nadruk te spreken ziet naast 
de wens om een begrip als duratief uittedrukken , past niet 
voor alle gevallen, al kon zij dikwels worden aangewend 2 ). Het 
is mogelik dat oorspronkelik Ie elk werkwoord dat de tegenw. 
tijd aanduidde placht te vergezellen, en dat dit gebruik aan 't 
uitsterven was reeds in, de tijd waarin de oudste teksten zijn 
opgesteld. 

Nog moeiliker wordt de bepaling der eigenlike kracht van 
Ie indien men, gelijk Van Name doet, het met lo identificeert, 
daar dit lo ook gebruikt wordt om het op handen zijnde futurum 
aan te wijzen. Tegen deze identificatie van Ie en lo pleit al 
dadelik de vorm, daar lo ongetwijfeld het Nederlandse woord 
lopen (loop) is, en 't zeer onwaarschijnlik moet heten dat daarvan 
de oudere Kreoolse vorm Ie geweest zou zijn. Ik meen dan ook 
dat men de twee vormen moet scheiden. Le is 't oorspronkelike 



>) Poyen-Bellisle, § 93-116. 

') Zoo vindt men in de G. D. blz. 46 vlg. een theologiese uiteenzetting 
van de Drieënheid waarbij de spreker zich voortdurend van le bedient om 
de doorlopende eigenschappen en daden van de Vader, de Zoon en de 
Heilige Geest te vermelden. Zie aldaar, blz. 56, 73, 77. 



106 

teken van 't praesens (misschien afgeleid uit leggen? 1 ); lo is 
't partikel dat het ophanden zijnde futurum aanduidt en, bij 
't in onbruik geraken van Ie, een deel van zijn funktie, n.1. de 
duratieve, heeft overgenomen. Zo leest men in de T. P. : Huso 
die beest lo kom an? (Hoe gedijt het vee?). De vereniging 
van de twee funkties is mogelik geweest omdat men in lo 
steeds gevoeld heeft het woord waarvan het de verkorting is, 
n.1. lopen (niet slechts = cowrir, laufen, maar, evenals in 't 
Afrikaans en in 't Hollands = gaan). In de G. D. (blz. 55) 
vindt men b.v. mie ha loop lej neer for lo slaep gue laet 
(ik ging heel laat liggen om te gaan slapen). Bij T. P. staat 
ook de verdubbelde vorm van lo met soortgelijke, versterkte 
betekenis: mi lolo na taphus (ik loop-loop, of ik ga gauw, 
d. w. z. onmiddellik, naar stad), mi lolo suk stekki sowed gut 
(ik ben aan 't halen, ga of zal halen een stuk pekelvlees). Uit 
dergelijke voorbeelden blijkt tevens hoe nauw aan elkander 
grenzen de aanwijzing van een handeling die bezig is te 
geschieden en een die onmiddellik zal plaats hebben. 

't Meer verwijderde futurum wordt aangeduid door sal, 
't Nederl. zal. Magens heeft het verschil tussen lo en sal wel 
gevoeld, want hij onderscheidt in zijn spraakkunst (blz. 19) 
for lo vervolg (til at forfölge) wat hij 't gerundium noemt 
van for sa vervolg (at skulle forfölge). 

Ook het Papiements drukt het futurum uit door middel van 
het partikel lo, waarin Jesurun (Verslag Gesch. Gen. I, blz. 106), 
gelijk vóór hem reeds Schuchardt (Kreol. Stud. I, blz. 25), 
het Portugese logo (aanstonds, dadelik), dat in meer dan één 
Kreoolse taal het teken van het futurum is geworden 2 ), herkend 
heeft. Schuchardt oppert het denkbeeld dat ook 't Neger- 
hollandse lo (door hem uit de T. P. gekend) dit Curagaose 
woord is; om tweeërlei redenen kan ik dit niet geloven: in de 
eerste en voornaamste plaats pleit er m. i. tegen dat de 
betekenis lopen in lo heeft stand gehouden, en ten tweede wordt 
in het Papiements het futurum anders gekonstrueerd. Daar 
staat n.1. lo vóór het persoonl. voornw. : lo mi bini, ik zal 
komen. Deze wijziging in de konstruktie zou echter geen 



l ) Men denke aan de spreekwijzen leg niet te eaniken, te malen enz. 
") Zie Het Afrikaansch, blz. 52 ; Delgado, blz. 41 en Kreol. Stud. 1 blz. 26. 



i 



107 

bezwaar zijn om 't Negerhollandse lo direkt uit 't Neger- 
portugees af te leiden, want daarin, gelijk in 't Maleisportu- 
gees, staat lo achter 't persoonl. voornaamw. Doch 't eerst 
genoemde argument blijft afdoende er tegen. 

§ 59. Het partikel ha der Denen en a der Duitsers en van 
Camps dient om een handeling aan te duiden die in 't verleden 
plaats vond. Van Name ziet er in „a weakened form of hebben 
(Creole ha)", doch m. i. ten onrechte. In 't Negerhollands is 
ons „hebben" ha(b), maar de klinker in dit woord wijst reeds 
op buitenlandse oorsprong; het is stellig het Spaanse haber, in 't 
Papiements a (insgelijks het teken van de verleden tijd, schoon met 
een andere nuance) geworden. Het Negerhollands heeft a zeker 
aan 't Negerspaans te danken. Over de vorm met h zie men § 4. 

§ 60. Door ka wordt een handeling aangeduid die in 't verleden 
is voltooid. De Deense teksten ('t werk van mensen wier moeder- 
taal het Kreools was!) tonen dat duideliker dan de Duitse, die 
dikwels a hebben waar de eerstgenoemden ka gebruiken. 

Oldendorp zegt (blz. 430): „für ben, seyn, ist es sehrgewöhn- 
lich ka zu brauchen. Z. B. mi ka moe, anstatt mi ben moe". 
Deze funktie van ka is af te leiden uit de betekenis van een 
in 't verleden tot stand gekomen handeling, waarvan een 
toestand in 't heden het gevolg is (Grieks perfektum) ; men dient 
daarbij in 't oog te houden dat in 't Kreools elk woord als 
verbaalbegrip opgevat kan worden. Wanneer men dus leest die 
pampuen no ka rip (T. P. blz. 138), die vier ka yt (G. D. 
blz. 35), hem ha hoppo (op, G. D. blz. 52), dan heeft men 
't recht rip, yt, hoppo weertegeven door rijpen, uitgaan, 
opstaan, (de pompoen is niet tot rijpheid gekomen of is niet 
rijp). Op die wijze is ka gelijk van betekenis geworden met 
is, ook waar 't niet zeker is dat men in 't woord dat er op 
volgde een verbaal begrip heeft gevoeld. B.v. : als volk ka quaet 
na ju (als men boos op je is, G. D. blz. 35). 

Reeds is er op gewezen dat waar wij een passieve vorm ge- 
bruiken het Kreools of de gehele zin omzet of eenvoudig het 
werkwoord onveranderd op zijn plaats laat (zie hierboven, 
blz. 102). Dit laatste geschiedt bij voorkeur in konstrukties met 
ka; de aanleiding is ongetwijfeld dat ka de betekenis van is 
heeft gekregen, waarbij dan het werkwoord, als predikaats- 
bepaling, aktief of passief kan staan. Derhalve leest men: die 



108 

8trikkie no ka maek fraej (de strik is niet goed gemaakt, 
G. D. blz. 78), die boterham sender no ka mie? (Zijn de 
boterhammen niet gesneden?, G. D. blz. 66), als ju ka nooj 
(indien gij uitgenodigd zijt, N. T. D. Luc. 14, 10). Indien 
woorden buiten het zinsverband konden voorkomen, zou dit 
gebruik natuurlik tot verwarring aanleiding kunnen geven. Het 
laatstgenoemde voorbeeld is in dit opzicht leerzaam. In Luc. 14, 
8 en 9 komt ka nooj, dat in vers 10 uitgenodigd zijn be- 
tekent, in de zin van uitgenodigd hébben voor, ja in 't zelfde 
vers (n.1. Luc. 14, 10) leest men de beide betekenissen: 
als ju ka nooj, loop sit na molee (ga aan 't benedeneind 
zitten), dat als hem kom die ka nooj ju, hem sol seg na ju: 
vriend! sit meer hoog na bobo. De Herrnhutters, die veel schoolser 
waren dan Magens, hebben met de gewone vrees voor onduide- 
likheid van schoolmeesters, dit vers aldus vertaald: wa/nneer 
joe word genooit soo loop hen en set joe na die laatste 
plaats, voor dat wanneer em kom die ka nooj em kan see 
na joe: Vriend, set meer hoog nahovo. Dit is duideliker . . . 
voor ons! Of het dat ook voor de negers was, is zeer de vraag '). 

Over de oorsprong van ka is Van Name in twijfel; hij zegt 
(blz. 162): „it is perhaps for gehad, g being made surd by 
the following h; possibly from kom (komen), the Creole repre- 
sentative of worden, or from kaba (Spanish acaba/r), which 
both as a verb „to finish" and an adverb „already" has found 
its way into all the Creole dialects." Het kan, meen ik, niet 
betwijfeld worden dat Van Name's derde onderstelling de 
juiste is. Kaba komt in onze teksten herhaaldelik voor in de 
betekenis gedaan , op, af, naar 't zinsverband met of zonder 
verbaal begrip verbonden. Wen regen kaba (als de regen opge- 
houden heeft, T. P. blz. 135), die ka kabae ('t is op, n.1. 't 
vlees, G. D. blz. 56, vgl. ibidem blz. 75: neen. die ka kabae), 
die kawai ka saddel kaba ('t paard is al gezadeld, G. H. 
blz. 99), mi ka see joe mi gedachten en soo kabaa (ik heb 
je mijn mening gezegd, en daarmee uit! G. H. blz. 99). 

Een partikel uit kaba (van acabar, eindigen, voltooien) ont- 
staan, kan zeker uitmuntend dienst doen om het resultaat van 



*) De plaatsing van ju achter het werkwoord hief voor hen aJle dubbel- 
zinnigheid op. (Zie hierachter, blz. 118). 



109 

een handeling aan te duiden. De oorsprong van ka was echter 
in het bewustzijn der sprekenden niet levendig meer, van daar 
zinswendingen als ka kaba. 

In 't Negerfrans der Antillen komt ook ka voor, en wel als 
partikel dat bij de werkwoorden uitdrukt: „la continuation de 
1'action" (Poyen-Bellisle, blz. 41; St. Quentin, blz. 136, 192, 
193), „a repeated and habitual as well as progressive action", 
„it is used not only where a present or imperfect is required, 
but in the statement of general truths, proverbs and the like" 
(Van Name, blz. 143). Het is duidelik dat dit partikel naar zijn 
funktie aan 't Negerhollandse verwant is; ik meen dat het dit 
ook is naar zijn oorsprong, want de opgesomde betekenissen 
zijn 't best in overeenstemming te brengen met de afleiding 
uit acabar. Poyen-Bellisle (blz. 41) gelooft echter dat dit ka 't 
Portugese ca (hier) is dat Schuchardt heeft teruggevonden als 
partikel bij 't werkwoord in 't Kreools van Annobom (Goudkust) ; 
't gebruik is echter, naar de korte bij Schuchardt (Kreol. Stud. 
VII, blz. 24 vlg.) gepubliceerde teksten te oordelen, anders dan in 
't Amerikaanse Kreools. Hetzelfde Portugese ca nu, zou, naar 
Schuchardt aarzelend oppert (Kreol. Stud. I, blz. 25), ook in 't 
Negerhollandse ka kunnen schuilen. Om de bovengenoemde 
redenen acht ik evenwel afleiding uit kaba waarschijnliker en ik 
geloof dat Schuchardt, die slechts over de T. P. had te beschik- 
ken, na kennismaking met de teksten mij dit zal toegeven 1 ). 

Ter bevestiging van de besproken etymologie kan nog dienen dat 
het Franskreools van 't eiland Mauritius een soortgelijk middel 
heeft om een in 't verleden voltooide handeling aan te duiden, n.1. 
door 't partikel fine (van finir). B.v. mo fme f ante (j ai chs.ntè 9 Bais- 
sac, blz. 26). Ook hier wordt het partikel verbonden met 't werk- 
woord waarvan 'tafstamt: ïhéremovafinefmicausé{quQ.nd f Yheure 
que, j'aurai fini de parier); dit is volkomen parallel met ka kaba. 



') Ik zou willen vragen of het Annobomse ga, indien dit werkelik uit ca 
is ontstaan (Kreol. Stud. VII, blz 12, 25), niet insgelijks van acabar, 
natuurlik van 't Portugese acabar, moet afgeleid worden. In het Maleis- 
Portugees van Tugu (Kreol. Stud. IX, blz. 101) is 't plusquampf. van faay 
(doen), eo ja carva fajie ; dit cawa, en misschien ook het Annobomse aca, 
is een tussenvorm die de overgang van acabar tot ca zeer aanschouwelik 
maakt. Kaba in het Negerengels is waarschijnlik ook van Portugese, ntet 
van Spaanse oorsprong. 



110 

§ 61. In theorie kan men door kombinatie van (h)a met ka 
en met sa(l) een reeks samengestelde tijden vormen, die dan 
ook in de G. D. en de G. H. zijn opgegeven, doch in de 
teksten, vooral in de gesprekken en spreekwoorden, zelden of 
nooit voorkomen. 

De voorwaardelike wijs kan, behalve door (h)a sal, ook 
door (h)a alleen, dus door een eenvoudige verleden tijd, worden 
weergegeven. 

§ 62. Het verbum substantivum heeft twee vormen: bin 
(ben), en, in alle vormen die met partikels verbonden worden 
benevens in de gebiedende wijs, wees. In de T. P. is 't Engelse 
be, naast bin, opgekomen. 

Van Name (blz. 162) zegt dat in 't praesens ook mi en na 
gebruikt worden: Mi en na zijn volgens hem „apparently 
corruptions of bin, arising from indistinct prononciation, but 
the three forms are not used indifferently ; thus to the question 
Wie die bin da? (who is there), the answer is na mi (it is I); 
mi mi fraai „I am well" etc." In de spraakkunsten heb ik 
niets van dit gebruik gevonden en evenmin in de teksten; ik 
geloof dat Van Name de mededeling van zijn zegsman Gamps 
hier niet goed heeft begrepen; zijn etymologiese verklaring 
schijnt mij geheel en al onaannemelik. 

In „mi mi fraai" zie ik eenvoudig herhaling van mi (ik) 
en weglating van de copula *). 

Na kan, dunkt me, niet anders zijn dan een woord dat de 
betekenis heeft van 't fr. voici, dus na mi zou overeenkomen 
met me voici! Dit na vind ik alleen in de T. P. (blz. 135): 
na guj ha/rt mak cahrita sji gat bin nabitti en na groot 
geest mak crabbo no ha kop. Was dit na een voorzetsel dan 
moesten (afgescheiden van de gewrongen betekenis van mak) 
volgens de Kreoolse syntaxis cabrita en crabbo, als onder- 



*) Bij Pontoppidan is in pad mi lang, volgens de vertaling van de 
schrijver (mein Weg ist weit) mi een voornaamwoord. De copula is dus 
weggelaten. Achteraanplaatsing van het bezitt. voomaamw. komt echter in 
't Negerhollands niet voor; misschien moet men vertalen: der Weg ist 
mir weit. 

Volgens Poyen-Bellisle (blz. 48) is mi in 't Negerfrans der Antillen = 
voild, en is 't woord van Portugese oorsprong (zijn verwijzing naar Coelho 
klopt niet). Ik ken geen ander Portugees woord dat in aanmerking komt 
dan 't pronomen van de eerste persoon. 



111 

werpen, vóór het werkwoord staan. Men behoort dus na op te 
vatten als een woord dat het onderwerp guj hart, groot geest 
scherper laat uitkomen, dus zo iets als ons kijk! of 't Eng. 
lo! Ik heb de interpunktie van Pontoppidan echter niet willen 
veranderen en daarom in de bloemlezing na in deze zinnen 
onvertaald gelaten. 

Van mi en na als verbum substantivum kan men dus eigenlik 
niet spreken. Evengoed zou men da zo kunnen beschouwen in 
een zin als da ju geit (ziehier je geld, G. D. blz. 60) of wat 
mie ka praet van ons bierman, da for skeer gek alleen 
(wat ik gezegd heb van onze buurman was alleen om te schertsen); 
ook hier is de copula weggelaten. Over da vgl. § 70 1 ). 

De oorspronkelike betekenis van na is niet te bepalen. Na 
in de zin van ziedaar komt in verschillende talen voor, o. a. 
in alle Balkantalen; het is misschien een reflexuiting van ver- 
rassing en als zodanig behorende tot de internationale taal der 
gehele mensheid. 

§ 63. Het is een eigenschap van elke volkstaal dat voor- 
zetsels, bij- en voegwoorden, in 't algemeen de woorden die 
niet de begrippen zelf uitdrukken maar de verhouding waarin 
zij tot elkander staan, door uitvoerige, dikwels pleonastiese 
vormen worden weergegeven. Deze eigenschap gaat gepaard 
met, en is gedeeltelik een gevolg van, het verwaarlozen der 
vormveranderingen in de zelfstandige naamwoorden en werk- 
woorden; de onderscheiding van personen en naamvallen 
knoopt zich niet vast aan de woorden zelf, maar de nadruk 
wordt gelegd op persoons-, plaats- en tijdsbepaling door zelf- 
standige termen. 

Wat het Kreools betreft, wordt deze waarneming van alge- 
mene aard verklaard door de scherpe zintuigen der onbeschaafde 
volken en hun gering vermogen om afgetrokken begrippen zich 
voor te stellen. De negertalen drukken dientengevolge allerlei 
verhoudingen die wij met één algemeen woord aanduiden of 
ook wel niet aangeven, nauwkeurig uit. „Das Denken des 



') Ook in 't Negerengels kan da schijnbaar „zijn" betekenen, vooral in 
spreekwoorden, b.v. in de verzameling van Wullschl&gel N°. 5, 68, 77; maar 
een zin als Ja, da Tatta dee Gado (Ja, de Vader is God) uit de Christe- 
lijke Leer ten dienste der B. C. Jeugd (Paramaribo, 1855, blz. 2) toont 
dat dee 't verbum substantivum is en da een by woord. 



112 

Westafrikaners, zegt Henrici *), bewegt sich fortdauernd inner- 
halb der Gegens&tze innen und aussen." Ook heeft alle 
Kreools een sterke neiging om met nadruk te spreken ; vandaar 
verdubbeling en verlenging der vormen en voorkeur voor 
omschrijvingen met niet (niet een mem, niet een goed voor 
niemand en niets) want „der negative Ausdruck ist von 
grösserem Gewicht als der positive" 2 ). De eigenaardigheden 
die wij bij alle minder beschaafde sprekers kunnen opmerken, 
komen in de talen die onder de invloed van kleurlingen gekomen 
zijn, veel sterker aan den dag. 

De spraakkunst van Magens (blz. 25 — 33) geeft een lange 
lijst van bijwoorden, voorzetsels en voegwoorden, waarvan vele 
zulke eigenaardige, versterkte vormen vertonen. De schrijvers 
der Duitse spraakkunst hebben die lijst overgenomen, hoewelzij 
getuigen dat vele van die woorden in de geschriften der Moraviese 
broeders niet algemeen gebruikelik zijn ; ook vestigen zij de aan- 
dacht op de afwijkende schrijfwijze, die zij echter in dit hoofdstuk 
grotendeels van hun Deens voorbeeld hebben overgenomen. 

Ik zal hier van deze lijst alleen de woorden meedelen die 
afwijken van de overeenkomstige woorden in het beschaafde 
Nederlands, of die de besproken woordvorming duidelik aan- 
tonen. Gemakshalve behoud ik de indeling van Magens, hoewel 
de schrijver zelf op de gebreken daarvan wijst; inderdaad 
haspelt hij bijwoorden en voorzetsels telkens dooreen. Enkele 
woorden die ik in de teksten vond heb ik bij dit lijstje gevoegd. 

§ 64. a. Bijwoorden van plaats. Naast wae, doe, hie staat 
waeso, daeso, hieso; ook in 't gemeenzame Nederlands kan 
op de woorden waar, daar en hier in 't biezonder de aandacht 
gevestigd worden door er zo achter te voegen. In 't Neger- 
hollands is die achtervoeging bijna regel geworden, overeen- 
komstig de Kreoolse neiging tot emfase. 

Anderplek (elders); na aster, na onder, na middel onder, 
na bobo, na voor, na bittie, na binne, na molee (achter, 
onder, tussen, boven, vóór, buiten, binnen, beneden); na die 
plek, na som plek, na niet een plek, na overal (daar, ergens, 
nergens, overal). 



1 ) Henrici, blz. 38. 

2 ) Schuchardt, Kreol. Stud. IV, blz. 35. 



113 

In het Nederlands wordt, sedert eeuwen, alleen na gezegd; 
naar behoorde reeds in de Middeleeuwen alleen tot de schrijf- 
taal, met die vorm behoeft men dus in het Kreools geen reke- 
ning te houden. Na (Lat. post) wordt weergegeven door aster 
(achter), b. v. sender a kom aster em, zij kwamen na hem; 
ook drukt aster ons nadat uit : aster hem ha ka vergaeder die 
koogpriesters (nadat hij had bijeengeroepen, N. T.D. Mth. 2,4). 

Het Nederlandse na heeft een zeer uitgebreide betekenis 
gekregen ; ik ontleen enige voorbeelden aan de G. H. (blz. 69 vlg.) 
die dit duidelik maken : em a see na mi (hij sprak tegen mij), 
em no ben na hoes (hij is niet thuis), no stoot na die glas 
(stoot niet tegen 't glas), na een hoor nabinne en na die 
cmder ut ('t ene oor in en 't andere uit), na Kreól taal (in 
't Kreools, dus niet volgens of uit het Kreools), pien na kop 
(pijn in 't hoofd). Na als plaatsbepalend woord bij uitnemendheid 
heeft een algemene, en daardoor vage zin; als dan ook de 
plaatselike betrekking zuiver wordt weergegeven wordt na gaarne 
gepreciseerd en men zegt na aster, na binne, na bobo enz. 
Van daar pien na kop, maar em bin nabinne die hoes, hij 
is in 't huis (tegenover na hoes, thuis; ons in is verdwenen). 
Em ka dood voor ons betekent: hij is voor ons, ter wille van 
ons, gestorven, maar em ka dood na voor ons zou wezen: 
hij is vóór onze ogen gestorven. 

Het afwijkend en uitgebreid gebruik van na doet Schuchardt 
(Kreol. Stud. I, blz. 28) aan invloed van 't Portugeeskreoolse 
na denken , dat ook in 't Negerengels en Papiements in dezelfde 
betekenis voorkomt. Daar 't mij onwaarschijnlik dunkt dat 
in 't Papiements na van Hollandse oorsprong zou zijn, gelijk 
Van Name (blz. 158) meent, en ik evenmin kan geloven dat 
't Negerspaanse en Negerhollandse woord niets met elkaar 
zouden gemeen hebben, acht ik zulk een vermenging van ons 
na met het Portugeeskreoolse woord zeer aannemelik. 

Voor te in te paard, te voet zegt men in het Negerhollands 
mee (met), b.v. mi sal loop mee voet, mee katvai, maar ook 
na vut (N. T. D. Mth. 14, 13). 

b. bijwoorden van tijd. Nue en nueso (nu), nuwue, bambaj 
(dadelik), partierees x ) (somtijds), dk dag (dageliks), vrmrue 



l ) Zie de etymologie in het glossarium. 

8 



114 

('s morgens), na haen kraj, dagbreek (heel vroeg), gesterdag 
(gisteren), nogal (nog), morg die dag of morg self (bepaald 
morgen, morgen aan den dag), voor voor (te voren), nunuso 
(zo even), betit en onbetit (bij tijd en ontijde), na tid vor 
kom (mettertijd), nooit niet leevendag, no leevendag, leevendag 
niet l ), gue gou, gou gou (spoedig), altemets (altemet, soms). 

c. bijwoorden van getal en hoeveelheid. Mussie *) veel, 
makander (tezamen), soso (tamelik), almad gut (alles te zamen), 
stompte (kort), heel heel, heet heet (geheel). 

d. bijwoorden van hoedanigheid. Fraej (goed, in zeer uitge- 
breide zin), asterant (brutaal, astrant), voor soso (te vergeefs), 
waer waer (stellig), gue (zeer), swaarlik (met moeite). 

e. vragende bijwoorden. Wa of wagut (wat), wamaék, 
wagut maek, wat for due, voor wa gut (waarom). 

f. bijwoorden van gelijkheid en ongelijkheid. Va/nglik, ookal 
(eveneens), onosoo (anders, lett. of niet zo). 

g. bijwoorden van benadering. Bambaj (haast, bijna), beetje 
mankeer (bijna). 

h. bijwoorden van bevestiging, ontkenning en twijfel. Da 
(daar, zie § 70), no (niet; in 't eigenl. Kreools komt ons niet 
alleen voor in samenstellingen als niet een goed, niet een 
volk enz.), meskien (misschien), kan wees (mogelik). 

i. redegevende bijwoorden. Diemaek, dadimaek (daarom), 
fordimaek, voor door (omdat). 

k. aansporende bijwoorden. Da fraej (goed zo), da sut (bravo). 

1. rangschikkende bijwoorden. Kabae (op, ten einde). 

§ 65. Van de voegwoorden teken ik alleen aanbiealdien en 
nademael (die wij tans alleen kennen als boekewoorden), en 
maskie*) (hoewel). Het onzekerheid uitdrukkende of wordt 
vervangen door as (als) : kik as mi hab tschikki (zie of ik 
een tschikki, insekt, in mijn voet heb). 

In plaats van om gebruikt men voor in zinnen als mi bed 
joe voor een beetje brood, em vraag voor joe (hij vraagt naar 
je), em no keer voor mi (hij geeft niet om mij), ons traan 



l ) Men vergelijke in 't Afrikaans uitdrukkingen als famelewese dag$ 
(Het Afrikaansch, blz. 135). 
') Zie de etymologie in het glossarium. 
3 ) Zie 't glossarium ; niet te verwarren met het Deense tnaaskee (misschien). 



115 

voor em (wij schreien om hem , d. i. wij verlangen vurig hem 
te bezitten; al deze voorbeelden vindt men in G. H. blz. 72). 
Dit gebruik kan een Anglicisme zijn. Men vergl. I ask for 
bread, he asks for you, he does not care for me, we weep 
for him. 

Om het doel aan te duiden laat men voor aan het werk- 
woord voorafgaan, waar men in 't Nederlands zich bedient van 
om. ... te of van een afhankelike zin. B.v. Ons ka kom for 
bid hem cm (we zijn gekomen om hem te aanbidden); mi ka 
see em voor bring die kawai (ik heb hem bevolen om 't paard 
te brengen); die sal wees hard voor joe for skop tegen die 
steekei; maak vor kom gesond, zorg dat je gezond wordt. 

Dit voor staat ook in gevallen waarin wij te of enkel het 
werkwoord zetten, b.v. niet een ha derv for vroeg em meer 
(niemand durfde hem meer te vragen), sender ha begin vor 
wees vrolik (zij begonnen vrolik te zijn). 

In een oudere periode van 't Engels werd ook in die taal 
for vóór 't werkwoord geplaatst op dergelijke wijze; tans is 
dit gebruik tot de platte of zeer gemeenzame taal beperkt. 

D. De samenstelling van de zin. 

§ 66. In 't Kreools worden woorden die met weinig nadruk 
worden uitgesproken met wegvallen bedreigd. Door 't Neger- 
hollands wordt deze waarheid ten opzichte van meer dan een 
woordsoort bevestigd. 

Het lidwoord verdwijnt wanneer het in onbepaalde, alge- 
mene zin gebruikt wordt, en dus weinig klemtoon heeft. B. v. 
Blcm diffie seg: wen regen kaba, mi sal bom mi eigen hus 
(T. P. blz. 135) ; pampuen no kan porie kaïbas (G. D. blz. 34), 
maar die pampun no ka rip mungal (T. P.), omdat hier niet, 
gelijk in spreekwoorden het geval is, aan alle pompoenen ge- 
dacht wordt, maar er van bepaalde vruchten sprake is. Men 
vergelijke verder: wat God ka voeg teesamen malkander, 
mens no sal skej (N. T. D. Mrcs. 10,9; twee verzen vroeger 
staat, in bepaalde zin gebruikt, die mens; ook N. T. Luc. 6, 
44; 2, 7) enz. enz. In uitdrukkingen als beetje [ju no wü sit 
beetje, G. D. blz. 54) is het Nederlandse zelfstandig naamw. ge- 
heel tot bijwoord geworden. 



116 

Ook 't Afrikaans heeft dikwels het lidwoord niet waar wij 
het gebruiken. In de taal der beschaafden moet hier zeker aan 
invloed van 't Engels gedacht worden, doch dat deze faktor 
niet de voornaamste is blijkt uit de taal der kleurlingen, die 't 
allermeest het lidwoord weglaten (vgl. Het Afrikaa/nsch, blz. 
129, 130). In diere verhalen leest men, even als in de straks 
aangehaalde Kreoolse spreekwoorden, van Wolf deur jakhals 
gefop, van Jakhals, duifi en bóbbejacm enz.; mens sou sê 
voor een mens zou zeggen is algemeen. 

§ 67. Ook 't weglaten van 't voegwoord dat in zinnen als 
maak joe kom Idaa/r, mie sal wies jender die no sal loop 
soo (ik zal u tonen dat dit niet zo zal gaan, G. H. 77), is 
aan dezelfde verwaarlozing van 't minder nadrukkelike toe te 
schrijven. Zulk een weglating heeft dan weer bevorderd dat 
zinswendingen als die maék (b. v. in die maek em ben asse- 
rant, eig. dit maakt dat hij brutaal is) als één woord gevoeld 
werden en diemaek volkomen gelijk werd aan ons wamt. Zó 
geheel werd de uitdrukking tot één woord, dat men het ver- 
sterkte, gelijk men elk ander bijwoord deed, en dus sprak van 
fordiemaek in precies dezelfde betekenis. 

§ 68. Het betrekkelik voornaamw. wordt insgelijks, en als 
gevolg van dezelfde neiging, dikwels weggelaten. Die best 
kabritta mi hab (de beste geit die ik heb), joe ka jeet van 
die vrucht mie a see joe no moet jeet (van de vrucht waar- 
van ik gezegd heb dat gij niet moet eten, G. H. blz. 23). 

Het betrekk. voornaamw. kan, voor zover mijn waarneming 
reikt, alleen wegvallen wanneer het niet het onderwerp is van de 
afhankelike zin en deze de betekenis van het antecedent be- 
perkt, dus onder dezelfde omstandigheden waarin 't Deens en 
Engels (restrictive pronoun) het betrekkelik voornaamw. weg 
kan laten. Toch geloof ik niet dat men hier aan invloed van 
een vreemde taal moet denken; het verschijnsel ligt geheel in 
de aard van het Kreools (vgl. St. Quentin, blz. 123). 

§ 69. De copula wordt als iets bij uitstek ondergeschikts 
voor 't redeverband in 't Kreools, gelijk in zovele talen (ook 
Europese), gaarne weggelaten (vgl. § 62). Maar ook andere 
licht te missen werkwoorden ontbreken wel eens; b.v. pdbre 
folluk no fo ha hart bra/n (arme mensen niet te hebben een 
hart dat brandt), wcmneer de wind ris, dom ju f o kik htmdu 



117 

sji gat (dan jij te kijken 't achterste van de kip, T. P. blz. 135). 

Verder kan men wijzen op losse verbindingen als crabbo no 
wemder, kim no kom f et (als de krab niet rondloopt, wordt 
hij niet vet, T. P. blz. 135). 

§ 70. Gelijk woorden met weinig betekenis wegvallen, zo 
worden sterk geaksentueerde begrippen graag ook uiterlik onder- 
scheiden. Het eenvoudigste middel daartoe is wel zulk een 
woord twee keer te noemen. B.v. breek sender ka breek (ze 
zijn helemaal stuk, G. D. blz. 61), loop mie Ie loop (ik ga al), 
sloep mie ka slaep (ik heb werkelik geslapen). Hetzelfde 
gebruik is in 't Afrikaans bekend, b.v. kom sal hij kom voor 
„hij zal zeker komen" [Het Afrikaansch, blz. 117). Het essen- 
tiële woord wordt in beide gevallen prolepties gezet om er 
dadelik de aandacht op te vestigen *). 

Een ander middel om te versterken is het voorop zetten van 
het woord da, ongetwijfeld in zijn oorsprong het Hollandse 
daar. Het geeft niet aan één woord meer nadruk, maar aan 
een gehele gedachte. Bij vragen wordt het veel gebruikt en 
dan in 't antwoord herhaald ; b.v. Da wie Mn daeso ? (Wie is 
daar?) Da mie vrou bin daeso (Mijn vrouw is daar). 

§ 71. De volgorde der woorden in de zin is zeer streng; 
wie er van zou willen afwijken, zou iets geheel anders zeggen 
dan hij bedoelt. De Herrnhutters hebben daarom zelfs in hun 
berijmde vertalingen steeds zo veel mogelik zich gehouden aan 
de juiste volgorde, hoeveel vrijheden en Hollandismen of Ger- 
manismen zij zich ook veroorloofden in woordekeus of morfologie. 
Zij hadden door ervaring geleerd dat juiste konstruktie essen- 
tiëler is dan nauwkeurigheid in 't weergeven der vormen. In 



l ) Dit gebruik is volstrekt niet uitsluitend Kreools, maar aan zeer veel 
volkstalen eigen. In het Zeitschrift f. deutsche Philologie, deel XXXVI 
(1904), blz. 264, komt Landau er tegen op dat men in het Judendeutsch 
„verst&rkung des verbum finitum durch den vorangestellten infinitiv" een 
Hebraïsme noemt, want, zegt hij, dit verschijnsel is niet alleen eigen aan 
't Hebreeuws en zeer gewoon in 't Pools, maar het komt ook voor in het 
Duits. Hy geeft daarvan talrijke voorbeelden, waarvan ik hier alleen aanhaal 
het Berlijnse kriejen krigt er nischt (hy krijgt niemendal). Men zie ook 
de Bo (blz. 458), die insgelijks verschillende voorbeelden opsomt, o. a. het 
regende gedurig regenen, het vroos onze g gelijk vriezen, waarbij niet in 
prolepsis, maar in herhaling het middel tot vermeerdering van nadruk 
wordt gevonden. 



118 

hun spraakkunst wordt uitvoerig gehandeld „von der Ordnung 
die Worte eines Satzes hinter einander zu setzen" (blz. 82 — 93). 
Ik deel daarvan mee 't geen voor ons, als afwijkend ook van 
't Nederlands taaieigen , opmerkelik is ; als men 't overtollige — 
en dat is het meeste — weglaat, is het gebruik onder een 
paar regels te brengen: 

a. Hoofdzaak is dat het onderwerp vóór het werkwoord 
komt. Die man die ka kik ons betekent „de man die ons 
gezien heeft", die man die ons ka kik is „de man die wij 
gezien hebben". Het voorwerp kan wel vóór 't werkwoord 
staan, maar moet dan ook vóór 't onderwerp staan, dus, als 
't ware prolepties, aan 't begin van de zin. B.v. een séttie ha 
sloeg , moer een ander sellie ha maek dood, maer die derde 
sellie ha steenig (een sloegen ze, een andere doden ze, een 
derde steenigden ze, N. T. D. Mth. 21, 35). Deze konstruktie 
komt alleen in de meer literaire teksten voor; ik weet niet of 
ze wel tot de levende taal behoorde, maar tegen 't hoofd- 
beginsel van de Kreoolse syntaxis strijdt ze niet. 

Van de hier aangegeven volgorde wordt nooit afgeweken; 
inversie heeft dus niet plaats, zelfs niet in vragende zinnen; 
b.v.: voor wat joe loop wee? (waarom ga je weg?). In deze 
zin is 't vragende karakter nog uitgedrukt door 't bijwoord, 
maai' ook waar een dergelijk woord ontbreekt, blijft de volg- 
orde ongerept. Joe kik die vrouw kan betekenen „je ziet de 
vrouw" en „zie je de vrouw?" Verhoging van de stem aan 't 
slot moet hier de bedoeling uitdrukken. 

Somtijds wordt een vraag ingeleid door 't aandacht vragend 
da (zie § 70), dat dan bij 't antwoord herhaald wordt. 
Volgens de G. H. (blz. 92) kan men nog 't vragend karakter 
duideliker doen uitkomen door dan achter het werkwoord te 
plaatsen, b.v. Joe kik dan deese vrouw? In de teksten heb 
ik geen bevestiging van deze mededeling gevonden. 

b. De woorden die de aard van de handeling bepalen staan 
onveranderlik vlak vóór het als werkwoord fungerend woord, 
derhalve in de eerste plaats de partikels (h)a, ka, lo, sa(l), 
de hulpwoorden wil, kan, moet enz. en ook no, niet. Zij zijn 
onafscheidelik met het werkwoord verbonden; no vormt als 't 
ware een nieuw, negatief begrip van 't werkwoord, vermeerderd 
met het woord dat het nader bepaalt. Vele Afrikaanse talen 



119 

hebben afzonderlike vormen voor ontkennende werkwoorden; 
't lag dus in 't taalgevoel der negers om niet ergens een 
ontkennend woord te plaatsen, maar, analoog met hun partikels, 
't gehele verbede begrip als negatief te karakteriseren. Ook hier 
is 't weer de „innere Sprachform" die aan het vaderland der 
negers herinnert. 

Ook sommige adverbia kunnen op die wijze lussen 't onder- 
werp en 't gezegde geplaatst worden, wanneer hun verband 
met de handeling duidelik in 't licht gesteld wordt; natuurlik 
mogen zij niet tussen 't partikel, 't hulpwoord of no en 't 
hoofdwerkwoord staan. 

Een paar voorbeelden van deze vastheid in de volgorde 
zullen voldoende zijn. Mie ka kik die vrouw; dietid mie ka 
kik die vrouw (ik heb de vrouw gezien; toen ik de vrouw 
gezien heb) ; mie no wil (kan, moet) jeet meer (ik wil enz. 
niet meer eten); die mens no sal leev van brood alleen enz. 
Elke bladzijde van de bloemlezing doet soortgelijke voorbeelden 
aan de hand. 

De G. H. (blz. 90) noemt als adverbia die ook vóór 't 
werkwoord staan nooit, graag, swaarlik, quaalik, doch. 
B. v. : mi nooit ka kik die, mi graag sal doe die. Deze zinnen 
herinneren aan 't Engelse gebruik om adverbia die een. onbe- 
paalde tijd aanduiden en adverbia van wijze vóór het werk- 
woord te plaatsen (I never did it, I easily saw it); toch is ei* 
van een Anglicisme geen sprake, want in samengestelde tijden 
wordt in 't Engels het tijdaanwijzend adverbium na 't eerste 
hulpwerkwoord geplaatst, en in 't tweede voorbeeld staat 't 
adverbium eenvoudig vooraan om niet tussen gezegde en voor- 
werp te komen: bij zinnen zonder voorwerp wordt het niet 
vóór 't werkwoord en achter het onderwerp geplaatst. 

c. Nederlandse werkwoorden die met scheidbare voorzetsels 
zijn samengesteld hebben in 't Kreools steeds 't voorzetsel 
achter 't hoofdwoord. Dus : mi sa due an mi rok (ik zal mijn 
rok aandoen), aster hem ha ka sit neer (toen hij neergezeten 
was). Bij sommige woorden die in onze taal onscheidbaar zijn 
verbonden wordt dezelfde plaatsing waargenomen : ons ka kom 
for bid hem an (wij zijn gekomen om hem te aanbidden). 
9 t Lot werpen (loten) vatten de Kreolen op als één woord; 
daarom staat (N. T. D. Joh. 19, 24) no lastaen ons snie die 



120 

na stik , moer gooj lot vor die van wie die sal wees. Vergelijk 
verder: die stier em na si veld vor passop die verkens 
(N. T. D, Luc. 15, 15), soo dikwils mi dink op na jender 
(N. T. H. Philipp. 1, 3). 

§ 73. Periodes maken Kreoolssprekende mensen niet. De 
beschouwingen van de G. H., die tot allerlei biezonderheden 
afdeden, hebben alleen betrekking op de schrijftaal der bijbel- 
vertaling; buiten de onverwrikbare regels die ik hierboven uit 
teksten heb opgemaakt, bestaat dezelfde vrijheid als in onze 
spreektaal. 

Op een paar eigenaardigheden moet men nog letten. Geen 
onderscheid wordt gemaakt in de konstruktie van afhankelike 
zinnen en van hoofdzinnen en ook niet tussen onderschikkende en 
bijschikkende voegwoorden {omdat en want zijn beide fordie- 
maek); wanneer men dus zegt mi verkoop die kawaj ga/uw 
(ik verkoop het paard gauw) zal men ook, dezelfde gedachte 
voorwaardelik uitdrukkend, zeggen: as mi verkoop die kawaj 
gauw. 

Gelijk alle volksteden vertoont het Kreools een sterke voor- 
keur voor bijschikking door middel van een tweede hoofdzin 
boven onderschikking. Een goed voorbeeld geeft N. T. D. 
Math, 26, 15: wat jullie wil giev mie, en mie sal verraedt 
hem na jender P 



V. 

In de vorige hoofdstukken is herhaaldelik gewezen op punten 
van overeenkomst tussen het Negerhollands en het Afrikaans; 
het glossarium zal gelegenheid geven sommige van die paral- 
lellen ook in de woordeschat te volgen. Het zou misschien 
wel de moeite waard zijn de beide talen eens systematies en 
in alle onderdelen te vergelijken, doch dit vrij uitvoerig onder- 
zoek valt buiten het kader van dit boek. Toch kan ik niet 
nalaten hier de hoofdtrekken aan te geven van het plan dat 
men m. i. bij die vergelijking zal moeten volgen; er zal uit 
blijken welke slotsom ik opmaak uit de gevolgtrekkingen ten 
opzichte van het Afrikaans die de studie van het Negerhollands 
aan de hand doet. 

Bij het bespreken der verschillende proeven van Negerhollands 
heb ik er reeds op gewezen dat een Europese taal in zeer 
verschillende graden een Kreools karakter kan aannemen. Indien 
wij het Afrikaans naast het Negerhollands der slaven plaatsen 
zien wij de twee uiterste termen van de reeks die van Neder- 
lands tot Kreools voert; het Afrikaans staat aan 't begin van 
de rij; als tussenterm, maar reeds dicht bij het eind gelegen, 
kunnen wij 't Negerhollands der Blanken op de Deense Antillen 
beschouwen, terwijl de taal van hun slaven alle eigenaardigheden 
van eigenlik Kreools vertoont. Ik heb in een vroeger geschrift 
betoogd dat het Afrikaans „halverwege is blijven staan op den 
weg om Kreools te worden" en uitvoerig trachten aan te tonen 
door welke oorzaken dit proces is gestuit 1 ). Ondanks dat 
verschil in de loop der gebeurtenissen kan men uit de gelijk- 
soortige ontwikkelingsgeschiedenis de volgende punten van 



l ) Het Afrikaansch, blz. 155; 69—75. 



122 

overeenkomst tussen de taal van onze vroegere Kaapkolonie en 
het Negerhollands vaststellen: 

1°. In Afrika en in Amerika is een mengeltaal ontstaan uit 
ons Nederlands; de overgrote meerderheid der woorden van 
beide talen is dan ook aan onze taal ontleend, en de klanken 
zijn in hoofdzaak Nederlandse klanken. 

2°. Het Nederlands dat ten grondslag ligt aan beide talen 
is onze taal zoals die in de 17 de taal door de eenvoudige 
burgerij en door het scheepsvolk gesproken werd. Wie dus 
Afrikaans of Negerhollands histories wil bestuderen en verklaren, 
mag zich niet tevreden stellen met de kennis van onze beschaafde 
spreektaal, nog minder met het lezen van onze deftige schrijvers, 
maar hij moet — dat kan niet genoeg herhaald worden — 
ook gemeenzaam , ja plat Hollands leren door 't beluisteren der 
hedendaagse volkstaal en door 't lezen der zeventiende-eeuwse 
kluchten en pamfletten. Veel wat eerst niet-Nederlands klonk 
wordt dan herkend als ons bezit, Germanismen vooral verdwijnen 
en tal van woorden in beide talen blijken — gelijk in alle 
Kreoolse of Kreoliserende idiomen — aan 't zeemansbedrijf 
ontleend te zijn. 

3°. In Afrika en in Amerika is 't Nederlands veranderd 
onder invloed van een vreemde taal. Aan die gelijkheid van 
de oorzaak der verandering danken de beide talen hun, in 
graad verschillende, maar in 't wezen der zaak gelijksoortige 
vereenvoudiging, het afleggen van bijna alle elementen van 
buiging en vervoeging, in één woord al datgene wat, naar de 
theorie van Co el h o, door psychologiese verklaring van alge- 
mene aard duidelik gemaakt kan worden. 

En tans de punten van verschil! In de eerste en voornaam- 
ste plaats moet er op gewezen worden dat in Afrika de faktoren 
tot taaiverwording tot op zekere hoogte werden geneutraliseerd 
door omstandigheden die verband met de oorspronkelike taal 
bevorderden. Verder lag aan 't Negerhollands een ander dialekt 
ten grondslag dan aan 't Afrikaans *), en eindelik was het 
ontstaan van 't Kreools der Antillen veroorzaakt door andere 



l ) In het Album Kern, (Leiden, 1903, blz. 245 vlg.), heeft Dr. G. J. 
Boekenoogen m.i. overtuigend aangetoond dat hoofdzakelik het dialekt der 
bewoners van Zuid-Holland in het Afrikaans terug gevonden wordt. 



A 



123 

taten dan het Maleis-Portugees, dat zo sterke invloed op onze 
taal in Zuid-Afrika heeft geoefend. Van dit laatste zijn eigen- 
aardige verschillen het gevolg die op de wijze, door Adam 
eenzijdig toegepast, verklaard moeten worden. 

Men ziet dus dat de beide bovengenoemde theorieën ieder 
een deel waarheid bevatten en alleen verwerpelik worden wan- 
neer zij, gelijk door Coelho en Adam geschied is, worden voor- 
gedragen als de oplossing gevend van 't gehele vraagstuk, als 
lopers op alle sloten. 

Er zijn nog altijd — hoewel niet in Nederland, voor zover 
ik weet — enkele geleerden die aan een „spontane" overgang 
van Nederlands tot Afrikaans geloven 1 ). Hoe dat mogelik is 
voor iemand die dergelijke vraagstukken bestudeerd heeft, ver- 
klaar ik niet te begrijpen. Wil men zich vóór ogen stellen 
hoe de taal wordt van een volkplanting die los raakt van 't 
moederland, een taal dus die z.g. aan zich zelf is overgelaten, 
dan beschouwe men het Frans van Canada. Langer dan onze 
taal in Zuid-Afrika is 't Frans in Canada inheems; de Franse 
bevolking is sedert 1763 officieel van 't stamvolk gescheiden; 
zij heeft in haar patriarchale neigingen veel karaktertrekken 
met de Afrikaanders gemeen, zodat vergelijking van de beide 
gevallen, bij onmiskenbare punten van verschil, zo gerecht- 
vaardigd is als vergelijking wezen kan: welnu, hoe is tans de 
verhouding van de taal der z.g. „habitants" van het Domi- 
nion tot de gemeenlandse taal der Fransen in Europa? Andere, 
aan Normandië herinnerende klankwaarde van oi, ai y ei, eu, 
un, een groot aantal Engelse woorden in de konversatie en 
sommige wijzigingen van semasiologiese aard, ziedaar alles 



') Dit schijnt b.v. de mening te zijn van Dr. H. Meyer-Benfey (Preus- 
8i8Óhe Jahrbücher, 1904, blz. 216), die mij wel toegeeft dat veel woorden 
aan het Maleis- Portugees zijn ontleend, doch daarbij voegt: „Einfluss des 
Kreolischen auf den grammatischen Bau der Burensprache scheint mir 
dagegen in keinein Punkt erwiesen oder an zu nehmen notwendig, vielmehr 
dürfte für die bestehenden Ahnlichkeiten stets eine andere Erkl&rung zulftssig 
und vorzuziehen sein." Het spijt mij buitengewoon dat de heer Meyer-Benfey 
geen enkel proefje heeft gegeven van zulk een betere verklaring! Tot nader 
orde kan ik zijn door niets gestaafde verzekering niet inruilen voor de be- 
wijzen van instemming die ik mocht ontvangen van deskundigen als Hugo 
Schuchardt te Graz en Prof. Brill te Bloemfontein, om alleen buitenlandse 
geleerden te noemen. 



124 

wat de twee talen onderscheidt l ) ; van verschil in vormleer is 
geen sprake, normalisering der onregelmatige werkwoorden 
b.v. vindt men er niet. Het is waarschijnlik dat onze taal in 
Zuid-Afrika niet verder was afgeweken van 't Nederlands indien 
de geografiese gesteldheid geen ingrijpende invloed van de 
Indiese haven- en slavetaal teweeg had gebracht. 

Hoe dit zij, in West-Indië vindt men een voorbeeld van 
wat geschiedt wanneer, bij nog groter afzondering van een 
volkplanting, nog inniger en langduriger aanraking met een 
vreemde taal zich laat gelden. 

Niemand zal het wagen de formatie van het Negerhollands 
toe te schrijven aan de „spontane" ontwikkeling van het 
Nederlands; mij dunkt dat, wanneer men dit idioom heeft 
leren kennen, een dergelijke verklaring voor het Afrikaans 
weinig minder ongerijmd wordt. Ik ben niet blind voor de 
belangrijke punten van verschil die tussen beide talen bestaan, 
doch ik vertrouw dat zij die nog mochten twijfelen aan de 
betekenis van het Maleis-Portugees voor de vervorming van 
onze taal in Zuid-Afrika, evenmin hun ogen zullen sluiten voor 
de zo scherp zich aftekenende punten van overeenstemming. 
Daarom meen ik in deze studie de bevestiging te mogen zien 
van 't geen ik indertijd aangaande het Afrikaans bedoelde te 
bewijzen. 



J ) Zie Réveillaud, Histoire du Canada, Parys, 1884, blz. 521 — 543. Ver- 
moedel ik spreken de z.g. „Bois-Brulés", de afstammelingen der oude 
„Coureurs des Bois" bjj Indiaanse vrouwen, wel een sterk afwy kende taal, 
doch daarover ontbreken mij alle gegevens. Mocht nujn onderstelling juist 
zijn, dan zou ze tot staving van mijn theorie kunnen strekken. 



BLOEMLEZING 



EN 



GLOSSARIUM. 



Omtrent de inrichting van de Bloemlezing en het Glossarium 
heb ik, behalve 't reeds op blz. 47 vlg. gezegde, nog 't volgende 
op te merken. 

Ik heb alle Spreekwoorden opgenomen die ik leerde kennen. 
Pontoppidan deelt ze mee zonder vertaling, doch soms met een 
verklaring; in de G. D. zijn ze niet vertaald maar omschreven, 
een enkele maal door Deense equivalenten. Bij beide kategorieën 
heb ik voor een vertaling gezorgd, doch in de tekst er alleen 
een verklaring bijgevoegd wanneer die kon berusten op een 
aanwijzing van Pontoppidan of Magens. In de noten heb ik 
enkele equivalenten uit het Negerengels, ontleend aan de ver- 
zameling van Wullschlftgel, geplaatst. 

Van de Samenspraken uit de G. D. heb ik alleen ter zijde 
gelaten het gesprek tussen een zendeling en een neger waar- 
over ik hierboven, blz. 37, gesproken heb. In de G. D. zijn alle 
samenspraken vertaald ; ik heb dat voorbeeld gevolgd. Overbodig 
scheen mij een vertaling van de korte proeve die ik aan de 
G. H. ontleende ; natuurlik gold hetzelfde omtrent de vertalingen 
uit het Nieuwe Testament en het „Psalmboek". 

Ik heb mij overal aan de schrijfwijze der oorspronkelike 
verzamelaars gehouden ; de op blz. 40 aangeduide veranderingen 
in de zeer onregelmatige spelling van Pontoppidan heb ik, bij 
nader inzien, geschrapt. 



A. Taalproeven van Pontoppidan (T. P.) 



Spreekwoorden en zegswijzen. 



Kakerlaker no ha bestel na 
hundu sji cot. 



Kakkerlakken hebben niets te p. 135. 
maken in 't kippehok. Wie 
zich met een anders zaken 
bemoeit loopt in zijn ongeluk. 



Hundu suk makutu, makutu De kipt zoekt de mand, en de 
tu him. mand sluit zich over haar 

(houdt haar gevangen). 

Pad mi long, geambo drog na Mijn weg is lang, de geambo 
sji boom *). verdroogt op zijn boom. 



Blau diffie seg : wen regen caba, 
mi sal bau mi eigen hus 2 ). 



De blauwe duif [een vogel die 
geen eigen nest maakt] zegt : 
als de regen voorbij is, zal 
ik mijn eigen huis bouwen. 



') Vgl. Negerengels: Pasi langa, okro dr e na boom (wanneer de weg, 
naar de kostgronden, lang is verdroogt de okro, een vrucht, aan de boom, 
vóór men de tijd heeft te komen , Wullschlagel n°. 495) ; derhalve ons spreek, 
woord ver van je goed, dicht bij je schade» 't Negerhollandse spreekwoord 
zal wel hetzelfde betekenen. 

s ) Vgl. Negerengels: Areentem tingi-fowloe wani meki hoso: dre tem 
a de vergiti (in de regentijd wil de gier, de stinkvogel, een huis maken, 
maar in het droge jaargety vergeet hy het. Wullschlagel (n°. 31) geeft hierbij 
de verklaring: in de nood belooft iemand veel, later is hy 't vergeten. 

9 



130 



Pobre folluk no f o ha hart bran. Arme mensen moeten 

warm hart hebben. 



geen 



Hundu seg: mi kan sweer for De kip zegt: ik kan zweren 
mieju,ma no fo mi kikinsji. [instaan] voor mijn ei, maar 

niet voor mijn kuiken. 



Na guj hart mak cabrita sji gat 
bin nabitti. 



Pobre no bin fraj. 



Haar goede hart maakt dat het 
achterste van de geit naar 
buiten staat (vgl. § 58). 

Arm is niet goed. 



Wanneer de wind ris, dan ju Als de wind opsteekt kan je 

fo kik hundu sji gat. 't achterste van de kip zien. 

Na groot geest mak crabbo no Zijn grote geest maakt dat de 

ha kop. krab geen kop heeft (vgl. §58). 



Wanneer jekké sji flegon ha 
breek, dan him suk fo how 
geselskap mit hundu. 



Wanneer 't paarlhoen zijn vleu- 
gel heeft gebroken, zoekt het 
de kip gezelschap te houden. 



Cocro nobang Slang, Slang no De krokodil is niet bang voor 
bang cocro. de slang, en de slang is niet 

bang voor de krokodil. 

Water kok f o fes, fes no weet. 't Water kookt voor de vis, 

maar de vis weet het niet. 



Kuj sji horn noit sal ben swar 
for him drag. 



De hoorn van de koe zal voor 
haar nooit te zwaar zijn om 
te dragen. 



Bergi mit bergi no kan tek, ma De ene berg komt met de andere 
twee mens sal tek 1 ). berg niet in aanraking, maar 

twee mensen wel. 

! ) Negerengels (Wullschlftgel n°. 81): Bergi nanga bergi no de mit 
makandra, ma soema nanga soema sa miti makandra. 



131 



Mata mumma, du die before 
die kint, him sal jeet; ma 
mata kint, du die before 
mumma, him na sal jeet, 
him sal kris. 



Dood de moeder en zet haar 
aan het kind voor, dan zal 
het haar opeten; maar dood 
het kind en zet het aan de 
moeder voor, dan zal zij het 
niet opeten, zij zal schreien 1 ). 



Wat ple ju bottle bin, mi Waar jouw fles is, is mijn glas. 
glas bin. 

Een man dodt, een ander man De ene zijn dood is de ander 
brod. zijn brood. 

Ekke man suk sji eigen wif. Niemand vrijt naar zijn eigen 

vrouw. 



Man dodt, besjet gurri na sji Wanneer iemand dood is, groeit 
door. er gras voor zijn deur. 

No fordimak pussje wander Niet omdat de poes rondloopt 
him fang rotter. vangt ze ratten. 



Crabbo no wander, him no kom 
fet; as him wander attofel, 
him sal loop na pot. 



Wanneer de krab niet rondloopt 
wordt hij niet vet ; als hij te veel 
rondloopt, loopt hij in de pot. 



Samenspraak. 



Morruk, cabé, huso ju be die Goeie morgen, kameraad, hoe p. 137 
frufru? gaat 't van ochtend? 



Dank, mi be fraj. 



Dankje, ik ben wel. 



l ) Ik heb op gezag van Pontoppidan aldus vertaald, ofschoon 't Kreools 
recht geeft om een minder barbaarse opvatting te verdedigen, n.1. ei} (het) 
sal haar (zijn) eten laten staan. 



132 

Huso ju slaap dunko? Ju ka Hoe heb je van nacht geslapen? 
drum enista fraj? Heb je wat moois gedroomd? 



Mi no ha slaap fraj, mi ha ha 
pin na mi tan , ma die fru die 
be mussie better, dank God. 



Ik heb niet goed geslapen, ik 
heb kiespijn gehad, maar 
van ochtend is 't, Goddank, 
veel beter. 



Ju aht to fo loop na die doctor Je moest na de dokter gaan 
fo trek die tan na bitte. om de kies te laten trekken. 



p. 138. Mi addu wak bitzji meer, fo 
kik as die tan sal pin mi 
weeran, dan mi sal loop fo 
trek die. 



Ik wacht liever noch een beetje 
om te zien of de kies me 
weer pijn zal doen; dan zal 
ik hem gaan laten trekken. 



Wat ju sal jeet fo frukost Wat eet je vandaag als ontbijt? 
van dag? 

Mi sal ha stof fleis mit bateta Ik krijg gestoofd vlees met 

en dan ene kominsje te. aardappelen en een kommetje 

tee. 

Cabé Meria, ju loop na ju grun Kameraad Meria (?), ga je naar 

fo lo peck geambo en dig je akker om geambo te pluk- 

bateta? ken en bataten te rooien? 



Die pampun no ka rip nungal, 
j||te die manskin ful. Die peter- 
j Jselje^no bin fraj nungal fo 
snie. 



De pompoenen zijn nog onrijp, 
totdat het volle maan is. De 
pieterselie is nog niet goed 
om te snijden. 



Huso die beest lo kom an? Hoe komt het vee aan? 



Die how cirj *) bin fol, en sal 
gaw ha calluf. Die boricka 
ka marro en calo over die 



De koe is drachtig en zal gauw 
een kalf krijgen. De ezelin 
is er van door en holt over 



') Ongetwijfeld drukfout voor cuj, 't woord dat enige regels lager voorkomt. 



133 



bergi; mi ka stier die jung 
fo lo fang die. Die farki bin 
na cot, mi lolo suk bateta- 
tow fo jeet fo die. Een cuj 
ka kom over die barcad en 
ka destroi alga die jung 
plantsoon; wen mi fang die 
mi sal drag die na fort, mak 
die eigenaer betal. Mi lolo 
na taphus, mi lolo suk stekki 
sowed gut fo mi goj na pot. 



de berg(en); ik heb de jongen 
gestuurd om haar te vangen. 
De varkens zijn in 't hok, ik 
ga batatewortels zoeken tot 
voedsel voor ze. Een koe is 
over de afscheiding gekomen 
en heeft 't hele jonge plant- 
soen vernield; als ik haar 
pak zal ik haar naar het fort 
meenemen, en de eigenaar 
laten betalen. Ik ga naar 
stad om een stuk pekelvlees 
te halen om in de pot te doen. 



Wat ju sal ha fo dinner? Wat krijg je voor middagmaal? 



Mi no weet, mi wel bak fes 
mit bak banana; wen mi no 
ka ha ander, mi jeet sowed 
gut mit funchi. 



Mi wonder, as di ha eniste 
nyw na taphus; mi mankee 
loop fo weet die nyw, as mi 
kom na plantaj; fordimak 
we ha werk f o du na plantaj. 
Wi ha fo loop na camina 
fo lo plant die sukustok. 



Ma biren, die pot lo brau. 



Ik weet het niet, ik houd van 
gebakken vis met gebakken 
bananen ; als ik niets anders 
kan krijgen, eet ik pekelvlees 
met meelspijs. 

Ik ben benieuwd of er wat 
nieuws is in stad; want als 
we op de plantage komen 
moeten we lopen om nieuws 
te horen; want we hebben 
werk te doen op de plantage. 
We moeten naar 't veld gaan 
om het suikerriet te planten. 

Maar buurman, de pot kookt 
over. 



Du die na grun te mi hoppo. 
Mi lo prat mit die mester, 
ma mi sal kom kik na die 
miselluf. 



Zet hem op de grond tot ik 
op ben (?). Ik ben aan 't 
praten met de meester, maar 
ik zal er zelf naar komen 
kijken. 



134 

Mi sal groot te asteran mi sal Ik zal (je) groeten tot ik terug 
kom weeren. zal komen. 



Adiós. 



Goeien dag. 



B. Teksten ontleend aan de Spraakkunst 

dep Denen. (G. D.) 



Spreekwoorden en zegswijzen. 

p. 34. Pampuen no kan parie Kalbas. De pompoen kan geen kalebas 

voortbrengen. De appel valt 
niet ver van de boom. 



Branmier val na Malassie, da 
sut hem ha vind *). 



Hunder weet sie Nest. 



De mier valt in de molasse, 
omdat ze die zoet vond. Hij 
krijgt zijn verdiende loon. 

De kip kent haar nest. Hij kent 
zich zelf. 



Hunder wil si Kikkentje alte- 
veel. 



Mie bin pover Kakelak, mie 
no hab Regt na Hunderkot 2 ). 



De kip houdt veel van haar 
kuiken. Hij houdt veel van 
zijn kinderen. 

Ik ben een arme kakkerlak, 
voor mij is geen recht in 
't kippehok. Ik moet lijden 
voor mijn armoede. 



l ) Pontoppidan heeft dit spreekwoord ook, maar schry ft brambi en molassi. 

s ) Vgl. Negerengels: kakraka no ha reti na fouwloe mof o (voor de 
kakkerlak is er geen recht in de snavel van de kip), met de verklaring: 
wie de macht heeft, heeft het recht (Wullschftgel N°. 318). 



Ai 



135 



Hogo no hab Deer *). 



Leelik Volk hab fraej gut. 



Mie jammer Ju tee mie kries 
Ju, tee mie neem Steen veeg 
mie Hogo. 



Hont hab vier Vut, no kan 
loop twee Pat. 



't Oog heeft geen deur. Ik kan 
er niets aan doen dat ik 't zie. 

Lelike mensen hebben mooie 
dingen. De slechten gaat het 
goed in de wereld. 

Ik heb zoon medelijden met u 
dat (eig. totdat) ik om u 
schrei, dat ik een steen 
neem om mijn oog af te 
drogen. 

De hond heeft vier poten , maar 
kan geen twee wegen lopen. 
Ik kan maar één ding tegelijk 
doen. 



As Ju no ha loop na Krabbo 
Gat, Ju no sa hoor Krabbo 

Nyws. 



Als je niet naar 't hol van de 
krab was gegaan , zou je niet 
het nieuws van de krab ge- 
hoord hebben. Nieuwsgieri- 
gen krijgen genoeg te horen 
(meer dan hun lief is). 



As Ju suk gut, gut sa due Ju. Zoals jij iets behandelt, zal dat 

voorwerp jou behandelen. 



As pover Volk doot, Guwerneer 
no hoor, as rik Volk dood, 
Guwerneer ka hoor. 



Als arme mensen sterven, hoort 
de Goeverneur het niet; als 
rijke mensen sterven heeft de 
Goeverneur het (al) gehoord. 
De arme is niet in tel, wel 
de rijke. 



') In de G. H. staat dit spreekwoord in de juistere vorm Hoor no ha Deer, 
met de verklaring : als men praat kan men niet verhinderen dat de mensen 
het horen. Zo ook in 't Negerengels: Jesi no habi doro (Wullschftgel 
N°. 304), dat gezegd wordt te betekenen : ik kan myn oren niet sluiten, ik 
kan niet helpen dat ik het gehoord heb. 



136 



No na eenmael alleen Man 
kan suk Wief. 



Een man kan niet bij de eerste 
poging een vrouw krijgen. 
Hij berust niet bij de eerste 
weigering. 



Één Finger no kan vang Lues *). Één vinger kan geen luizen 

vangen. Ik heb hulp nodig. 



As Ju no kan krieg Kaneel, 
neem Mapua. 



As Ju no ha kik mie, Ju no 
sa weet mie ha kik Ju? 



Als je geen kaneel kunt krijgen, 
neem dan mapua. Neem wat 
je krijgen kunt. 

Als je mij (nog) niet gezien hebt, 
zou je dan niet weten dat ik 
jou (wel) heb gezien? Waarom 
sta je me aan te gapen? 



p. 35. Altit Ju praet qwaet na bobo Je spreekt altijd kwaad van hem. 
sie Kop. 



Als die Vier ka yt, klein Kint 
Ie jump na die Hassesje 2 ). 



Als 't vuur uit is, springt een 
klein kind over de as. Ze 
doen [nu met hem?] wat ze 
willen. 



As Pussie ka slaep, Rotto Ie Als de kat in slaap is gevallen, 
kurrie na Vluer. lopen de ratten over de vloer. 



As Volk ka qwaet na Ju, 
sender gief Ju Makut for tap 
Water 3 ). 



Als de mensen boos op je zijn, 
geven ze je een mand om 
water in te halen. Je vijanden 
zullen wel iets vinden om 
zich op je te wreken. 



') Vgl. Negerengels: Wan finga no dringi ókro (een vinger kan geen 
okro, een vrucht, eten, Wullschl&gel N°. 188). 

2 ) Vgl. Negerengels: Faja dede, pikin ningre pre na asesi (als 'l vuur 
uit is, spelen de negerkinderen met de as, Wullschl&gel N°. 174.) 

3 ) Vgl. Negerengels : Soema no lobbi joe, a gi joe baskita vo tjari tvatra 
(Wullschl&gel N°. 72, met dezelfde vertaling en verklaring). 



137 

Twee Hont vekkete voor een Twee honden vechten om één 
Been. been. Twee mensen willen 

hetzelfde hebben. 



Twee slem no kan kook Boontje 
na een Pot *). 



Twee slimme mensen kun- 
nen niet bonen koken in 
dezelfde pot. De ene raaf 
pikt de andere zijn oog 
niet uit. 



Finger seg Ju, no seg mie. 



De vinger zegt „jij", en niet 
„ik". Niemand zoekt de 
schuld bij zich zelf. 



Hangman no sa verloor sie De beul zal zijn recht niet 
Regt. verliezen. Wie aan de galg 

moet verdrinkt niet. 



Diefman no betrou sie Maet 
draeg groot Sak 2 ). 



De dief vertrouwt niet dat zijn 
maat een grote zak draagt. 
De ene schurk vertrouwt de 
andere niet. 



Hem no kan help, da sie hou 
sik die bin. 



Da no eenmael Volk kan snie 
Haer, Haer sa gruj weeran. 



Hij kan 't niet helpen, dat is 
zijn oude kwaal. Dat is zo 
zijn manier van doen. 

Een mens kan zijn haar niet 
maar eens laten knippen, 
't haar groeit op nieuw. Dat 
zal nog wel eens weer ge- 
beuren. 



') Vgl. Negerengels : 
slimme mensen kunnen 
de verklaring geeft: als 
eens. Deze opvatting is 

J ) Vgl. Negerengels: 
(Wullschlagel, No. 119, 



Toe koniman no kan platte wan meti (twee 
geen dier verdelen), waarby Wullschlagel (No. 849) 
beide partijen even slim zyn, wordt men het nooit 
aannemeliker dan die van Magens. 

Toefoerman no lobbi si trawan tjari bakst. 
waar dezelfde vertaling en verklaring staat 



138 



Katje no vraeg na Diffie, Diffie 
no vraeg na Katje. 



De kat vraagt niet naar de 
duif en de duif niet naar de 
kat. Ze houden niet van 
elkander. 



As Kukkuba vlieg, hem weet 
na welk Boom hem sa vlieg. 



Makaku weet na wat Boom 
hem sa klem. 



Als de kukkubak vliegt, weet 
hij naar welke boom hij zal 
vliegen. De kraai weet op 
welke zeug hij gaat zitten. 
(Deens spreekw. = hij weet 
wel wat hij doet). 

De makaku weet op welke 
boom hij zal klimmen. Hij 
weet wel wat hij doet. 



Die gut kan due Stok, kan Iets dat een stok kan treffen, 
due Tou. kan ook een touw treffen (?). 

Dat kan u ook overkomen. 



Die gut bin Slang Bik, bin na 
Kakketis Bik ook al. 



Wat in de buik van de slang 
is, is ook in de buik van 
de hagedis. Zoals jij het 
meent, zo meen ik het ook. 



Pover Volk no mut hab wil. Arme mensen moeten geen wil 

hebben. 



Sie Boja ka draej Steen. 



Zijn beschermgeest is eensteen 
geworden, 't Geluk heeft hem 
de rug gekeerd. 



Gras no Ie gruj na sie Door. Er groeit geen gras voor zijn 

deur. Iedereen valt hem lastig. 



p. 36. Gras Ie gruj na Dootman sie 
Door. 



Voor 't huis van een gestor- 
ven man groeit gras. Niemand 
bekommert zich om weduwen 



en wezen. 



139 

Ju Mont sa koop Kabaj for Je mond lal een paard voor je 
Ju rie. kopen om op te rijden. Je 

zal voordeel hebben van je 
gebabbel. 

Mie Mont ha slip. Mijn mond is uitgegleden. Ik 

heb me verpraat 

Ju suk for pik Haer na mie Je probeert haar uit mijn neus 
Nees. te trekken. Je wilt me bij de 

neus nemen. 

As mie Hogo tengel mit sie Als mijn oog zich verwart met 
Hogo. zijn oog. Als ik hem werke- 

lik zie. 

Hem bin sender Funje Pot Hij is hun pot met meelspijs. 

Volgens de Deense verkla- 
ring betekent het: hij moet 
hun bijlichten, een spreek- 
wijs waarvan mij, in dit ver- 
band, de figuurlike betekenis 
ontgaat 



Je wil me aan de tand voelen, 

iets van me te weten komen. 

_ . _ . Ook de tweede spreekwijs 

Ju suk for skraep mie Tong. J W0|dt no? heden fa Nedef . 

land in die zin gebruikt. 



Ju suk Tant na mie Mont. 



Samenspraken. 



Gesprek tussen twee bedienden. 

Morg Maet! Goeie morgen, kameraad! p. 52. 

Morg, wat Ju wil? Goeie morgen, wat wil je? 



140 

Wa Ju Meester bin? Hem Ie Waar is je meester? Slaapt 

slaep nogal? hij nog? 

Neen, hem ka wees wakker Neen, hij is al lang wakker, 
lang Tit. 

Hem ka hoppo? Is hij op? 

Neen, hem Ie lej na bobo die Neen, hij ligt te bed. 
Bedde. 

Mie mut praet mit hem. Ik moet hem spreken. 

Ju no kan seg mie, wat Ju Kan je me niet zeggen, wat je 

wil hem? van hem hebben wil? 

Mie no kan. Dat kan ik niet. 

Hueso? Ju no kan seg? Hoe dat zo? Kan je dat niet 

zeggen ? 

Mie no wil, fordiemaek mie Ik wil het niet, omdat mijn 

Meester ha seg mie, dat mie meester me gezegd heeft dat 

mut praet die Woort na Ju ik zelf de boodschap aan je 

Meester mie self. meester moet doen. 

Oho, ander Reis mie ookal saJ 't Kan me niet schelen *), maar 

due soo na Ju. Wag beetje, een ander keer zal ik net zo 

mie sal loop praet na mie met jou doen. Wacht even, 

Meester. ik zal 't aan mijn meester 

gaan zeggen. 



Tussen twee slaven* 

Dag, Carabeer! Goeien dag, reiskameraad! 

Dag, wat ju Ie loop? Goeien dag, waar ga je heen? 



] ) Hiermee geef ik Oho weer, op gezag van Magens, die het in 't Deens 
met ligemeget vertaalt. 



141 
Mie loop na ons Plantaj. Ik ga naar onze plantage. 

Da wa gut ju sa due daso? Wat lal je daar doen? 

Mie sa seg na die Meesterknegt Ik lal aan de meesterknecht 
for lastaen maek Jeet klaer. zeggen dat hij het eten laat 

klaar maken. 

Ju Meester Ie loop na Plantaj ? Gaat je meester naar de plan* 

tage? 

Ja, en Ju Meester sa rie mit Ja, en jouw meester zal met p. SSL 
hem. hem mee rijden. 

Da diemaek mie Meester ka Daarom heeft mijn meester me 
stier mie for hael sie Kabaj, gestuurd om zijn paard te 
en for lastaen beslae die. halen, en om het te laten 

beslaan. 

Da Ju sa loop mit hem? Zal je met hem meegaan? 

Neen, mie mut blief na Hus Neen, ik moet thuis blijven 
for pas op. om op te passen. 

Dat wie sa loop mit hem? Wie zal met hem meegaan? 

Die ander Vutbaj. De andere jongen. 

Mie wens da Ju ha mut loop Ik wou dat jij mee moest gaan, 
mit, fordiemaek mie no keer want ik heb geen trek om 
for maek Maet mit die ander. nader kennis te maken met 

die andere. 

Adjoe. Ajuus. 



142 



Tussen twee goede vrienden. 



Guj Morgen, mie Vrient. 

Dankie. 

Hueso Ju vaer? 

Mie bin fraej. 
Mie bin gesont. 

Soo mie bin, soo mie bin. 

Mie bin soo as mie kan. 



Ik wens je goeie morgen, vriend. 

Dank je. 

Hoe gaat het? 

Ik ben gezond. 

Ik ben zó, zó. 

Zo goed en zo kwaad als 
ik kan. 



Mie bin soo as mie ka wees Zo als ik altijd geweest ben. 
altit. 



Mie bin beetje sik. 
Mie no bin regt gesond. 



Ik ben een beetje ziek. 
Ik ben niet goed gezond. 



Mie kan dien Ju na een gut? Kan ik je met iets van dienst 

zijn? 



Mie dank Ju van Harten. 



Mie seg Ju mussie Dank. 



Hueso Ju Bruer vaer? 



Hem bin vel. 



Ik dank je wel. 

Ik dank je zeer. 

Hoe gaat het met je broer? 

Hij is heel wel. 



Hem sa wees gu blie as Ju Hij zal heel blij zijn, dat je 
wil besuk hem* hem op wil zoeken. 



Mie keer hem gue. 



Ik houd veel van hem. 



143 

Hem ookal wil Ju alteveel. Hij houdt ook biezonder veel p- 54* 

van jou. 

Mie no hab Tit for besuk hem Ik heb geen tijd om hem van- 
nu van Dag. daag op te zoeken. 



Da wanneer Ju sa kom? 



Ander Tit. 



As Ju belief. 



Soo as Ju wil. 



Wanneer kom je? 
Op een andere keer. 
Alsjeblieft. 
Zoals je wil. 



Maer Ju no wil sit beetje? Maar wil je niet wat gaan zitten? 



Mie no hab Tit. 



Gief een stoel hieso. 



Neen, mie no kan blief. 



Ik heb geen tijd. 
Breng een stoel hier. 
Neen, ik kan niet blijven, 



Wat maek? 



Waardoor niet? 



Voor wagut niet? 



Waarom niet? 



Da wat maek Ju soo gau? Waarom ben je zoo haastig? 

Mie mankeer for praet mit Ik moet met je buurman praten. 
Ju Bierman. 



Hem bin na Hus? 



Mie no weet. 



Is hij thuis? 
Dat weet ik niet. 



Jender no bin Maet makander? Zijn jullie niet bevriend met 

elkaar? 



Ja, ons bin. 



Ja wel. 



144 

Da fraej. Dat is goed. 

Sit beetje, due. Toe, ga even zitten. 

Mie no kan, mie ha kom Ik kan niet, ik ben hier alleen 

hieso for kik Ju alleen , for- gekomen om eens naar je te 

dimaek mie ha ka hoor, Ju zien, want ik had gehoord 

ka wees sik mit Pien na Kop. dat je hoofdpijn gehad hebt. 

Mie ha wees sik ander Week. Ik ben verleden week ziek 

geweest. 

Ju ka kom fraej gue gau. Je bent gauw beter geworden. 

As die no ha wees voor ons Als onze vriend er niet geweest 

Vrient, mie sa ha krieg die was, zou ik de koorts ge- 

Koors. kregen hebben. 

Mie bin gue blie. Ik ben heel blij. 

Adjoe, mie Vrient. Adieu! 

Mie gruet Ju. Ik groet je. 



Tussen twee vrienden 1 )* 

p. 55. Hueso, Ju no ka hoppo nogal? Wat, ben je nog niet op? 

Neen, maer mie ka wees wak- Neen, maar ik ben al lang 
ker lang Tit. wakker. 

Wat maek Ju slaep soo laet Hoe komt het dat je van daag 
van Dag? zo lang slaapt? 



*) Waarom hier niet van goede vrienden gesproken wordt, als in de 
vorige samenspraak, kan ik niet zeggen. Ik volg de Deense vertaling. 



145 

Mie ha loop lej neer for lo slaep Ik ging gisterenavond heel laat 
gue laet gester Donker. slapen. 

Da wat Ju ha due dan , aster Wat heb je dan gedaan na den 
Ju ha ka jeet? eten? 



Aster Ju ka loop wej , die ander 
ka blief hiesoo, en soo sender 
ha wil speel Kaert. 

Jender ha speel? 

Ju, mie ookal. 



Toen je weg was gegaan zijn 
de anderen hier gebleven, en 
die wilden kaartspelen. 

Hebben jullie gespeeld? 

Ja, ik ook. 



Dat wat Speel Jender ha Ie Welk spel hebben jullie ge- 
speel? speeld? 



Ons ha speel drie Kaert. 



Jellie almael ha speel? 

Ju, maer ons ha wees alteveel, 
soo die Speel no ha wees sut. 



Da wie ha win? 

Da mie alleen. 

Hueveel Ju ha win? 

Tien Stik mit half. 

Ju no bin gewent for win. 

Mie kan verloor altit. 

Hue laet Jellie ha speel? 



We hebben driekaart gespeeld 
(gekleurd ?). 

Hebben jullie allemaal gespeeld? 

Ja, maar we waren met te 
veel, en daarom was het 
geen prettig spelen. 

Wie heeft gewonnen? 

Ik alleen. 

Hoeveel heb je gewonnen? 

Tien en een halve rijksdaalder. 

Je bent niet gewoon te winnen. 

Ik verlies altijd. 

Tot hoelaat hebben jullie ge- 
speeld ? 

10 



146 
Ons ha speel tee twee Yer. We hebben gespeeld tot twee uur. 

Wat Tit Ju ha loop slaep? Hoe laat ben je gaan slapen? 

Die Tit die Klok ha slae drie. Met slaan van drieën. 



Dan die no bin Wonder, Ju Ie Dan is 't geen wonder dat je 
lej soo laet. zo laat te bed ligt. 



p. 56. Hue laet die bin? 



Hoe laat is het? 



Neegen yer ka slae. 



't Heeft negen uur geslagen. 



Dan mie mut hoppo nunu. Dan moet ik dadelik opstaan. 



Voor wagut? 



Waarom ? 



Sender ha seg sender sa kom Ze hebben gezegd dat ze bij 

jeet Vrukost na mie. mij zullen komen ontbijten. 

Da diemaek Ju ha win sender Dat is omdat je hun geld hebt 

Geit. afgewonnen. 



Mie gloof soo. 



Dat geloof ik ook. 



Ju mut wees gau for hoppo. Je moet je haasten met opstaan. 



Hueso? 



Hoe zo? 



Da sender Ie kom. 



Daar komen ze. 



Due, loop beetje na sender. Toe, loop ze even tegemoet. 

Seg mie Neegerin for maek Zeg aan mijn negerin dat ze 
die Vrukost klaer. het ontbijt klaar maakt. 



Mie sal. 



Dat zal ik doen. 



Maer Ju no mut blief lang weg. Maar je moet niet lang weg- 
blijven. 



147 

Het ontbijt. 

Wat die hab for Vrukost? Wat is er om te ontbijten? 

Die hab Sussies en Ejerstryf. Worst en ommelet. 

Die no hab van die kou Ham ? Is er niet meer van de koude 

ham? 

Die hab beetje. Een beetje. 

Mie no mankeer Sikryto. Ik heb geen klieken nodig. 

Wa die kou sout Vleis? Waar is 't koude pekelvlees? 

Die ka kabae. Dat is op. 

Wat die braen Verkie Ribbetje Waar is 't gebraden varkens- 
bin ? ribbetje ? 

Hie die bin. Dat is hier. 

Dek die Taefel. Dek de tafel. 

Ju ka krieg skoon Taefelgut? Heb je schoon tafelgoed ge- 
kregen? 

Due Stoel na die Taefel. Zet stoelen om de tafel. 

Bring die Jeet. Breng het eten. 

As Jender belieft sit neer. Gaat zitten, als 't u blieft. 

No maek so mussie Compliment, Maak niet zo veel komplimen- 
ons almael bin guje Vrient ten; we zijn allemaal goeie 
malkander. vrienden onder elkaar. 

Gief een Lamuntje en die Kajaen Geef een citroen en de Gay enne p . 57. 
Peeper. peper. 



148 



Gief die Muster. 



Geef de mosterd. 



Hueso, die no hab Botter en Wat, is er geen boteren radijs? 
Radies? 

Ju ka spuel die Glas sender? Heb je de glazen gespoeld? 



Die Pons ka maek? 



Wat Jender wil drink? 



Is de punch klaar? 
Wat wilt U drinken? 



Mie sa drink Pons. 



Mie no keer Pons en Wien. 



Mie wil drink Wien. 



Mie keer Bier alleen. 



Ik zal punch drinken. 

Ik houd niet van punch en 
wijn. 

Ik wil wijn drinken. 

Ik houd alleen van bier. 



No kik na mie, da Waeter Kijk niet na mij, ik drink 
soso mie Ie drink. alleen water. 



Maek gau mit die Drink. 



Maak gauw het drinken klaar. 



Hueso, die Pons no bin guet? Wat, is de punch niet goed? 



Die bin altee syer. 



Ze is te zuur. 



Die bin altee sut. 



Ze is te zoet. 



Die bin sterk genug? 



Is ze sterk genoeg? 



Die mankeer beetje Soopie. Er moet wat rum bij. 

Maek gau, en maek een ander Haast je, en maak andere 
Pons. punch. 



Jender no Ie jeet! 



U eet niet! 



149 

Probeer die Radies mit een Probeer de radijzen bij een 
Botterham. boterham. 

Dat wa die Sout-Vat bin? Waar is het zoutvaatje? 

Die Radies sender bin jong. De radijzen zijn jong. 

Sender bin gue lekker. Ze zijn heel lekker. 

Ju no jeet Botterham? Eet U geen boterham? 

Mie no keer rau Botter. Ik houd niet van ongesmolten 

boter. 

Ju Gesontheit, mie Heer! Meneer, op Uw gezondheid! 



Mie dank Ju. 

Mie seg Ju Dankie. 



Ik dank U. 



As Ju belief ons sa drink voor Als U 't goed vindt, zullen 
die vrie Negocie. we eens drinken op de vrije 

handel. 

Maskee mie drink Waeter alleen, Ofschoon ik alleen water drink f p. 58. 
mie sa drink die Gesontheit zal ik die toost met een groot 
na een groot Glas Wien. glas wijn drinken. 

Maer Jellie no wil jeet meer? Maar wilt u niet meer eten? 

Mie no kan jeet meer. Ik kan niet meer eten. 

Mie no sa kan jeet Middag. Ik zal van middag niet kunnen 

eten. 

Kom, ons drink welbekom die Kom laten we er op drinken 
Maaltit. dat 't ons wel mag be- 

komen. 

Lastaen ons hoppo. Laten we opstaan. 



150 



Neem die Taefelgut wej. 
Jender no wil sit beetje? 



Neem het tafelgoed weg. 

Wilt u nog niet wat blijven 
zitten ? 



Wa die Waeter for wasHant? Waar is het water om de 

handen te wassen? 



Mie Hant no bin vyel. 

Kom, ons loop. 

Na wat Jender sa loop? 

Ons sa loop na die Herberg, 
for speel Billiar, for beweeg 
ons, dat ons kan krieg Honger 
for jeet Middag. 



Ons groet Ju. 



Vaerwel ! 



Mijn handen zijn niet vuil. 

Kom, we gaan weg. 

Waar gaat u heen? 

We zullen naar 't koffiehuis 
gaan om te biljarten en wat 
beweging te nemen, zodat 
we honger kunnen krijgen 
om van middag te eten. 

We groeten u. 

Adieu ! 



Gesprek met een kleermaker. 



Meester, da die Snier bin. 



Meester, daar is de kleermaker. 



Lastaen hem kom na binne. Laat hem binnenkomen. 



Dag, mie Heer! 
Dag, Baes! 



Dag, Meneer! 
Dag, baas! 



Mie Heer ha stier for mie ? Meneer heeft om me gestuurd ? 
Ja, mie wil hab een nyw Kleet. Ja, ik wil een nieuw pak hebben» 



151 



Van wagut? 

Van bryen Laeken. 



Waarvan? 



Van bruin laken. 



Mie Heer wil hab die heel Wil Meneer 't hele pak van 

Kleet van Laeken? laken hebben? 

Neen, da die Rok en die Bruk Neen, alleen de rok en de p. 59. 

alleen. broek. 

Van wat mie sa maek die Waarvan zal ik t kamizool 

Kamisool ? maken. 



Van die bryen Satien. 



Van dat bruine satijn. 



Wat Vuering mie Heer wil Welke voering wil Meneer in 
hab na die Kleet? 't pak hebben? 



Wit Sie. 

Mie wil hab Silver Knoop en 
Knoop Gat na die, en van 
die smal silver Galoon na 
die Kamisool. 



Witte zij. 

Ik wil zilveren . knopen en 
knoopsgaten er aan hebben, 
en van dat smalle, zilveren 
galon op 't kamizool. 



No maek die Bruk altee nau, Maak de broek niet te nauw, 

due die Horolosje Sak na en maak 't horlogezakje in 

die Bruk-Bant. de broeksband. 

Die Bruk no mut wees tee kort De broek moet niet te kort 

na die Knie. wezen over de knieën. 



Die Rok no mut wees tee lang, 
mie no keer for hab mie 
Kleer alteelang, en maek die 
Lief van die glik mit mie 
Heep. 



De rok moet niet te lang zijn, 
ik houd er niet van dat mijn 
kleren al te lang zijn; en 
maak dat het lijf tot mijn 
heupen reikt. 



Pas op, die Kamisool no bin Zorg er voor dat het kamizool 
altee kort. niet al te kort is. 



152 

Mie sa maek die na Ju Sin. Ik zal het naar uw zin maken. 

Ju moet maek Mou na die Je moet mouwen maken in het 

Kamisool, en Sweetgat na kamizool en zweetgaten onder 

onder die Erm sender. de armen. 

Wat Opslag mie Heer wil hab Wat voor opslagen wil Meneer 

na die Rok? op de rok hebben? 

Van die soort Ju kan maek Van die soort die je altijd voor 

altit voor mie. me maakt. 

Ju no wil neem die Maet? Wil je de maat niet nemen? 

Neen, mie hab die van ander Neen, ik heb die van de vorige 

Reis. keer. 

Na wa mie sa krieg Naej-Sie, Waar zal ik naaizij, garen, 

Gaern, Linnen en Bukram? linnen en boekram krijgen? 

p. 60. VraegmieVrou,hem sagief Ju. Vraag 't mijn vrouw, zij zal 

't je geven. 

Ju kan for maek die Kleed na Kan je het pak in drie dagen 

drie Dag? maken? 

Ja, mie Heer. Ja, Meneer. 

Wat, Ju ka maek die Kleet Wat, heb je het pak af ge- 

kabae ? maakt ? 

Ja, mie Heer belief for pas die? Ja, wil Meneer het passen? 

Laestaen mie kik as die ka Laat me zien of het goed ge- 

naej fraej. naaid is. 

Mie gloof , die sa wees na Ik geloof dat het naar Uw zin 

Ju sin. zal zijn. 

Knoop die Rok. Knoop de rok dicht. 



153 



Die bin gue nau. 



Hij is heel nauw. 



Die mut wees soo, as die sa Hij moet zo wezen, als hij goed 
staan wel. zal staan. 

Die Mou sender bin guet? Zijn de mouwen goed? 

Laestaen mi kik na die Spiegel. Laat me in de spiegel zien. 

Mie Heer, die Ie sit heel net Meneer, hij zit U heel netjes, 
na Ju Lief. 



Ja, die ka maak fraej. 
Die bin regt na mie Sin. 



Ja, hij is goed gemaakt. 
Hij is zeer naar mijn zin. 



Wa Ju Reekning bin voor Ju Waar is je rekening van het 
Maekloon ? maakloon ? 



Da die bin. 



Die is hier. 



Die bin alteveel. 



Dat is te veel. 



Die bin al te dyer. 
Die bin fraej. 



Da Ju Geit. 



Ju Dienar, mie Heer! 



Dat is te duur. 



Het is goed. 

Hier is je geld. 

Uw dienaar, Meneer! 



Tussen verschillende personen. 

Morg klein Vrou 1 ). Goeie morgen, juffrouw. 



Dag, hueso Ju vaer? 



Goeien dag, hoe vaar je? 



l ) Zo wordt de dochter des huizes genoemd wanneer zy huwbaar is. 
(Noot van Magens). 



154 



p. 61. Hueso Ju ha slaep? 
Mie ha slaep fraej. 
Na wa Ju ha slaep? 



Na mie Kabaen. 



Da wie ha slaep mit Ju? 
Da mie twee Kint sender. 



Sender no ha kries? 



Hoe heb je geslapen? 
Ik heb goed geslapen. 
Waar heb je geslapen? 
Op mijn mat. 

Wie heeft bij je geslapen? 
Mijn beide kinderen. 
Hebben ze niet gehuild? 



Neen, sellie ka slaep die heel Neen, ze hebben de hele nacht 

Donker. geslapen. 

Mie ka hoor seg, Ju kan praet Ik heb horen zeggen, dat je 

Deen. Deens kunt spreken. 



Ja, beetje soo. 



Ja, een beetje. 



Da wie ha leer Ju for praet Wie heeft je Deens leren spre- 

Deen? ken? 

Mie hou Meester, hem ha wees Mijn oude meester, hij was een 

een Deen Blanko. Deen. 

Mie bin gue blie; dan mie sa Ik ben heel blij; dan zal ik 

praet Deen mit Ju. Deens met je spreken. 

Da wa gut Ju hab na Ju Wat heb je in je handen? 
Hant? 

Da mie Meester si Skuen sender. De schoenen van mijn meester. 

Da wie ha maek sender skoon ? Wie heeft ze schoon gemaakt? 



Da mie self. 



Ik zelf. 



155 

Ju Meester hab die Geppes Heeft je meester de gespen? 
sender? 



Sender bin na die Goud Smit. Ze zijn bij de goudsmid. 



Wat maek? 



Waarom? 



Da breek sender ka breek.' Ze zijn helemaal stuk. 



Da Ju Meester Ie kom. 



Daar komt je meester. 



Briug mie mie Kous sender. Breng me mijn kousen. 



Mie Kous-Bant ka naej? 



Is mijn kouseband genaaid? 



Sellie ka stop mie swart Kous Hebben ze mijn zwarte kousen 

sender? gestopt? 

Gief mie die roo Flyweel Geef me de rood-fluwelen broek. 
Bruk. 



Die no hab knop. 
Draeg die na die Snier. 
Gief mie dan die swarte. 



Er zijn geen knopen aan. 
Breng hem naar de kleermaker. 



Geef me dan de zwarte. 



Bewaer mie Myel sender. 



Bewaar mijn pantoffels. 



p. 62. 



Gief mie die Lobbetje Hemmete. Geef me 't hemd met lubben 

(manchetten). 



Wa mie Dassie bin? 



Waar is mijn das? 



Wat Rok Meester wil hab? Welke rok wil Meester hebben ? 



Die roo Flyveel. 
Wat Kamisool? 



De rood-fluwelen. 



Welk kamizool? 



156 

Die wit Damast mit Gout- Het wit damasten met goud 
Galoon. galon. 

Mie Parik ka kam? Is mijn pruik gekamd? 

Die Barbeer no ka kom for Is de barbier niet gekomen om 
skeer mie? me te scheren? 

Borsel mie Hut. Borstel mijn hoed af. 

Wa mie Deegen en mie Rotting? Waar is mijn degen en mijn 

rotting ? 

Kom, loop mit mie. Kom, ga met me mee. 

Vraeg mie Bruer, as hem no Vraag mijn broer of hij niet 
wil loop wandel mit mie. met me wil gaan wandelen. 

Mie Meester vraeg as Ju no Mijn Meester vraagt of U niet 
wil loop mit hem. met hem mee wil gaan. 

Na wa Ju Meester Ie loop? Waar gaat je Meester heen? 

Mie no weet. Ik weet het niet. 

Hueso, Ju no weet? Hoe zo, weet je dat niet? 

Neen. Neen. 

Ju Meester ka kleet heel heel? Is je Meester geheel gekleed? 

j a. j a. 

Da mie sa due mie Parik en Dan zal ik mijn pruik opzetten 
Deegen an. en mijn degen aandoen. 

Kom Bruer! Lastaen ons loop Kom broer, laten we meneer 
besuk mie Heer N. N. die N. N. gaan opzoeken, die 
ha wees na ons. bij ons geweest is. 



157 



Klop na die Deer van N. N. 
en seg him mie Bruer mit 
mie ons bin hieso en wil 
besuk hem. 

Dag, mie Heer! 

Dag, wat Ju wil? 



Klop aan de deur van N. N. 
en seg hem dat mijn broer 
en ik hier zijn en dat we hem 
een visite willen maken. 

Goeien dag, Meneer! 

Goeien dag, wat wil je? 



Mie Meester en sie Bruer wil Mijn Meester en zijn broer p . 63. 

besuk Ju. willen U een visite maken. 

Seg, Sellie sa wees welkom, Zeg dat ze welkom zullen zijn, 

mie Ie wag sender. ik wacht ze. 



Meester, mie ka praet mit mie 
Heer N. N. ; hem seg, Mees- 
ter sender sa wees welkom. 

Die hab Volk na hem? 

Neen. 

Ju Dienar, mie Heer! 

Gujen Dag! 

Hueso Ju vaer? 

Hueso Ju Vrou vaer? 

Hem bin gesont nu. 

Hem ha wees sik. 



Meester, ik heb gesproken met 
meneer N. N.; hij zegt dat 
de heren welkom zullen zijn. 

Is er iemand bij hem? 

Neen. 

Uw dienaar, meneer! 

Goeien dag! 

Hoe maakt u het? 

Hoe maakt het Uw vrouw? 

Zij is nu gezond. 

Zij is ziek geweest. 



Ander Week hem ha hab die Verleden week heeft ze de 
Koors. koorts gehad. 



Die ka lastaen hem? 



Heeft die haar verlaten? 



158 

Ja, hem ha treek Bluet, en ha Ja, ze is adergelaten geworden 

neem een Purgasje ; dat ha en ze heeft een purgeermiddel 

breek die Koors. genomen ; dat heeft de koorts 

gebroken. 

Mie bin blie. Daar ben ik blij om. 

Ju Dogter sender no bin na Hus? Zijn Uw dochters niet thuis? 

Sender ka loop na mie Ouder Ze zijn naar mijn ouders gegaan, 
sender. 

Wat for due? Om wat te doen? 

Sender sa dans daeso. Ze zullen daar dansen. 

Wat maek? Waarom? 

Die bin die Geboorte-Dag van 't Is de verjaardag van mijn 

mie Mama. moeder. 

Mie Heer Ie loop daeso ookal? Gaat u daar ook heen? 

Neen, die bin een Feesa voor Neen, 't is een partijtje alleen 

Jong- Volk alleen. voor jongelui. 

Mie Heer, Jellie wil blief hie Willen de Heren hier binnen 

na binne die Hus of Jellie blijven of in de tuin gaan 

wil loop wandel na die Hoffie ? wandelen ? 

Mie keer Hoffie gue. Ik houd veel van de tuin. 

p. 64. Due Ju Hut na Ju Kop. Zet uw hoed op. 

As ons ha hab Kabaj, mie sa Als we paarden hadden, zou 

vraeg Jender for rie yt beetje. ik U vragen wat uit rijden 

te gaan. 

Na wa Ju wil rie? Waar wilt u heen rijden? 



159 

Na mie Swaeger sie Plantaj. Naar de plantage van mijn 

zwager. 

Hem Ie kook Sukker? Raffineert hij suiker? 

Ja, ons sa drink Bomba. Ja, we zouden bomba 1 ) drinken. 

Mie gloof, hem ha hab gue Ik geloof dat hij hele lekkere 

fraej hou Rum. oude rum heeft. 

Hem hab die best hou Soopie Hij heeft de beste oude brande- 

na die Lant. wijn in 't land. 

Mie wens , hem ha wil gief mie Ik wou dat hij er mij wat van gaf ; 

som; sender seg, hou Soopie ze zeggen dat oude brandewijn 

bin gue fraej voor die Teering. heel goed is tegen de tering. 

Ju wil jeet Spanspek? Wil U wat meloen gebruiken? 

Mie no keer Spanspek, da Ik houd niet van meloen; ik 

Water Lemuen mie wil. heb liever watermeloen. 

Jender no wil drink een Wil U niet een glas wijn 

glas Wien na bobo Jender drinken na uw wandelingetje? 
Wandeltje? 

Mie wil liever drink Kooke- Ik wil liever kokosnotewater 

Neet-Waeter. drinken. 

Die Kooker-Neet sender bin gue Kokosnoten zijn heel lekker als 

suet, da liplap sender bin. ze nog jong zijn. 

Mie no keer voor hou Kooker- Ik houd niet van water van 

Neet-Waeter. oude kokosnoten. 

Da for plant alleen sender bin Ze zijn alleen goed om te 

fraej. planten. 



') Een Westindiese drank (Noot van Magens). 



160 

En van die Neet sender Ju kan En van de noten kan je lekkere 
maek lekker Kukkie. koekjes maken. 

Die no hab rib Kanifister na Zijn er geen rijpe kanifisters 
die Boom? aan de boom? 

Wagut Ju wil due mit die? Wat wil je daarmee doen? 

p- 65. Sender bin guet for gebryk na Ze zijn goed om te gebruiken 
Plek van Purgasje. in plaats van een purgeer- 

middel. 

Pukhout Bejer bin guet for maek Pukhoutbessen zijn goed als 
Volk gief over. braakmiddel. 

Die bin Tit for mie loop na Hus. 't Is tijd voor me om naar huis 

te gaan. 

Die bin Tit genug. U hebt nog alle tijd. 

Ju no wil loop kik die Jong Volk Wil U niet eens gaan zien hoe 
dans? de jongelui dansen? 

Mie ha denk, ons sa ha rie yt. Ik dacht, dat we uit zouden 

rijden. 

Ons no hab Kabaj. We hebben geen paarden. 

Ons sa lastaen die tee ander Tit. We zullen dit uitstellen tot een 

andere keer. 

Da beeter ons Ie rie Morg 't Is beter dat we 's morgens 
vruvrue. heel vroeg gaan rijden. 

Da die Son no sa wees soo heet. De zon zal niet zo heet zijn. 

Adjoe mien Heer! mie wens Adieu, meneer! Ik wens U 
Ju veel Plesier. veel plezier. 



161 

Tussen een moeder en een dochter. 

Morg, Mama! Goeie morgen, moeder! 

Morg, mie Kind! Goeie morgen, me-kind! 

Hueso Mama ka slaap Donker? Hoe heeft U vannacht geslapen? 

Mie ha slaap fraej. Ik heb goed geslapen. 

Mie no ha slaap mussie. Ik heb niet veel geslapen. 

Wa maek? Waardoor niet? 

Mie klein Butje ha kries die Mijn broertje heeft de hele 
heel Donker. nacht gehuild. 

Wat maek hem soo stout? Waarom was hij zo stout? 

Hem ha hab gue Pin na Tant. Hij had erge kiespijn. 

Hueso die bin nu? Hoe is 't er nu mee? 

Da ka kabae. 't Is over. 

Ja, maer die Koorts no ka Ja, maar heeft de koorts hem 
lastaen hem heel heel? niet helemaal verlaten? 

Mie ha denk, ha sa neem blau Ik geloof dat hij „blauw-bloem" p- 66. 
Blommetje for purgeer. had moeten nemen, om te 

purgeren. 

Hem zeg hem no kan for Hij zegt dat hij dat niet drin- 
drink die. ken kan. 

Gief hem dan Karpat-Olie. Geef hem dan Karpaatolie. 

Maer wanneer ons sa krieg * Maar wanneer krijgen we van 
Tee van Dag? daag tee? 

11 



162 

Die Water no ka kook 't Water kookt nog niet. 
nogal. 

Die Boterham senderno ka snie? Zijn de boterhammen niet 

gesneden ? 

Ja, maer die no hab Kaes, en Ja, maar er is geen kaas en 

Tata no keer voor Botter- vader houdt niet van een 

ham soso. boterham met niets er op. 

Lastaen sender braen van die Laten ze wat gerookte klipvis 

rook Karang sender. bakken. 

Kassavie wees meer suet mit Cassave is bij klipvis lekkerder 

die Karang as Broot ! ). dan brood. 

Ju bin een Creol vaervaer. Jij bent een echte Kreoolse. 

Mama, die Tee ka klaer. Moeder, de tee is klaar. 

Da wa die Melk bin? Waar is de melk? 

Da die bin. Hier. 

Hueso, wa die bryen Teekoppie Wat, waar zijn de bruine tee- 

sender bin? kopjes? 

Sender ka breek. Ze zijn stuk. 

Jellie Ie breek almael mie Jullie breekt al mijn porselein. 
Porcelein sender. 

Rup Ju Papa. Roep je vader. 

Da wa hem bin? Waar is hij? 



') Een Negerengels spreekwoord zegt: Pind vo brede meki wi njam 
kasdba (gebrek aan brood maakt dat we cassave eten, Wullschl&gel N°. 118). 



163 

Hem bin na binne die Kook- Hij is in 't kookhuis. 
hus x ). 

Wa Ju hou Bruer bin? Waar is je oudere broer? 

Mie no weet. Ik weet het niet. 

Ju no weet niet een gut. Je weet niets. 

Rup hem. Roep hem. 

Na wa Jellie blief soo lang? Waar blijven jullie zo lang? 

Jender no wil drink Tee? Willen jullie geen tee drin- 
ken? 

Die no bin laet, Mama. 't Is niet laat, moeder. p. 67. 

Maskee. Ook al goed! 

Ons sa drink Tee sonder Zullen we tee zonder suiker 

Sukker? drinken? 

Gief die Batterie na die kind Geef de stroop aan de kin- 

sender. deren. 

As Ju jeet, no smeer Ju Fin- Maak je vingers niet zo vuil, 

ger soo. als je eet. 

No mors Jender Kleer. Mors niet op je kleren. 

Veeg Ju Mont. Veeg je mond af. 

Ju no hab Neesduk for veeg Heb je geen zakdoek om je 

Ju Nees? neus te snuiten? 

Bring die Tee Keetel hier. Breng de teeketel hier. 



') Plaats waar de suiker geraffineerd wordt 



164 

Skenk die Tee-Waeter na die Schenk het teewater in de 
Tee-Pot. teepot. 

Jender no wil drink meerTee? Willen jullie geen tee meer 

hebben ? 

Neen, Dankie. Neen, dank U. 

Bewaer die Tee-gut sender. Zorg voor het teegoed. 

Ju no denk op for gief jeet for Vergeet je eten te geven om 
kook? te koken? 

Wat mie sa gief yt? Wat zal ik uitgeven? 

Gief sout Vleis en Harten Geef pekelvlees en boontjes. 
Boontje. 

Mama no wil hab Braen ? Wil U niet dat er iets gebraden 

wordt ? 

Lastaen sender martae twee Laten ze twee kippen slachten. 
Hunders. 

Da lej-Hunder alleen die hab. Er zijn alleen leggende kip- 
pen. 

Neem een Hunder-Haen. Neem een haan. 

As die hab jong Diffie, lastaen Als er jonge duiven zijn, 
sender smoor sender. laten ze die dan in boter 

braden. 

En, as die Neeger ka breng En als de negers vis hebben 

Vis, lastaen sender stoof die gebracht, laten ze dan de grote 

groote, en bak die klein koken en de kleine bakken, 
sender. 

Mama no wil hab salae? Wil U geen sla hebben? 



165 



Ja, lastaen sender kook kin- 
gamboe en jong Pes Boontje ; 
kik na die Kas, mie geloof 
die hab Cumcumber. 



Ja, laten ze kingamboe koken p. 68. 
en jonge boontjes ; kijk in de 
kast, ik geloof dat er kom- 
kommer is. 



Mama ha seg , dat Tata ka vraeg U heeft gezegd dat vader vreem- 
vreemd Volk for kom jeethieso. den ten eten heeft gevraagd. 

Da waer, lastaen die sout Vleis Dat is waar, laat het pekel- 
en die Harten Boontje. vlees en de boontjes weg. 

Dan die no hab Leepelkost. Dan is er geen lepelkost. 

Lastaen sender kook Sop na Laten ze soep maken van de 
die Hunder-Haen. haan. 



Dan die no hab braen. 



Dan is er niets om te braden. 



Lastaen sender neem een jong Laten ze een jonge kalkoen 

Kalkuen. nemen. 

Mama, nobeeter ons maekPastej Moeder, is het niet beter dat 

van die blau Diffie sender? we een pastei maken van de 

duiven ? 

Da drie SortSalae alleen die hab. Er zijn maar drie soorten sla. 

Lastaen een Volk loop na Hoffie Laat iemand naar de tuin gaan 

voor Blaer Salae. om bladsla. 

Sender mut maek Botter en Ze moeten boter en kaas klaar- 

Kaes klaer. maken. 

Lastaen sender snie van die Laten ze wat snijden van de rijpe 

riep Anas for due na Tafel. ananas om op tafel te doen. 

Als Ju ka kik na die Jeet, loop Als je naar 't eten gekeken 

due an Ju Kleer. hebt, ga je dan kleden. 



Ja, Mama. 



Ja, moeder. 



166 



Tassen een vader en een zoon. 



Morg, Tata. Goeie morgen, vader. 

Morg, mie Soon. Goeie morgen, m'n jongen. 

Papa Ie loop wandel? Gaat U wandelen? 

Ja, maar wat maek Ju no ka Ja, maar waarom ben je niet 
kleet? gekleed? 

Mie ha slaep laet. Ik ben laat gaan slapen. 

Voor wat Ju no ka hoppo Waarom ben je niet vroeger 
meer vrue? opgestaan? 

Ons ha kom laet na Hus. We zijn laat thuis gekomen. 

Hoe laet die ha wees? Hoe laat was dat? 

Aster twaalf. Over twaalven. 

* 

Wat maek Jellie ha blief soo Waarom zijn jullie zoo laat 
laet ? gebleven ? 

Ons ha speel Spelletje. We hebben spelletjes gedaan. 

Ju Noom en Muj ha blief op Zijn oom en tante ook zo 
soo laat ook al? laat opgebleven? 

Neen , sellie ha loop slaep mit Neen , die gingen om klokke 
tien yer. tien naar bed. 

Da wie ha wees daesoo? Wie zijn er geweest? 

Mie Heer N. N. mit sie Syssie Meneer N. met zijn zuster en 
en Butje. zijn broer. 



167 

Sender seg, hem Ie vrie Ju Ze zeggen dat hij een goed 
Negje. oogje heeft op je nichtje. 

Mie gloof, sender ka beloof. Ik geloof dat ze verloofd zijn. 

Wat maek Ju gloof soo? Waarom geloof je dat? 

Hem ha seg mie soo hem Hij heeft het me zelf gezegd, 
self. 

Jender bin soo groot Maet Zijn jullie zulke maatjes? 
makander? 

Ons ka loop na Skool makander. We zijn samen op school 

geweest. 

Ja, Ju Noom ha seg mie, dat Ja, je oom heeft me gezegd 
sender ka beloof. dat ze verloofd zijn. 

Sender Ie kom hieso van Dag. Ze komen vandaag hier. 

Hueso Ju weet? Hoe weet je dat? 

Mie ha hoor mie Negjie vraeg Ik heb gehoord dat mijn nichtje 
sie Liefste sie Syssie for de zuster van haar aanstaande 
kom mit. gevraagd heeft om mee te 

komen. 

Ja se Ie kom for maek die Ja, ze komen om het publiek 
bekend. te maken. 

Mie weet. Ik weet het. 

Nu soo lang die Geselskap Nu, toen het gezelschap dat 
ha hoor die, mie Syssie ha hoorde, heeft mijn zuster de 
vraeg die Meisje sender, meisjes en ik de jongelui 
en soo mie ha vraeg die gevraagd om ook mee te 
Jongman sender for kom komen, 
ookal. 



168 

Da fraej, zeg die na Ju Mama, Dat is goed, zeg het aan je 

dat hem kan lastaen maek moeder, dat ze eten kan 

Jeet klaer. laten klaarmaken. 

p. 70. Mie ka seg hem die. Ik heb het haar al gezegd. 

Mie denk Ju Negje sa due een Ik geloof dat je nichtje een heel 

gue fraej Hywlik. goed huwelik zal doen. 

Ja, want mie Heer N. N. bin Ja, want meneer N. N. heeft 

van al te veel guj Hu- een biezonder goed karakter, 
meer. 

Hueso sie Bruer bin? Hoe is zijn broer? 

Hem ookal bin gue fraej. Hij is ook heel goed. 

Altit mie ka hab gue Respect Ik heb altijd veel achting voor 

voor die Familie. die familie gehad. 

Sender bin die waerdig. Dat verdienen ze. 

Mie wens, Ju Sussie ha kan Ik wou dat je zuster ook zo 

wees soo glykkig for trou gelukkig kon zijn om in zoon 

na soo guj Familie. goede familie te komen. 

Mie ookal Ie wens die. Dat wens ik ook. 

Ju no ka hoor, as die ander Heb je niet gehoord of de andere 

Bruer Ie vrie een plek ? broer ergens het hof maakt ? 

Neen, maer hem hab Sin voor Neen, maar hij heeft zin in 

mie Syssie. mijn zuster. 

Hueso Ju weet? Hoe weet je dat? 

Sie Bruer ka seg mie. Zijn broer heeft het me gezegd. 

Ju Sussie weet die? Weet je zuster het? 



169 

Neen, hem ha wees na bittie Neen, zij is ook met ze naar 
mit sender ookal. buiten geweest. 

Ju Negje weet? Weet je nichtje het? 

Ja, hem ha hoor ons. Ja, zij heeft het van ons ge- 

hoord. 

Wat hem ha seg? Wat heeft ze gezegd? 

Hem ha seg, hem sa wees gue Ze heeft gezegd, dat ze heel 
blie. blij zal wezen. 

Hueso, hem no ha wil hab hem Hoezo, wil zij niet dat hij van 
sa vrie na sie ander Syster? haar andere zuster werk 

maakt? 

Mie gloof , sie Syssie ka beloof Ik geloof dat haar zuster ver- 
mit die Gaptein na Fort. loofd is met de kapitein van 

het fort. 

Mie no gloof, sender ka beloof Ik geloof niet dat ze al ver- 
nogal. loofd zijn. 

Maskee, hem hab Sin na hem. 't Doet er niet toe, hij heeft zin 

in haar. 

Mie gloof hem sa maek een fraej Ik geloof dat hij een beste man 
Man, die Soldaet sender hab zal wezen, de soldaten houden 
hem gue lief. heel veel van hem. 

Da die maek hem bin soo fraej Dat komt omdat hij zo goed p- 71. 
na sender. voor ze is. 

Mie wens Ju Syssie ha weet Ik wou dat je zuster van de 
die Gedagten van N. N. gedachten van N. N. afwist* 

Negje ka seg, hem sa seg hem Mijn nichtje heeft gezegd dat hij 
die van dag. haar die vandaag zal zeggen. 



170 

Mie bin bang, Ju Syssie sa Ik ben bang dat je zuster de 
neem die groot Ganganie die grote gek zal nemen die hier 
Ie woon hieso. woont. 



Hem ka praet na Tata van 
Syssie ? 

Neen, mie no gloof hem hab 
Verstant genug for praet na 
Ju Syssie self. 



Heeft hij met U over mijn zuster 
gesproken ? 

Neen, ik geloof niet dat hij 
verstand genoeg heeft om met 
je zuster zelf te spreken. 



Da sie Geit alleen maek him sot. Alleen zijn geld maakt hem zot. 



Mie gloof soo. 



Dat geloof ik ook. 



Maer hem no ka wees na Maar is hij niet in Kopenhagen 
Gopenhagen ? geweest ? 



Ja, wat baet! 



Ja, maar wat helpt dat! 



Altemets sender no ka gief Misschien hebben ze hem geen 

hem fraej Skoolmeester ! goede onderwijzer gegeven? 

Sie Tata ha gief Geit genug Zijn vader heeft geld genoeg 

voor hem sa leer. uitgegeven dat hij zou leren. 



Die hab gue van ons Jong 
Volk no leer niet een gut na 
Juropa. 

Dat maek sender altitkanseg, 
die dom Greool sender, sellie 
bin Borika en bambaj die 
no bin sender Skylt dat sender 
no leer niet een Gut. 



Er zijn genoeg van onze jonge- 
lui die niets leren in Europa. 



Daardoor kunnen ze altijd zeg- 
gen: „die domme Kreolen 
zijn ezels", en toch is 't hun 
schuld niet dat ze niets leren. 



p. 72. Da waer genug, en mie wonder, 
dat die Ouder sender hieso 
ka wees soo sot nogal for 



Dat is maar al te waar, en ik 
verwonder me er over dat 
de ouders hier nog zoo zot 



171 

stier sender Kint na soo ver zijn om hun kinderen zo ver 

Pot, en for gief so mussie weg te sturen en zo veel 

Geit for soso. geld uittegeven voor niets. 

Mie wens Ju ha kan trou mit Ik wou dat je kon trouwen 

N. N. sie Syssie. met de zuster van N. N. 

Mieno wil hab hem , f ordiemaek Ik wil haar niet hebben omdat 

hem bin alteevel spittig. ze een kwaad humeur heeft. 

Mie no ha weet. Loop due an Dat wist ik niet. Ga je kleden. 
Ju kleer. 

Ja, Tata. Ja, vader. 



Tussen een broer en zuster. 

Morg, Syssie. Goeie morgen, zuster. 

Morg, Buije. Goeie morgen, broer. 

Ju ha drink Tee mit Mama? Heb je tee gedronken met 

moeder? 

Ja, die Tee van Ju bin na Ja, jouw tee is in deetenskast. 
binne die Jeet Kas. 

Da fraej, maer mie wens Ju Mooi zo, — maar ik feliciteer je! 
glyk. 

Mit wagut? Waarmee? 

Ju no weet? Weet je dat niet? 

Ju no ka kik hue mie Heer Heb je niet gezien hoe meneer 

N. N. ha kik na Ju gester N. N. gisterenavond naar je 

donker? gekeken heeft? 



172 
Mie no ha let op na die. Daar heb ik niet op gelet. 

Mie no ha neem Notisje. Daar heb ik geen notitie van 

genomen. 

Mie gloof hem hab Sin na Ju. Ik geloof dat hij zin in je heeft. 

Mie no keer. Dat kan me niet schelen. 

Waerom? Waarom niet? 

Ju no weet ons Bierman Ie Weet je niet dat onze buurman 
vrie mie? werk van me maakt? 

Wat, mie no gloof, Ju sa neem Wat? Nu, ik geloof niet dat 
hem. je hem nemen zal. 

Hueso? Hoe dat zo? 

Wat Ju sa due mit hem? Wat zal je met hem doen? 

p. 73. Ju no weet hem bin gue rik? Weet je niet dat hij heel rijk 

Hem hab een Sukker Plantaj is? Hij heeft een suikerplan- 

en mooj Hus, mussie Silver- tage en een mooi huis, veel 

gut, en Hus-Neegers. zilvergoed en huisnegers. 

Maer, wat baet almael sie Maar wat geeft al dat geld 
Geit? van hem? 

Da no die ons almael Ie suk? Is dat niet 't geen we allemaal 

zoeken ? 

Maer Geit alleen no kan maek Maar geld alleen kan niet 
Volk leef vergnugt. maken dat iemand gelukkig 

leeft. 

Maskee, voor al mie sa kan 't Doet er niet toe, de hoofd- 
krieg mooj Gut. zaak is dat ik mooie dingen 

zal kunnen krijgen. 



173 

Hue Ju kan praet soo wissi- Hoe kan je zo iets ondoor- 
wassie Woort? dachts zeggen! 

Ju sa wil trou voor Geit Zal je om 't geld alleen wil 
alleen? len trouwen? 



Wat Ju hab for seg van hem? Wat heb je van hem te zeggen? 



Hem bin een groot Ganganie, 
hem bin een sot, en hem no 
weet for praet na Geselskap* 
Maer, as mie Heer N. N. 
sa vrie Ju, beeter Ju neem 
hem. 

Mie no wil. 



Hij is een grote kwast, hij is 
een zot en hij kan in gezel- 
schap zijn woord niet doen. 
Maar als Meneer N. N. je 't 
hof maakt, is 't beter dat 
je hem neemt. 

Dat wil ik niet. 



Hue so? 

Wat hem hab? 

Hem bin een jong koopman. 
Nogal hem hab genoeg for 
begin die Weerelt, hem Ie 
pas op fraej, en as hem bin 
glykkig, hem kan kom rik. 
Ju no kik almael Volk wil 
hem gue? 



Hoe zo? 

Wat bezit hij? 

Hij is een jonge koopman. Hij 
heeft al genoeg om zijn zaken 
te beginnen, hij past goed 
op en als hij gelukkig is, 
kan hij rijk worden. Zie je 
niet dat iedereen hem graag 
mag lijden? 



Ja, maer ons Bierman hab Ja, maar onze buurman heeft, 

wagut N. Ie suk. wat N. zoekt. 

Wat baet Geit sonder Verstant ? Wat geeft geld zonder verstand? 

Ons Bierman bin Jong nogal. Onze buurman is nog jong. 

As hem no bin wies nu, hem Als hij nu nog niet wijs is, zal 

no sa kom wies leevendag. hij 't nooit worden. 



Hueso Ju weet? 



Hoe weet je dat? 



174 

p. 74. Fordiemaekhemhakomsoohou. Omdat hij zo oud is geworden. 

Hue hou hem bin, Ju denk? Hoe oud denk je dat hij is? 

Hem ka passeer Veif en twintig Hij is over de vijf en twintig. 
Jaer. 

Wat gut die bin? Wat zou dat? 

Da no hou genoeg die for hab Is dat niet oud genoeg om 
meer Verstant? meer verstand te hebben? 

Mie weet Tata sa wil mie Ik weet dat vader liever zal 
liever neem ons Bierman. willen dat ik onze buurman 

neem. 

Mie no gloof, Ju weet Tata Dat geloof ik niet, je weet dat 
no keer voor Geit. Maer ons vader niet om geld geeft. 
Bierman ka praet na Ju for Maar heeft onze buurman je 
vrie? van vrijen gesproken? 

Ja, van ander Jaer. Ja, sedert verleden jaar. 

Voor wat hem no kan praet Waarom kan hij niet met vader 
mit Tata van Ju? over je spreken? 

Da skaem hem bin. Hij is verlegen. 

Na dat Ju kan kik hem bin Daaraan kan je zien dat hij 
een Sot; as die no ha wees, een zot is; als het niet was 
dat hem bin zoo gek, hem dat hij een gek is, zou hij 
sa ka praet lang tit na Tata. al lang met vader gesproken 

hebben. 

Altemits Ju ka beloof mit hem ? Misschien ben je met hem 

verloofd? 

Neen, maer mie hab hem beetje Neen, maar ik houd nog al 
lief. van hem. 



175 



Beeter Ju no denk op van hem 
meer. Maer as mie Heer N. 
Ie vrie Ju neem hem. En 
denk op wagut mie ka seg Ju. 



Mie sal. 



't Is beter dat je niet meer aan 
hem denkt, maar dat, als 
meneer N. je vraagt, je hem 
neemt. En denk er aan wat 
ik je gezegd heb. 

Dat zal ik doen. 



Mie hoop, Ju no sa gooj Ju Ik hoop dat je je niet weg 

self wej. zult gooien. 

Ju bin altee hard bobo ons Je bent te hard voor onze 

Biermem. buurman. 



Mie praet die Waerheit. 

Wel Butje, mie sa kik wat 
mie kan due. Wat mie ka 
praet van ons Bierman, da 
for skeer gek alleen, want 
mie no sa wil hab hem. 



Ik zeg de waarheid. 

Wel, broer, ik zal zien wat ik p. 75. 
doen kan. Wat ik van onze 
buurman gezegd heb, was 
maar uit gekheid, want ik 
wil hem niet hebben. 



Tussen een man en een slaaf. 



Morg, Meester. 

Morg, hue laet die bin? 



Die bin seeven Yer. 



Goeie morgen, Meester. 
Goeie morgen, hoe laat is het? 



't Is zeven uur. 



Voor wat Ju ha lastaen mie Waarom heb je me zo laat 
slaep soo laet? laten slapen? 

Fordiemaek Meester ha sit op Omdat Meester gisterenavond zo 
soo laet gester donker. laat opgezeten heeft. 



Wat Ju Vrou bin? 



Waar is je meesteres? 



176 

Hem Ie due an sie Kleer. Zij is zich aan 't kleden. 

Vrou ka drink Tee? Heeft de Juffrouw tee ge- 
dronken ? 

Neen, Meester. Neen, Meester. 

Ju ka roskam die Kabaj sender? Heb je de paarden geroskamd? 

Ja, Meester. Ja, Meester. 

Sender hab Beesjeet? Hebben ze eten? 

Die no hab Beesjet meer? Is er geen voer meer? 

Neen, die ka kabae. Neen, 't is op. 

Lastaen sender loop na Sawaen. Laat ze naar de wei gaan. 

Da wie sa loop mit sender? Wie zal met ze mee gaan? 

Die twee klein Jong sender. De twee kleine jongens. 

Die Kuj sender ookal? De koeien ook? 

Neen, altemets sender sa stoot Neen, ze zullen misschien de 
die Kabaj sender. paarden stoten. 

Maer lastaen sender loop na Maar laat ze naar 't oude 
die hou Majis-Stik. korenland gaan. 

Meester, Kabaj ka verloor sie Meester, 't paard heeft z'n ene 
een Skuen. ijzer verloren. 

Lastaen die Smit Ie beslae hem. Laat de smid hem beslaan. 

Ju ka kik na die Sael? Heb je 't zadel nagezien? 

p . 76. Die een Stie-Beegelnobindaeso. De ene stijgbeugel is er niet. 



177 

Mie hoop, Ju sa maek die Ik hoop dat je de pistolen 
Pistool sender skoon. schoon zult maken. 

Mie ha skoon sender gester Ik heb ze gisterenmorgen schoon 
vrue vrue. gemaakt. 

Mie weet, maer mie ha skiet Dat weet ik, maar ik heb 
mit sender gester After* er gisterenmiddag mee ge- 
middag, schoten. 

Wa mie Ruer bin? Waar is mijn geweer? 

Die Neeger ha loop skiet blau De neger is er blauwe duiven 
Dief mit die. mee gaan schieten. 

Voor wat Ju no ha gief hem Waarom heb je hem niet het 
die hou Ruer? oude geweer gegeven? 

Die no bin fraej. Dat is niet in orde. 

Wa die Bomba bin? Waar is de opzichter? 

Hem ka loop mit die Neeger Hij is met de negers naar 't veld 
sender na Kamina. gegaan. 

Ju no weet, wat sender Ie due? Weet je niet wat ze doen? 

Sender Ie dig Sukker-Gat. Ze graven gaten voor 't suiker- 
riet. 

Die klein Majis ha plant kabae ? Is de jonge maïs al geplant? 

Mie no weet. Ik weet het niet. 

Wagut die Timmerman sender Wat doen de timmerlui? 
Ie due? 

Sender ka versie die Hus? Hebben ze 't huis voorzien 

(hersteld)? 

12 



178 

Ja, Meester. Ja, Meester. 

Lastaen sender begin na dieMola. Laten ze aan de molen beginnen. 

Wat die Metselaer sender sa due ? Wat zullen de metselaars doen ? 

Sender sa breek die Keetel yt Zij zullen de ketel in het kook- 

na die kookhus. huis uitbreken. 

Die Mortel ka maek? Is de kalk gemaakt? 

Ja, maer almael die Klinker Ja, maar al de stenen zijn nog 

no ka kom van Bay. niet van de baai gekomen. 

Wa die Goffie die Neegerin Waar is de koffie die de negerin- 

sender ha pik gester? nen gisteren geplukt hebben? 

p. 77. Na Magasien. In 't pakhuis. 

Die hab meer na die Boom Is er nog meer aan de bomen? 
sender ? 

Ja, maer sender no ka rip. Ja, maar ze is nog niet rijp. 

Sender mut pas op sender fraej. Ze moeten daar goed voorzorgen. 

Die Busael sender ka krieg Hebben de nieuwe negers eten 

Jeet ? gekregen ? 

Die no ka kook nogal. 't Is nog niet gekookt. 

Lastaen sender maek gau. Laten ze voort maken. 

Mie no wil, dat sender sa kom Ik wil niet dat ze aan 't luieren 

na löj Maneer. raken. 

Ju pas op, soo lang mie loop Let op de boel, terwijl ik aan 

wandel. 't wandelen ben. 



179 



Tussen een vrouw en haar slavin. 



Na wa Ju blief? 



Waar blijf je ? 



Mie Ie krieg skoon Kleer voor Ik krijg schone kleren voor de 
Vrou. Juffrouw. 



Wa Ju klein Vrou bin? 



Hem bin hieso. 



Waar is mijn dochter? 
Ze is hier. 



Krieg een Paer skoon Kous. Krijg een paar schone kousen. 
Ju ka krieg skoon Kleer ? Heb je schone kleren gekregen ? 



Ja, Vrou. 



Ja, Juffrouw. 



Wa mie blau Sie Skuen mit Waar zijn mijn blauw zijden 
die Silver Galoon? schoenen met zilver galon? 

Gief mie een van die Onder- Geef me een van de onderrokken 
Saja mie ha maek lest. die ik laatst gemaakt heb. 

Gief mie een Hemete mit Geef me een chemiset met een 
Bordier-Lobbetje. geborduurd kantje. 



Ju mut neem die Kap, en die 
Neesduk van die selfde Sort. 
Ju hoor? 



Je moet de muts en de halsdoek 
van dezelfde soort nemen. 
Versta je? 



Wat Japuen Vrou wil heb? Welke ochtendjapon wil U 

hebben ? 



Die roo Damast. 



De rood damasten. 



Wat lent Vrou wil hab? 



Welke linten wil U hebben? 



Die blau sender, en die blau De blauwe en de blauwe hals- p . % 
Kalala en Oorhanger Ju hoor? ketting en oorbellen, hoor je ? 



180 

Kom , bind mie Haer ! Kom , maak mijn haar op ! 

Wa mie Kap? Waar is mijn muts? 

Gief mie Spel. Geef me spelden. 

Die no hab meer groot? Zijn er geen grotere? 

Die no hab. Die zijn er niet. 

Kik na die Skiffie, die hab daeso. Kijk in het laatje , daar zijn er in. 

Veeg die Spiegel. Veeg de spiegel af. 

Hoppo die Venster. Doe 't raam open. 

Mie Kap sit fraej na aster? Zit mijn muts goed naar 

achteren ? 

Spel die Lent na aster. Speld de linten achteraan vast. 

Die Strikkie no ka maek fraej. De strik is niet goed gemaakt. 

Ja, nu die bin guet. Zo, nu is hij goed. 

Wa mie Hemete bin? Waar is mijn hemd? 

Hieso. Hier zo. 

Sender no ha plooj die klein Ze hebben het niet fijn genoeg 
genug. geplooid. 

Gief mie mie onder-Saja. Geef me mijn onderrok. 

Wa die gestigte Keers? Waar is 't gestikte keurslijfje? 

Gief mie die blaue. Geef me het blauwe. 

Wa mie Sak sender bin? Waar zijn mijn zakken? 



181 

Geef mie die Japuen. Geef me de ochtendjapon. 

Wa mie Borsje bin? Waar is mijn onderlijfje? 

Kik, as mie Japuen sit glat na Kijk of mijn ochtendjapon van 
aster. achteren glad zit* 

Hael mie Hemete beetje na Haal mijn chemiset wat naar 
molee. beneden. 

Da alteveel, mie geloof Ju Dat is te veel, ik geloof dat 
bin sot. je gek bent. 

Ja, nu die bin fraej. Zo, nu is 't goed. 

Wa mie Hals-Neesduk? Waar is mijn halsdoek? 

Spel die na aster. Speld die van achteren vast. 

Na wa Ju blief mit die Spel Waar blijf je met de spelden ? P- 79 - 
sender? Ju no hoor? Versta je me niet? 

Mie Ie kom. Ik kom al. 

Mie gloof Ju wil hab mie sa Ik geloof dat je wil hebben 
kom haal Ju. dat ik je kom halen. 

Die no hab meer van die groot Er zijn niet meer van de grote 
Spel sender. spelden. 

Gief mie van die kleintje. Geef me van de kleine. 

Bind mie Kalala. Maak mijn halssnoer vast. 

Due die Oorhanger na mie Hoor. Doe de bellen in mijn oren. 

Ju due mie Seer. Je doet me zeer. 

Mie no kan help. Ik kan 't niet helpen. 



182 

Gief mie mie Hantskuen sender. (reef me mijn handschoenen. 

Gief een beetje Waeter. Geef een beetje water. 

Hueso Ju ka spel die Kap na Hoe heb je de muts van ach- 
aster? teren vastgespeld? 

No steek mie. Prik me niet. 

Wa mie Vlyveel Bangres? Waar is mijn fluwelen huik? 

Mie ha denk Vrou sa gebryk Ik dacht dat U Uw hoed zou 
die Hutje. gebruiken. 

Wa die Paresol? Waar is de parasol? 

Kik as die Kas sender ka tue. Kijk of de kasten toe zijn. 

Due die Magasien Sleetel na Leg de sleutel van de provisie- 
die Kas. kamer in de kast. 

Gief mie die Kas-Sleetel sender. Geef mij de sleutels van de kast. 

Pas op , tee mie Ie kom na Hus. Pas op totdat ik thuis kom. 

Seg ju Meester, mie ka klaer, Zeg aan je meester dat ik klaar 
mie Ie wag hem. ben, en dat ik op hem wacht. 

p . 80. Da waer, gief mie mie Nees- Dat is waar ook, geef me mijn 
duk, mie Snif-Doosie en mie zakdoek, mijn snuifdoos en 
Wajer. mijn waaier. 

Kaj! Vrou ka sjansee gue Och, och! Wat is de Juffrouw 
mooj. mooi aangekleed! 



183 



C. Teksten ontleend aan de spraakkunst 
der Herrnhutters (G. H.). 



Gesprek tussen een negermeisje en de vrouw van een 
„Baas" (zendeling der Herrnhutters). 

Adjo vro! — 

Adjo mi Kind! Hoesoe joe Naam? 

Priscilla. 

Soo! da joe Priscilla? Joe Mama ben fraai? 

Ja Vro! 

Joe ookal ben fraai? 

Ja Vro mi ben fraai. 

Maar voor wagoed joe kom hiesoo? 

Mi kom na Kerk. 

Joe ook will soek die Heiland? 

Ja Vro! 

Joe kan hoor fraai, wagoed Baas praat na kerk? 

Ja Vro! 

Joe a wees verleeden Sondag na Kerk? 

Neen Vro! mi no a krig Pad. Mi Meester no wil laatstaan 
mi loop na Kerk. Mi mankeer die Heiland; mi weet mi ben 
een pover bederf, verloor, Kind. 

Hoesoo joe ka krig Tid vor kom van Dag? 

Mi Meester en Vro no a wees na Hoes. Sender ka loop na 
Plantaj; diemaak mi a kan kom. 

Noe, die Kloek lo ling. Pas fraai op wagoed joe lo hoor 
van die lieve Heiland, en vat die fraai nabinn joe Hert. As 
joe ook no krig Pad for kom altid na Kerk, so praat mee die 
liefe Heiland. Em sal hoor joe en segen joe, as joe ook ben 
na Hoes en na joe Werk. 



184 



Fragment van een gesprek tussen een oude negerin 

en de vrouw van een „Baas". 

Hoesoe joe ben Lisabeth? 

Mi arm pover, mi soutkop, mi swart Heide mi a wees; mi 
no a weet dat soo groot Goed mi sal kik leevendag. Mi a 
wees soo dom (g)lik een Koei. Mi no kan dank die liefe Heiland 
genoeg voor die groot Goed Em, mi Tata, ka gie mi. Mi gloof 
dat Em ka dood voor mi; mi lo voel die nabinn mi Hert. Mi 
no hab een Goed vor dink op meer na deese Werld as die 
Tatta na bovo. Mi no ha Man, mi no ha Tatta, mi no ha 
Mama, mi no ha Boetje, mi no ha Suschi. Mi neem die Tatta 
nabovo voor mi Man. Die Tata na bovo da Em ben mi Man. 
Em pas op mi, Em ben mi Tatta, Em ben mi Mama, Em ben 
mi Broeer, Em ben mi Suschi, Em ben allegaar Goed vor mi. 



D. Teksten ontleend aan de vertaling van het 

Nieuwe Testament door de 
Denen (N. T. D.) 



VOORBERIGT. 

Eerst ons bin forpligt for giev behoorlig Lof en Dank na 
die Allerhoogste, die ka open voor ons Pad, Midlen en 
Manier for maek bekent op die leste door die Dryk deese 
tegenwoordig Creols Oversetting van die Nyw Testament, van 
die ons beloov ons soo mussie te meer Vrygt, als die ha wees 
die Verlang en Wens van veele lang tit, en van die Deen 
Neger Gemeinte na besonders. 

Ons gloov voor die Rest, dat die no sal wees die Leeser 
onangenaem for krieg, soo ver die Rymte wil laet die tu, een 
kort Onderrigting van die Kooninglig Mission op die deen 
americanse Eilanden van sie Begin af tee na deese tegen- 
woordig Tid. 

Deese Mission ha wordt opgerigt in die Jaer 1756 volgens 
die Order van saelig en hoogruemwaerdig Gedagtenis Kooning 
FRIDERIC V. en die ha wordt betrowt na die Kooninglig 
General-Kirk-Inspections Collegium for reguleer en besorg die, 
welk ha neem an ookal, volgens allergnaedigst Order, en ha 
stier yt die Jaer asteran 10 Leerars onder die Naem van Over- 
en Onder-Catecheten, die ha wordt geruepen na Hus weeran, 
en sender Plaes ha wordt beset mit ander in verskejig vol- 
gende Jaeren. 



186 

Deese ha verdeel sender in die Begin na die Steden en op 
die Plantagien, volgens die Instrux, die sellie ha ka krieg, en 
sellie ha leer en ha onderwies in sender Muder Tael, nu ha 
vueg die Ongerwieste van sender na die deen Gemeinten. 

Maer soolang die no ha hab Woon- of Skool-Husen op die 
Plantagien voor die Leerars, welk mankeer nogal, en deese 
Omstandigheid ha kom daertu ook, dat die Mujligheid van die 
Pad op deese Berg- en klipagtig Eilanden , soo ook die verswae- 
kende heete Climat ha hinder die voorgenaemte Leerars vor 
stap na die Vutstappen van die eerste Apostlen na die Kant, 
soo die General-Kirk-Inspections Collegium ha kom geforceert 
for maek Verandring na die, en for lastaen die Mission bliev 
na binne die Steden alleen, soolang tee deese Werk sie aller- 
hoogste Stigter, die hab die Harten na binne sie Hand, selv 
giev Midlen en Gelegenheid tot verder Vergrooting. 

Die Missioneers ha leer die Creol Tael tit aster tit, en ha 
begin nu for onderwies na die volgens die Order van Collegium. 
Dat ha hab deese gesegend Werking, dal die Negers die 
te voorn ha how die Leering voor een hard Woord, door die 
Swaerigheid van die vreemd Tael, na die sellie ha mut ontfang 
Onderwiesing, ha vind soo veel meer Smaek na die nu, als 
sellie ha kan vat en verstaen die voorgehowen Leer meer ligt 
en meer gaw in sender eigen Muder Tael. 

Soodaenig een meer groot Getal ha kom begeerig nae die 
Melk van Evangelium, en ha suek Onderwiesing meer gewillik, 
en ha ontfang die Woord mit meer groot Lyst. 

En soolang nu veele van die Negers ha wordt gevonden for 
wees gehoorsam na die Gloof, soo die Proselyten ha wordt 
getroken van die deen Gemeinten voor die wille van die Onder- 
skejing van die Tael, en ordentlig Neger Gemeinten ha wordt 
opgerigt, voor die een eigen Missions Dominie nu staen, en 
bestelte Missions Catecheten, die verrigt die opentlig Godtes 
Dienst mit Sang, Predik, Catechisation en Onderwiesing in die 
Skolen, en ander Ministerial Verrigtingen ookal na die Creol 
Tael alleen, die die Negers hoor en verstaen algemeen. 

Al Onderwiesing ha geskiedt mondlik na eenig Tid van 
Mankement van Help-Midlen, en van al, wat ha kan ondersteen 
die Gedagtenis van die Negers, daerom Collegium ha maek 
Anstalten vor besorg die Mission mit Creolse Buken. 



k 



187 

Die Begin ka maek mit een A. B. Buk, en die klein Cate- 
chismus van Lutherus, en eenig Kirk-Psalmen ookal, die ha 
wordt gedrykt hiesoo in die Jaer 1770, en ha wordt gestiert 
daerover. 

Asteran ons ha begin vor denk op na een Oversetting van 
die Nywe Testament, welk Heer Stadhoofdman Jochum Melchior 
Magens, en Creol van St. Thomas, die ka studeer bie die 
Copenhavense Universitet, ha neem op hem, op die Versuek 
van Collegium. Deese gueje man, die tevoorn ha ka skriev van 
sie eigen gueje Wil een Creols Grammatica tot Dienst voor die 
Missions Bedienten, die ookal ha wordt gedrykt in die Jaer 
1770, en byttendien ha lastaen skriev door een van die Missions 
Catecheten, die hem na deese Oogmerk ha giev Plaes na sie 
Hus, een Woord-Buk, die bin volstandig genug, maer leg onge- 
drykt nogal, hem ka maek sie hoog verdient door die van die 
Missions Werk. En soolang hem ka neem op hem soo veele 
wigtig Werken, sonder for krieg die geringste Belooning van 
die tee deese Dag, soo ons derv for hoop, dat hem sal verdien 
die Opdenking van sender, die kan beoordeel en beloon waer- 
dige Bemujingen, soo veel meer, als die Mission kan verwaek 
door sie prieselig Beesigheid for kik van sie Hand een Over- 
setting nogal van die Oud Testament, van welk die Psalmen 
van David bin klaer alreets, en ons kan verwaek die Prophetis 
Buken aster een kort Tid. 

Die Heer selv leg sie Segen na deese Werk! hem lastaen 
veele Sielen van die Heidens, die bin in die Dysternis nogal, 
vuel die godtlig Kragt van die Woord, dat sellie kan kom 
volkom bereidt door die na almael gueje Werken, en op die 
leste vind en vat die eeuwig Leven. 

In die General -Kir k-In spections 
Collegium die 1 Mart. 1781. 

L. Harboe. E. J. Jessen-S. J. Hvid. A. P. Bartholin. 



NA DIE LEESER. 

Maskee Autor van die Creols Grammatica ka giev een 
Waerskowing aster die Samenspraek tyssen een Catecheet 
en een Heiden, en ka wies daer, dat die bin noodsaeklig na 
geestlige Saeken for volg die hollands Spraek, als die regte 
Oorsprong van die Creolse, soo mie bin verpligt for giev een 
Waerskowing ookal, dat mie ka volg die selve Regel na deese 
Oversetting van die Nywe Testament. Mie ka volg die Creolse 
Spreek-Manier overal, maer mie no ha wil gebryk die gemeene 
Woorden en Spreeken, voordiemaek die no pas na een geestlig 
Materie; en mie selv ka hoor, dat soowel die Blanko als die 
Negers ha wees gestoort en ha erger sender over for hoor van 
die een, of van die ander na eenig Predikasje of geestlig Dis- 
cours, dat sellie ha gebryk sylke gemeene Woorden, die sellie 
dog gebryk in daglig Omgang. Mie Leeser! mie hoop, dat ju 
sal wees vergnuegt, dietit ju denk op, dat mie no ha wil, dat 
die Woord en Waerheid, die ons Saeligmaeker ka giev na sie 
Apostlen en Disciplen for verkondig tot sie Naems Eer en ons 
Saeligheid, sal wordt tot Oneer van sie Naem, en een Dwaes- 
heid voor som Tuhoorders, en een Ergernis voor ander. Neem 
deese Waerskowing an in Liefde. Mie wens ju die Segen van 
die drie-eenig Godt, en bin ju 



St. Thomas in America 



Vriend en Welwenser 
Die Oversetter. 



DIE EVANGELIUM 



VAN 



MATTHEUS 



DIE I. CAPITTEL. 

I.) Die Geslagt-Register van Christus, 1 — 17. 

II.) Sie Ontvangnis va/n die heilig Geest, sie Noemen, en 

Geboorte van Jomfrouw Maria. 18 — 25. 



Die Familie-Buk van Jesus 
Christus, die ha wees 
David sie Soon, die ha wees 
Abraham sie Soon. 

2. Abraham ha teel Isaac; 
Isaac ha teel Jacob ; maer Jacob 
ha teel Juda en sie Bruders. 

3. Maer Juda ha teel Phares 
en Zara van Thamar; maer 
Phares ha teel Esrom; maer 
Esrom ha teel Aram. 

4. Maer Aram ha teel Ami- 
nadab; maer Aminadab ha teel 
Naasson ; maer Naasson ha teel 
Salmon. 

5. Maer Salmon ha teel Booz 
van Rachab ; maer Booz ha teel 
Obed van Ruth ; maer Obed ha 
teel Jessai. 



6. Maer Jessai ha teel Kooning 
David ; maer Kooning David ha 
teel Salomon van Uria sie Vrow. 

7. Maer Salomon ha teel 
Rhoboam; maer Rhoboam ha 
teel Abia; maer Abia ha teel 
Asa. 

8. Maer Asa ha teel Josaphat ; 
maer Josaphat ha teel Joram; 
maer Joram ha teel Ozias. 

9. Maer Ozias ha teel Joa- 
tham; maer Joatham ha teel 
Achas; maer Achas ha teel 
Ezechias. 

10. Maer Ezechias ha teel 
Manasse ; maer Manasse ha teel 
Amon; maer Amon ha teel 
Josias. 

11. Maer Josias ha teel 



190 



Jechonias en sie Bruders, om- 
trent na die Tid van die Ge- 
vangnis van Babyion. 

12. Maer aster die Gevangnis 
van Babyion Jechonias ha teel 
Salathiel; maer Salathiel ha 
teel Zorobabel. 

13. Maer Zorobabel ha teel 
Abiud; maer Abiud ha teel 
Eliachim; maer Eliachim ha 
teel Azor. 

14. Maer Azor ha teel Zadoch ; 
maer Zadoch ha teel Achim; 
maer Achim ha teel Eliud. 

15. Maer Eliud ha teel Elea- 
zar ; maer Eleazar ha teel Mat- 
than; maer Matthan ha teel 
Jacob. 

16. Maer Jacob ha teel Joseph , 
die Man van Maria; van hem 
Jesus bin gebooren, die wordt 
genaemt Christus. 

17. Daerom almael die Leden 
van Abraham tee na David bin 
veertien Leden; en van David 
tee na die Gevangnis van Baby- 
Ion bin veertien Leden; en van 
die Gevangnis van Babyion tee 
na Christus bin veertien Leden. 

18. II.) Maer die Geboorte 
van Jesus Christus ha wees 
soo : dietit sie Muder Maria ha 
wees beloovt mit Joseph, eer 
sellie ha kom malkander, hem 
ha wordt bevonden for wees 
swanger van die heilig Geest. 



19. Maer sie Man Joseph, 
die ha wees regtveerdig, en no 
ha wil maek hem Skaem ha 
wil skej van hem , sonder Volk 
sal weet die. 

20. Maer dietit hem ha 
denk soo, kik een Engel van 
die Heer ha verskien voor 
hem na binne een Droom, en 
ha seg: Joseph, David Soon! 
no bang for neem ju Vrow 
Maria; want wat ka ontvang 
na binne hem, bin van die 
heilig Geest. 

21. Maer hem sal baer een 
Soon , en ju sal ruep sie Naem 
Jesus ; want hem sal verlos sie 
Volk van sender Sonden. 

22. Maer al dat ka gebeer, 
dat die sal kom vervylt, wat 
die Heer ka seg door die Pro- 
pheet, die seg: 

23. Kik een Meissje sal kom 
mit Kind, en sal baer een Soon, 
en sellie sal ruep sie Naem 
Emanuel, die bin, naonsTael: 
Godt mit ons. 

24. Maer dietit Joseph ha 
hoppo yt van sie Slaep, hem 
ha due als die Heer sie Engel 
ha ka belast hem; en hem ha 
neem sie Vrow. 

25. En hem no ha beken hem, 
tee hem ha ka baer sie eerst- 
gebooren Soon, en hem ha ruep 
sie Naem Jesus. 



191 



DIE II. CAPITTEL. 

I.) Die Wiesen bid Christus an, 1—12. II.) Joseph vlygt 

na Egipten mit Maria en die Kind, 13—15. III.) Herodes 

lastaen maék dooi die Bethléhemitis Kinders, 16—18. 

IV.) Jesus kom na Nazcvreth, 19—23. 



Maer dietit Jesus ha wees 
gebooren na binne Beth- 
lehem in Judea, na die Tid 
van Kooning Herodes, kik 
Wiesen van Oost ka kom na 
Jerusalem, en ha seg: 

2. Waer hem bin, die bin 
gebooren die Kooning van die 
Jooden? want ons ka kik sie 
Ster in die Oost, en ons ka 
kom for bid hem an. 

3. Maer dietit Kooning Hero- 
des ha hoor dat, hem ha ver- 
skrik, en al Jerusalem mit hem. 

4. En aster hem ha ka ver- 
gaeder die hoog Priesters en 
Skriftgeleerden van die Volk, 
hem ha vraeg sender, waer 
Christus sal wordt gebooren. 

5. Maer sellie ka seg na 
hem: na binne Bethlehem in 
Judea; want soo die Propheet 
ka skriev: 

6. En ju Bethlehem in Juda 
Land, levendag ju bin die 
kleinste tyssen die Vorsten van 
Juda; want van ju sal kom 
een Voorst, die sal vuel mie 
Volk Israël. 

7. Soo Herodes ha ruep die 
Wiesen sutje, en ha vraeg gu 



hart van sender, wattit sellie 
ha ka kik die Ster. 

8. En hem ha stier sender 
na Bethlehem, en ha segijellie 
reis na daesoo, en vraeg gu 
hart van die Kind ; en als jellie 
ka vind die, kom seg dat na 
mie, dat mie kan kom ookal, 
en bid hem an. 

9. Maer aster sellie ha ka 
hoor die Kooning, sellie ha 
loop wej; en kik die Ster, die 
sellie ha ka kik in die Oost, 
ha loop voor sender, tee die 
ka kom, en ka staen na boven 
over, waer die Kind ha wees. 

10. Maer dietit sellie ka kik 
die Ster, sellie ha kom over 
blie. 

11. En sellie ha loop na binne 
na die Hus, en ha vind die 
Kind, en sie Muder Maria, en 
sellie ha val na die Grond, en 
ha bid an die Kind, en ha open 
sender kostbar Gut, en ha offer 
Geskenk na hem, Goud, en 
Wierook, en Myrrha. 

12. En dietit Godt ka waer- 
skow sender na binne een 
Droom, dat sellie no ha sal 
draej weeran na Herodes, sellie 



192 



ha loop na een ander Pad na 
sender Land. 

13. II.) Maer aster sellie ha 
ka loop wej , kik die Engel van 
die Heer ha openbaer sie selv 
voor Joseph na binne een 
Droom, en ha seg: hoppo, en 
neem die Kind mit sie Muder, 
en vlygt na Egipten, en bliev 
daesoo tee mie seg na ju ; want 
Herodes sal suek die Kind, for 
maek hem doot. 

14. Maer hem ha hoppo, ha 
neem die Kind en sie Muder na 
Donker, en ha vlygt na Egipten. 

15. En hem ha bliev daesoo 
tee Herodes ha ka doot; dat 
die ha sal vervylt, wat die 
Heer ha ka seg door die 
Propheet, die seg: mie ka ruep 
mie Soon van Egipten. 

16. III.) Dietit Herodes ha 
kik nu, dat die Wiesen ha ka 
bedrieg hem, hem ha kom gu 
qvaed; en ha stier yt, en ha 
lastaen maek doot almael Kin- 
ders, die ha wees na binne 
Bethlehem, en na al die Land 
daesoo, van twee Jaer oud en 
daeronder, aster die Tid hem 
ha ka ondersuek die van die 
Wiesen. 

17. Dan die ka vervylt, wat 
die Propheet Jeremias ka seg, 
die seg: 



18. Een Stem ka hoor na 
binne Rama, Kries, Skreew, 
en gu Hyelen: Rachel kries 
voor sie Kinders, en no wil 
wees getroost, voordiemaek 
sellie no bin. 

19. IV.) Maer dietit Herodes 
ha ka sterv, kik dan die Engel 
van die Heer ha openbaer sie 
selv voor Joseph na binne een 
Droom in Egipten, en ha seg: 

20. Hoppo, neem die Kind 
mit sie Muder, en loop heen 
na die Land van Israël; want 
sellie ka doot, die ka suek die 
Leven van die Kind. 

21. Maer hem ha hoppo, ha 
neem die Kind, en sie Muder, 
en ha kom na die Land van 
Israël. 

22. Maer dietit hem ka hoor, 
dat Archelaus ha wees Kooning 
in Judea, na Plek van sie 
Vaeder Herodes, hem ha bang 
vor kom daesoo; maer Godt 
ha waerskow hem na binne 
een Droom, en hem ka loop 
na een Plek van die Land 
Galilea. 

23. En hem ka kom, en ka 
woon na binne een Stad, die 
hiet Nazareth; dat die sal kom 
vervylt, wat die Propheeten ka 
seg, dat sie Naem sal wordt 
genaemt Nazareus. 



193 



DIE 3. CAPITTEL. 



I.) Johannes preek, doop en Vermaen, 1— -12. 
IL) Johannes doop Jesus. 13—17. 



Maer na die selve Tid 
Johannes die Dooper ka 
kom , die ha preek na die Wu- 
steine van Judea, en ha seg: 

2. Bekeer jender; want die 
Hemelrik ka kom diestebie. 

3. Want hem bin die, van 
die Propheet Jesaias ka spreek 
van, en seg: die bin sie Stem, 
die ruep na binne die Wusteine : 
berej die Weg van die Heer, 
maek sie Paden regt. 

4. Maer die selve Johannes 
sie Kleed ha wees van Cameel- 
Haer, en hem ha hab een Leer- 
Band ront sie Heep; maer sie 
Jeet ha wees Springhaenen , en 
wild Honing. 

5. Soo Jerusalem ha loop 
yt na hem, en die heel Judea, 
en al die Land, die leg rontom 
Jordan. 

6. En hem ha doop sender 
na binne Jordan, en sellie ha 
beken sender Sonden. 

7. Maer dietit hem ha kik, 
dat veele Phariseewen en Sadu- 
seewen ha kom na sie Doop, 
hem ha seg na sender: jellie 
Adder Kinders! wie ka leer 
jender for vlygt van die Toorn, 
die sal kom? 

8. Daerom draeg Vrygten, 



die behoor na die Bekeering. 

9. En no denk, dat jellie ha 
wil seg bie jender selv; ons 
hab Abraham voor ons Vae- 
der; want mie seg na jender; 
dat Godt kan wek op Abraham 
Kinders van deese Steenen. 

10. Maer die Biel leg klaer 
ookal na die Wortel van die 
Boomen; daerom elk Boom, 
die no draeg gueje Vrygt, sal 
wordt afgekapt, en gegoojt na 
binne die Vier. 

11. Mie doop jender wel mit 
Water tot Bekeering; maer 
hem, die kom aster mie, bin 
meer magtig, als mie, en mie 
no bin waerdig for draeg sie 
Skuen, hem sal doop jender 
mit die heilig Geest en mit 
Vier. 

12. Sie Koorn-Skop bin na 
sie Hand, en hem sal veeg die 
Vluer van sie Koorn-Hus, en 
hem sal bring teesaemen sie 
Koorn na binne die Koorn-Hus; 
maer die Skel hem sal verbrand 
mit Vier, die no sal yt levendag. 

13. II.) Soo Jesus ha kom 
van Galilea na Jordan na 
Johannes, for wordt gedoopt 
van hem. 

14. Maer Johannes ha weiger 

13 



194 



die gu, en ha seg: mie hab 
noodig, for ju sal doop mie, 
en ju kom na mie? 

15. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na hem : lastaen die 
nu soo; want die behoor ons 
for volkom al Geregtigheid. Soo 
Johannes ha laet die tu. 

16. En dietit Jesus ha wees 
gedoopt, hem ha loop yt 



anstonds van die water; en 
kik, die Hemlen ha open 
voor hem, en hem ha kik 
die Geest van Godt kom na 
molee als een Diefje, en ha 
kom over hem. 

17. En kik, een Stem van 
die Hemel ha seg: Dees bin 
mie lieve Soon, na die mie 
hab groot Behaeg. 



DIE 4. CAPITTEL. 

I.) Die Dievd versuek Christus, 1—11. II.) Christus loop 

wej van Judea, en woon na Capernawm, 12—16. III.) Hem 

preek, 17. ruep vier Apostlen, 18—22. IV.) leer en 

genees, 23—25. 



Soo die Geest ha bring Jesus 
na binne die Wusteine, dat 
die Dievel sal versuek hem. 

2. En dietit hem ha ka vast 
veertig Dagen en veertig Nagts, 
hem na kom hongrig. 

3. En die Versuker ha loop 
na hem, en ha seg: als ju bin 
Godt sie Soon, soo seg, dat 
deese Steenen draej Brood. 

4. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg: die ka skriev: die 
Mens no leev van Brood alleen, 
maer van elk Woord, die loop 
yt Godt sie Mond. 

5. Soo die Dievel ha neem 
hem mit sie na die heilig Stad, 
en ha set hem na bobo die Top 
van die Tempel, en ha seg 
na hem : 

6. Als ju bin Godt sie Soon, 



soo gooj ju selv hiersoo na 
molee, want die ka skriev: 
Hem sal giev sie Englen Be- 
veel van ju, dat sellie sal draeg 
ju na Handen, dat ju no sal 
stoot ju Vut na niet een Steen. 

7. Soo Jesus ha seg na hem : 
die ka skriev ookal : ju no sal 
versuek die Heer ju Godt. 

8. Weeran die Dievel ha 
neem hem mit sie na bobo 
een gu hoog Berg, en ha wies 
hem almael die Kooningriken 
van die Weereld mit sender 
Heerligheid en ha seg na hem : 

9. Al dat mie wil giev na 
ju, als ju wil val neer, en 
bid mie an. 

10. Soo Jesus ha seg na 
hem: skeer wej Satan! Want 
die ka skriev: ju sal bid an 



L 



195 



die Heer ju Godt, en dien 
hem alleen. 

11. Soo die Die vel ha lastaen 
hem; en kik, die Englen ha 
kom, en ha dien hem. 

12. II.) Maer dietit Jesus ha 
ka hoor, dat sellie ka leever 
Johannes over na binne Ge- 
vangnis, hem ha loop wej na 
die Land van Galilea. 

13. En dietit hem ha ka loop 
wej van Nazareth , hem ha kom 
en ha woon na Capernaum, 
die leg bie die See, na binne 
die Land-deel van Zabulon en 
Nephthalim : 

14. Dat die sal kom vervylt, 
wat die Propheet Jesaias ka 
seg, dietit hem seg: 

15. Die Land van Zabu- 
lon en Nephthalim bie die 
See Pad na deese Sie van Jor- 
dan, die bin Galilea van die 
Heidens ; 

16. Die Volk, die ka sit na 
binne Dy sternis, ka sien een 
groot Ligt, en een Ligt ka 
hoppo voor sender, die ka sit 
na die Land en Shadyw van 
die Dood. 

17. III.) Van dietit Jesus ha 
begin for preek, en for seg: 
bekeer jender, want die Hemel- 
riek ka kom diestebie. 

18. Maer dietit Jesus ha loop 
na die See van Galilea, hem 
ha kik twee Bruders, Simon, 
mit die Naem Petrus, en An- 
dreas sie Bruder, die ha gooj 



sender Net na binne die See; 
want sellie ha wees Visser- 
mans; 

19. En hem ha seg na sen- 
der: volg mie, mie sal maek 
jender Vissermans van Mensen. 

20. Maer sellie ha lastaen 
sender Net anstonds, en ha 
volg hem. 

21. En dietit hem ha loop 
voort van daesoo, hem ha kik 
twee ander Bruders, Jacobus, 
die Soon van Zebedeus, en 
Johannes sie Bruder na binne 
die Skip met sender Vaeder 
Zebedeus, dat sellie ha lap 
sender Net; en hem ha ruep 
sender. 

22. Maer sellie anstonds ha 
verlaet die Skip, en sender 
Vaeder, en ha volg hem. 

23. IV.) En Jesus ha loop 
ront die geheel Galilea, ha leer 
na binne sender Skolen, en ha 
preek die Evangelium van die 
Rik, en ha genees al Siekte, 
en al Swakheid onder die Volk. 

24. En sie Naem ha kom 
yt over al Syria: en sellie ha 
bring na hem sender almael, 
die ha wees siek van al sort 
Siekte en Plaegen, en die Be- 
seten, en die Maensieken, en 
Lamen; en hem ha genees 
sender. 

25. En veel Volk ha volg 
hem van Galilea, en Decapolis. 
en Jerusalem, en Judea, en 
van die ander Sie van Jordan. 



196 



DIE 5. CAPITTEL, 



I.) Jesus leer na bobo die Berg, welk Mensen bin saelig, 
1—12. IL) van gueje Werken en die Wet, 13—20. III.) leg 

van die veifde Gebod yt, 21—26. IV.) van die 
Sesde 27—32. V.) vcm die tweede 33—37. VI.) weerom van 

die veifde, 38—48. 



Maer diedit Jesus ha kik 
die Volk, hem ha loop na 
bobo een Berg; en aster hem 
ha ka sit neer, sie Disciplen 
ha loop na hem: 

2. En hem ha open sie Mond, 
ha leer sender, en ha seg: 

3. Saelig bin die geestlig 
Povers; want die Kooningrik 
van die Hemel bin van sender. 

4. Saelig sellie bin, die treer; 
want sellie sal wordt vertroost. 

5. Saelig bin die Sagtmue- 
digen; want sellie sal erv die 
Aerde. 

6. Saelig sellie bin, die hon- 
ger en dorst nae Geregtigheid ; 
want sellie sal kom vesaedigt. 

7. Saelig bin die Barmher- 
tigen; want sellie sal vind 
Barmhertigheid. 

8. Saelig bin die Skoon van 
Harten; want sellie sal kik 
Godt. 

9. Saelig bin die Vreedsamen ; 
want sellie sal hiet Kinders 
van Godt 

10. Saelig sellie bin, die sellie 
vervolg voor die wille van Ge- 



regtigheid; want die Hemelrik 
bin van sender. 

11. Saelig jellie bin, als sellie 
bespot en vervolg jender, en 
praet allerlej Q waet tegen jender 
om die wille van mie, en lieg. 

12. Wees blie en verheeg 
jender, want jender Loon sal 
wees mussie na binne die 
Hemel ; want soo sellie ka ver- 
volg die Propheeten, die ha 
wees voor jender. 

13. IL) Jellie bin die Sout 
van die Aerde; maer als die 
Sout verloor sie Kragt, mit 
wat ons sal sout? die no deeg 
voor niet een gut meer, als 
for gooj die Wej, en Volk sal 
trap na bobo die. 

14. Jellie bin die Ligt van 
die Weereld; die Stad, die leg 
na bobo een Berg no kan for 
wees onsienlig. 

15. Volk no steek op een 
Keers ookal, en set die na 
onder een Skepel, maer na 
binne een Kandelaer; soo die 
giev Ligt voor sender almael, 
die bin na binne die Hus. 



197 



16. Lastaen jender Ligt skiën 
soo voor die Mensen, dat sellie 
kik jender gueje Werken, en 
pries jender Vaeder, die bin na 
binne die Hemel. 

17. Jellie no mut denk, dat 
mie ka kom for los die Wet, 
en die Propheeten; mie no ka 
kom for los, maer for volkom. 

18. Want, waerwaer mie seg 
na jender: tee die Hemel en 
die Aerde vergaen, niet die 
kleinste Letter ookal, of Stip- 
peltje van die Wet sal vergaen , 
eer almael die gut ka gebeer. 

19. Daerom, die die los een 
van deese kleinste Geboden, en 
leer die Volk soo, hem sal 
wordt genaemt die kleinste na 
die Hemelrik ; maer die die due 
en leer dat, sal wordt genaemt 
groot na binne die Hemelrik. 

20. Want mie seg na jender: 
als jender Geregtigheid no kom 
meer beeter, als die van die 
Skriftgeleerden en Phariseewen , 
jellie no sal kom na binne die 
Hemelrik levendag. 

21. III.) Jellie ka hoor, dat 
die ha wordt gesegd na die 
Ouden; ju no sal maek doot, 
maer die maek doot, sal wees 
skyldig voor die Regt. 

22. Maer mie seg na jender, 
dat elk een, die bin qvaed na 
sie Bruder voor soosoo, sal 
wees skyldig voor die Regt; 
maer die seg na sie Bruder: 
Raka! sal wees skyldig voor 



die Raed; maer die seg: ju 
Sot; sal wees skyldig na die 
Vier van die Hel. 

23. Daerom, als ju offer ju 
Gaev na bobo die Altar, en 
denk op daer, dat ju Bruder 
hab een gut tegen ju, 

24. Soo lastaen ju Gaev bliev 
voor die Altar, en loop heen 
for maek Maet mit ju Bruder 
eerst, en kom asteran en offer 
ju Gaev. 

25. Wees gewillig for maek 
op gaw mit ju Tegenpartie, 
soolang ju bin mit hem na die 
Pad nogal ; dat ju Tegenpartie 
no sal leever ju over na die 
Regter, en die Regter sal leever 
ju over na die Dienaer, en 
sellie sal gooj ju na binne die 
Gevangnis. 

26. Waerwaer mie seg na ju: 
ju no sal kom yt van daesoo, 
eer ju ka betael die leste 
Penning. 

27. IV.) Jellie ka hoor, dat 
die ka seg na die Ouden: ju 
no sal huer. 

28. Maer mie seg na jender, 
dat elk een, die kik na een Vrow, 
for begeer hem, ka huer skoon 
mit hem na binne sie Hart. 

29. Maer, als soo bin, dat 
ju regter Oog erger ju, trek 
die yt, en gooj die van ju; die 
bin meer dieiüig voor ju, dat 
een van ju Leden vergaen, als 
dat sellie sal gooj ju heel Likam 
na binne die Hel. 



198 



30. En als ju regter Hand 
erger ju, kap die af, en gooj 
die van ju; want die bin meer 
nyttig voor ju , dat een van ju 
Leden vergaen, als dat sellie 
sal gooj ju heel Likam na binne 
die Hel. 

31. Maer die ka seg, dat die 
skej van sie Vrow, sal giev 
een Skei Brief na hem. 

32. Maer mie seg na jender: 
die skei van sie Vrow, sonder 
voor Huer Skyld, hem due, 
dat hem bedriev Huer; en die 
trow een, die ka skej, hem 
huer ookal. 

33. V.) Jellie ka hoor verder, 
dat die ka seg na die Ouden: 
ju no sal sweer vals, maer ju 
sal how die Heer ju Eed. 

34. Maer mie seg na jender, 
dat jellie geheel niet sal sweer, 
no bie die Hemel, diemaek die 
bin die Stuel van Godt, 

35. Nog bie die Aerde, die- 
maek die bin sie Vut-Bank; 
nog bie Jerusalem, diemaek 
die bin die groot Kooning sie 
Stad. 

36. Ju no sal sweer bie ju 
kop ookal; die maek ju no 
kan maek een Haer wit of swart. 

37. Maer jellie Woord sal 
wees Ja, Ja, Neen, Neen; 
maer wat bin boven die, bin 
van die Boose. 

38. VI.) Jellie ka hoor, dat 
die ka seg : Oog voor Oog ! en 
Tand voor Tand! 



39. Maer mie seg na jender, 
dat jellie no mut staen tegen 
die boose; maer, als een giev 
ju een Slaeg na ju regter kaek, 
draej die ander na hem ookal. 

40. En als een Volk wil 
regt mit ju, en neem ju Rok, 
lastaen hem how ju Mantel 
ookal. 

41. En, als een Volk wil 
dwing ju for loop een Miei, 
loop twee mit hem. 

42. Giev na hem, die bid 
ju ; en no draei ju af van hem , 
die wil leen van ju. 

43. Jellie ka hoor, dat die 
ka seg: ju sal hab ju Naeste 
lief, en haet ju Vieand. 

44. Maer mie seg na jender : 
hab jender Vieanden lief, segen 
sender, die Vluek jender, due 
gued na sender, die haet jender, 
en bid voor sender, die due 
jender Skaede, en verfolg 
jender. 

45. Dat jellie sal wordt Kin- 
ders van jender Vaeder, die 
bin na binne die Hemel, want 
hem lastaen sie Son hoppo 
over die qwaeje en gueje, en 
hem lastaen sie Reegen val 
over die regtveerdigen en on- 
regtveerdigen. 

46. Want als jellie hab sen- 
der lief, die hab jender lief, 
wat Loon jellie krieg daen? 
Die Tollenars ook no due soo? 

47. En als jellie gruet jender 
Bruders alleen, wat jellie hab 



199 



dan voor Overvlued? Die Tol- 
lenars ook no due soo? 
48. Daerom jellie sal wees 



volkomen, glik jender Vaeder, 
die bin na binne die Hemel, 
bin volkom. 



DIE 6. CAPITTEL. 

I.) Jesus praet van Almisse, 1 — 4. II.) van die Gebed, 

5—15 III.) van Vasten, 16—18. IV.) for hoop op Skat na 

binne die Hemel, 19 — 23. V.) no for dien 

Mammon, 24—34. 



Pas op jender Almis, dat 
jellie no due die voor die 
Mensen, for wordt angesiet van 
sender ; onoso jellie no hab 
Loon bie jender Vaeder, die 
bin na binne die Hemel. 

2. Nu dietit ju giev Almis, 
ju no sal lastaen blaes na 
Trompet voor ju, als die 
Hyklars due na binne die 
Skolen, en op die Straeten, 
dat sellie kan hab Eer van 
die Mensen ; waerwaer mie seg 
na jender; Sellie hab sender 
Loon wej. 

3. Maer, als ju giev Almis, 
no lastaen ju slinker Hand weet, 
wat ju regter Hand due; 

4. Dat ju Almis kan wees 
verborgen: en ju Vaeder, die 
kik na verborgen, sal betael 
ju openbar. 

5. II.) En, als ju bid, ju no 
sal wees als die Hyklars, die 
staen gern for bid na binne 
die Skolen, en na die Huken 
van die Straeten, dat Volk kan 
sien sender an : waerwaer mie 



seg na jender, dat sellie hab 
sender Loon wej. 

6. Maer, dietit ju bid, loop 
na binne ju Kamer, tue ju Door, 
en bid na ju Vaeder, die bin 
in Verborgen; en ju Vaeder, 
die kik in Verborgen, sal be- 
tael ju openbar. 

7. Maer, als jellie bid, jellie 
no sal gebryk iedel woorden, 
als die Heidens; want sellie 
denk, dat sellie sal wordt ver- 
hoort, als sellie gebryk veele 
woorden. 

8. Daerom jellie no mut 
maek jender selv glik mit sen- 
der; want jender Vaeder weet, 
wat jellie mankeer, eer jellie 
bid hem. 

9. Daerom jellie sal bid soo : 
Ons Vaeder, ju die bin na 
binne die Hemel! ju Naem 
wordt geheiligt. 

10. Ju Kooningrik kom; ju 
Wil geskiedt na Aerde, glik 
als na binne die Hemel; 

11. Giev ons van dag ons 
daglig Brood; 



200 



12. En vergeev ons ons 
Skyld, soo glik ons vergeev 
ons Skyldenars; 

13. En no lej ons na binne 
Versuking; maer verlos ons 
van die Qwaet; want van ju 
bin die Kooningrik, en die 
Kragt, en die Heerligheid tee 
na die Ewigheid. Amen. 

14. Want als jellie vergeev 
die Mensen sender Val, jender 
Vaeder sal vergeev jender ookal 
jender Val. 

15. Maer, als jellie no ver- 
geev die Mensen sender Val, 
jender Vaeder no sal vergeev 
jender ookal jender Val. 

16. III.) Maer, als jellie vast, 
jellie no sal kik sier, glik als 
die Hyklars; want sellie ver- 
draej sender Angesigt, for Volk 
kan kik, dat sellie vast; waer- 
waer mie seg na jender, dat 
sellie hab sender Loon wej. 

17. Maer, dietit ju vast, salv 
ju kop, en was ju Angesigt; 

18. Dat die Mensen no sal 
kik ju vast, maer ju Vaeder, 
die bin in Verborgen; en ju 
Vaeder, die kik in Verborgen, 
sal betael ju openbar. 

19. IV.) Jellie no sal hoop 
op Skat na bobo die Aerde, 
waer die Mot en Rust bederv, 
en waer Dieven brek door, en 
steel die: 

20. Maer hoop op voor jender 
een Skat na binne die Hemel, 
waer Mot en Rust no kan bederv 



die, en waer Dieven no kan 
brek door, en steel die. 

21. Want, waer jender Skat 
bin, daer jender Hart sal wees 
ookal. 

22. Die Oog bin die Ligt van 
die Likam; daerom, als ju Oog 
bin eenvoudig, soo ju geheel 
Likam sal wordt Ligt; 

23. Maer, als ju Oog bin 
boos, ju geheel Likam sal wees 
donker: daerom, als die Ligt, 
die bin na binne ju, bin Dyster- 
nis, hu groot die Donker sal 
kom dan? 

24. V.) Niemand kan for dien 
twee Heeren; want hem sal 
haet die een, en hab die ander 
lief, of hem sal bliev na die 
een, en veragt die ander: Jellie 
no kan dien Godt en Mammon. 

25. Daerom mie seg na 
jender: no sorg voor jender 
Leven, wat jender sal jeet, en 
wat jellie sal drink; ook niet 
voor jender Likam, wat jellie 
sal due an. Da als die Leven 
no bin meer als die Jeet, 
en die Likam meer als die 
Kleeren? 

26. Kik na die Voglen van 
die Hemel, sender no saej, 
sender no maej, en sender no 
bring tee saemen na Koorn- 
husen, en jender hemels Vaeder 
vuet sender; jellie no bin veel 
meer als sender? 

27. Maer wie van jender kan 
maek sie selv een El meer 



201 



lang, maskee hem bin verleegen 
voor die? 

28. En, wat maek jellie sorg 
voor die Kleeren? kik na die 
Lilien op die Veld, husoo 
sender gruej, sender no werk, 
en sender no spin. 

29. Maer mie seg na jender, 
dat Salomon selv in al sie 
Heerligheid no ha ka kleedt 
glik als een van sender. 

30. Als Godt dan kleedt die 
Gras soo na die Veld, diestaen 
van Dag, en sellie gooj die na 
die Oven morgen, hem no sal 
kleedt jender veel meer, jellie 
kleingloovigen ? 



31. Daerom jellie no sal sorg, 
en seg: wat ons sal jeet? of: 
wat ons sal drink? of mit wat 
ons sal kleedt ons? 

32. Want na al dat die 
Heidens suek. Die maek jender 
hemels Vaeder weet, dat jellie 
hab almael die gut noodig. 

33. Maer suek eerst die 
Kooningrik van Godt, en sie 
Geregtigheid, en almael die gut 
sal wordt jender tugelegt: 

34. Daerom, no wees verlegen 
voor die ander Morgen; want 
die Dag Morgen sal sorg voor 
sie selv, die bin gnug, dat elk 
Dag hab sie eigen Plaeg selv. 



DIE 7. CAPITTEL. 

I.) Christus praet van oordel, en for vind Vout Me 

ander, 1—6. II.) for bid, 7—11. van die Hoofd-Sum van die 

Wet, 12. III.) van die nauwe Poort, 13—14. IV.) van 

valse Propheeten en Hyklars, 15—23. V.) eindig 

sie Predikasje, 24—29. 



No oordeel, dat jellie no sal 
wordt geoordeelt; diemaek 
mit die oordeel, jellie oordeel, 
jellie sal wordt geoordeelt: 

2. En mit die Maet jellie 
meet, sellie sal meet na jender 
weeran. 

3. Maer husoo ju kik die 
Splinter na binne die Oog van 
ju Bruder, maer ju no kik die 
Balk, die bin na binne ju 
eigen Oog? 

4. Of hu ju derv for seg na 



ju Bruder: wag! mie sal trek 
die Splinter yt van ju Oog ; en 
kik , die hab een Balk na binne 
in Oog? 

5. Ju Hyklar! trek eerst 
die balk yt van ju Oog, en 
kik dan, dat ju kan neem die 
Splinter yt van ju Bruder sie 
Oog. 

6. No giev die heilig gut na 
die Honden ; en no gooj jender 
Perlen voor die Verkens; dat 
sender no sal trap die mit 



202 



.sender Vutten, en draej, en 
verskeer jender. 

7. II.) Bid, en jellie sal krieg ; 
suek, en jellie sal vind; klop, 
en die sal open voor jender. 

8. Diemaek, hem, die bid, 
krieg, en hem, die suek, vind, 
en voor hem, die klop, sal 
wordt open gemaekt. 

9. Of wie van jender, als 
sie Soon bid hem voor Brood, 
sal giev na hem een Steen? 

10. En als hem bid hem 
voor een Vis, sal giev na hem 
een Slang? 

11. Als jellie dan, die bin 
boos, weet for giev gueje Gae- 
ven na jender Kinders, hu veel 
meer jender Vaeder, die bin 
na binne die Hemlen, sal giev 
gueje Gaeven na sender, die 
bid hem? 

12. Daerom, al wat jellie 
wil, dat die Mensen sal due 
na jender, jellie due dat na 
sender ookal; want soo die 
Wet en die Propheeten bin. 

13. III.) Loop na binne door 
die nauwe Poort; voordiemaek 
die Poort bin wied, en Pad 
bin breed, die bring na die 
Verdumnis, en sellie binveele, 
die loop na binne door die. 

14. Voordiemaek die Poort 
bin nauw, en die Pad bin smal, 
die bring na die Leven, en 
sellie bin weinig, die vind die. 

15. IV.) Maer neem jender 
in agt voor die valse Prophee- 



ten, die kom na jender in 
Skaeps Kleeren , maer inwendig 
sellie bin verskeerend Wolven. 

16. Van sender Vrygten jellie 
sal ken sender; Volk kan pik 
Drief van Steekei, of Vigie 
van Distel? 

17. Soo elk gued Boom 
draeg gueje Vrygten, maer 
een verrot Boom draeg qwaeje 
Vrugten. 

18. Een gued Boom no kan 
draeg qwaeje Vrygten, en een 
verrot Boom no kan draeg 
gueje Vrygten. 

19. Elk Boom, die no draeg 
gueje Vrygt, sal kap af, en 
gooj na binne die Vier. 

20. Daerom jellie sal ken 
sender na sender Vrygten. 

21. Niet elk een, die segna 
mie: Heere! Heere! sal kom 
na binne die Hemelrik; maer 
hem, die due die wil van mie 
Vaeder, die bin na binne die 
Hemel. 

22. Na die Dag veele sal 
seg na mie: Heere! Heere! 
ons no ka propheteer in ju 
Naem? en ons no ka driev yt 
Dievlen in ju Naem? en ons 
no ka due mussie kragtig 
Werken in ju Naem? 

23. En dan mie wil beken 
voor sender: Mie no ka ken 
jender levendag; skeer van mie, 
jellie, die due onregt! 

24. V.) Daerom, hem, die 
hoor deese mie Woord, en due 



203 



aster die, mie wil vergïik hem 
mit een verstandig Man , die ka 
bow sie Hus na bobo een Klip. 

25. En dietit die Stort-Reegen, 
en die Water-Stroomen ha kom, 
en die groot Wind ha waej, 
en ha stoot an tegen die selve 
Hus, die noha val ; voordiemaek 
die ka bevestig na bobo een Klip. 

26. En elk een, die hoor 
deese mie Woord, en no due 
aster die, hem bin glik een 
sot Man, die ka bow sie Hus 
na bobo Sand. 



27. En dietit die stort Reegen, 
en die Water Stroomen ha kom, 
en die groot Wind ha waej, 
en ha stoot an tegen die selve 
Hus, die ha val, en sie Val 
ha wees groot. 

28. En die ka gebeer, dietit 
Jesus ha ka maek Einde na 
deese Reden , die Volk ha ver- 
wonder sender gu over sie Leer. 

29. Diemaek hem ha leer 
sender, als een, die ha hab 
Magt, en no soo als die Skrift- 
geleerden. 



DIE 8. CAPITTEL. 

I.) Christus genees een Lazares Siek, 1 — 4. II.) Die Knegt 

van die Hoofdmem, 5—13. III.) Die Skoorir-Muder 

van Petrus, en ander, 14—17. IV.) spreek vcm sie 

Naevolging, 18—22. V.) stil die Wind en die See, 23—27. 

VI.) skeer Dievlen yt, en laet sender die tu, for 

vaer na birme die Verkens, 28—34. 



Maer dietit Jesus ha loop 
neer van die Berg, veele 
Volk ka volg aster hem. 

2. En kik een Lazares Siek 
ha kom, ha bid hem an, en 
ha seg: Heere, als ju wil, ju 
kan genees mie. 

3. En Jesus ha streek yt sie 
Hand, ha ruer hem an, en ha 
seg: mie wil; kom rein! en 
anstonds hem ka kom rein van 
sie Lazares Siekte. 

4. En Jesus ha seg na hem: 
kik tu, dat ju no seg die na 
niet een Volk; maer loop heen, 



wies ju selv na die Priester, 
en offer die Gaev, die Moses 
ka belast tot een Getiegnis 
over sender. 

5. II.) Maer dietit Jesus ha 
loop na binne Capernaum, een 
Hoofdman ha kom na hem, 
en ha bid hem, en ha seg: 

6. Heere! mie Knegt leg na 
hus lam heel, en lie mussie Pien. 

7. En Jesus ha seg na hem : 
mie wil kom, en genees hem. 

8. Maer die Hoofdman ha 
ant wordt en ha seg: Heere, 
mie no bin waerdig, dat ju sal 



204 



loop na binne onder mie Dak ; 
maer seg een Woord alleen, 
dan mie Knegt sal kom gesond. 

9. Want mie bin ook een 
Mens, die bin onder die Magt, 
en hab Soldaeten onder mie 
selv: en als mie seg na die 
een: loop! soo hem loop; en 
na die ander: kom! soo hem 
kom; en na mie Knegt: due 
dat! soo hem due die. 

10. Maer dietit Jesus ha hoor 
dat, hem ha verwonder sie selv, 
en ha seg na sender, die ha 
volg: waerwaer mie seg na 
jender: mie no ka vind soo 
groot Gloof na binne Israël selv. 

11. Maer mie seg na jender: 
veele sal kom van Oost en van 
West, en sal sit na Taefel mit 
Abraham, Isaac en Jacob na 
binne die Hemelrik. 

12. Maer die Kinders van 
die Rik, sellie sal gooj sender 
na die byttenste Dysternis; 
daer sal wees Kries en Kner- 
sing van Tanden. 

13. En Jesus ha seg na die 
Hoofdman; loop heen, en die 
geskiedt ju, soo als ju ka 
gloov! en sie Knegt ha kom 
gesond na die selve yer. 

14. III.) En Jesus ha kom 
na binne die Hus van Petrus, 
en ha kik die Muder van sie 
Vrow ha leg, en ha hab die 
Koors. 

15. En hem ha vas hem na 
sie Hand, en die Koors ha 



lastaen hem, en hem ha hoppo 
en ha dien sender. 

16. Maer dietit Avond hajkom, 
sellie ha bring veele Beseten 
na hem; en hem ha driev die 
Geesten yt mit een Woord, en 
ha genees sender almael, die 
ha wees siek: 

17. Dat die ha sal kom vol- 
kom, wat die Propheet Jesaias 
ka seg , die seg : Hem ka neem 
ons S wakheiden, en ha draeg 
ons Siekten. 

18. IV.) Maer dietit Jesus 
ha kik mussie Volk ront sie, 
hem ha seg na sender, for 
vaer over na die ander Sie. 

19. En een Skriftgeleerd ha 
kom, en ha seg na hem: 
Meester, mie wil volg ju, waer 
ju loop. 

20. En Jesus ha seg na hem : 
Die Vossen hab sender Hol, 
en die Voglen hab sender Nest ; 
maer die Mens sie Soon no 
hab, na waer hem kan for leg 
sie Kop. 

21. Maer een ander van sie 
Disciplen ha seg na hem : Heere, 
lastaen mie loop heen eerst, 
en graev mie Vaeder. 

22. Maer Jesus ha seg na 
hem: ju volg mie, en lastaen 
die Dooje graev sender Dooje. 

23. V.) En hem ha loop na 
binne na die Skip, en sie 
Disciplen ha volg hem. 

24. En kik, een groot Wind 
ha hoppo na die See, soo dat 



205 



die groot Baeren ha tue die 
Skip; maer hem ha slaep. 

25. En sie Disciplen ha loop 
na hem , ha maek hem wakker, 
en ha seg: Heere, help ons! 
ons vergaen. 

26. En hem ha seg na sender : 
jellie kleingloovigen , watmaek 
jellie bang soo? Soo hem ha 
hoppo, en ha dreig die Weer 
en die See; en die ha kom 
heel stil. 

27. Maer die Volk ha ver- 
wonder sender, en ha seg: wat 
Man hem bin, dat die Weer 
en die See hoor hem? 

28. VI.) En dietit hem ha ka 
kom na die ander Sie na die 
Land van die Gergeseners, twee 
Beseten ha kom tegen hem, die 
ha kom yt van die Graven van 
die Dooje, en ha wees gu stout, 
soo dat niet een Volk ha derv 
passeer na die selve Pad. 

29. En kik, sellie ha ruep, 
en ha seg: Jesus, ju Godts 
Soon, wat ons hab for due 



mit ju? ju ka kom for pien 
ons eer die Tid? 

30. Maer ver van sender ha 
wees een groot Trop Verkens 
na die Weide. 

31. Soo die Dievlen ha bid 
hem, en ha seg: als ju wil 
driev ons yt, lastaen ons vaer 
na binne na die Verkens. 

32. En hem ha seg na sender : 
vaer! soo sender ha vaer yt, 
en ha vaer na binne die Ver- 
kens; en kik die heel Trop 
Verkens ha stort sender selv 
gaugau van die Bergje na binne 
die See, en ha versiep na binne 
die Water. 

33. Maer die Herders ha 
vlygt wej; en sellie ha loop 
heen na binne die Stad, en ha 
seg die almael, en husoo die 
ha loop mit die Beseten. 

34. En kik die heel Stad ha 
loop yt, for tegen Jesus; en 
dietit sellie ha kik hem, sellie 
ha bid hem, for loop wei van 
sender Land. 



DIE 9. CAPITTEL. 

I.) Christus genees een Lam, 1—8. II.) ruep Mattheus, en 

verantwoordt sie selv en sie Disciplen, 9—17. III.) genees 

een Vrow, die ha hab Blud-Loop, en wek op die 

Dogter van Jairus, 18—26. IV.) genees twee Blinden, 27- -31. 
V.) en een Beset, 32—34. VI.) jammer die Volk, 35—38. 



En Jesus ha loop na binne 
die Skip, en ha vaer over, 
en ha kom na sie stad. 



2. En kik, sellie ha bring 
na hem een, die ha wees lam 
heel-heel, hem ha leg na bobo 



206 



een Bedde; en dietit Jesus ha 
kik sender Gloof , hem ha seg 
na die lam Man: Soon! hab 
gueje Mud, ju Sonde bin ver- 
geven. 

3. En kik Partie van die 
Skriftgeleerden ha seg bie sen- 
der selv: deese laster Godt. 

4. En dietit Jesus ha kik 
sender Gedagten, hem ha seg: 
watmaek jellie denk soo qwaet 
na binne jender Hart? 

5. Want wat bin meer ligt 
for seg: ju Sonde bin ver- 
geven? of for seg; hoppo, en 
wandel? 

6. Maer dat jellie sal weet, 
dat die Mens sie Soon hab 
Magt na die Aerde, forvergeev 
die Sonden; soo hem ha seg 
na die Lam: hoppo, neem ju 
Bedde mit, en loop na ju Hus. 

7. En hem ha hoppo, en ha 
loop na sie Hus. 

8. Maer dietit die Volk ha 
kik dat, sellie ha wonder, en 
ha pries Godt, die ha ka giev 
soo een Magt na die Mensen. 

9. II). En dietit Jesus ha 
loop voort van daesoo, hem 
ha kik een Mens, die ha sit 
na die Tolhus, sie Naem ha 
wees Mattheus, en hem ha seg 
na hem : volg mie ; en hem ha 
hoppo, en ha volg hem. 

10. En die ha gebeer, dietit 
hem ha sit na Tafel na binne 
die Hus, kik, veele Tollenars 
en Sondars ha kom, en ha sit 



na Tafel mit Jesus en sie 
Disciplen. 

11. En dietit die Phariseewen 
ha kik dat, sellie ha seg na 
sie Disciplen : watmaek jender 
Meester jeet mit die Tollenars 
en Sondars? 

12. Maer dietit Jesus ka hoor 
dat, hem ha seg na sender; 
Die gesond no hab die Bar- 
bier noodig, maer sellie, die 
bin siek. 

13. Maer loop heen, en leer, 
wat die bin: Mie wil Barm. 
hertigheid, en no Offer; want 
mie no ka kom for ruep die 
Regtveerdigen, maer die Son- 
dars tot Bekeering. 

14. Soo die Disciplen van 
Johannes ha kom na hem, en 
ha seg: watmaek ons en die 
Phariseeuwen vast soo mussie, 
maer ju Disciplen no vast? 

15. En Jesus ha seg na sen- 
der: die Brylloft Volk kan for 
wees bedruevt, soolang die 
Brydgom bin mit sender? maer 
die Tid sal kom, als sellie 
neem die Brydgom wej van 
sender, dan sellie sal vast. 

16. Maer niemand lap een 
oud Kleed mit een Stik nyw 
Laken ; want die Stik sal skeer 
yt van die Kleed, en die Gad 
sal kom meer groot. 

17. Volk ookal no due nyw 
wien na oud Leer-Flessis, onoso 
die Flessis breek, en die wien 
stort, en die Flessis bederv; 



207 



maer Volk due nyw wien na 
binne nyw Leer-Flessis, en dan 
altwee ka bewaer. 

18. III.) Dietit hem ha seg 
dat na sender, kik, een O verst 
ha kom , ha val neer voor hem 
en ha seg : Mie Dogter ka doot 
nunu; maer kom, en leg ju 
Hand na bobo hem, soo hem 
sal kom levendig. 

19. En Jesus ha hoppo, en 
ha volg hem, en sie Disciplen 
ookal. 

20. En kik een Vrow, die ha 
hab Blud-loop na twaelf Jaer, 
ha loop aster na hem, en ha 
raek na die Soom van sie Kleed. 

21. Want hem ha seg bie 
sie selv; als mie ha kan raek 
sie Kleed maer, mie sal kom 
gesond. 

22. Soo Jesus ha keer sie 
om , en ha kik hem , en ha seg : 
Dogter ! hab gueje Mud , ju Gloof 
ka help ju: en die Vrow ka 
kom gesond van die selve yer. 

23. En dietit Jesus ka kom 
na binne die Hus van die 
Overste, en ha kik dieFlöjters, 
en die Geraes van die Volk, 
hem ha seg na sender: 

24. Loop wej ! want die Meisje 
no ka doot, maer hem slaep; 
en sellie ha spot hem. 

25. Maer, dietit die Volk ha 
ka jaeg wej, hem ha loop na 
binne, en ha vas die Meisje na 
sie Hand; soo hem ha hoppo. 

26. En die Woord van die 



ha kom bekent na die heel 
Land. 

27. IV.) En dietit Jesus ha 
loop voort van daer, twee 
Blinden ha volg hem, die ha 
ruep, en seg: Ach! ju Soon 
van David, hab jammer na ons ! 

28. En dietit hem ka kom 
na binne Hus, die Blinden ha 
loop na hem, en Jesus seg na 
sender: jellie gloov, dat mie 
kan due dat? sellie seg na hem : 
ja, Heere! 

29. Soo hem ha raek na 
sender Oogen, en ha seg: 
die gebeer jender aster jender 
Gloof! 

30. En sender Oogen ha kom 
open ; en Jesus ha dreig sender 
gu hart, en ha seg: pas op, 
dat niemand no sal kom for 
weet die. 

31. Maer sellie ha loop yt, 
en ha sprej die Woord van 
hem na die geheel Land. 

32. V.) Maer dietit sellie ha 
ka loop yt, kik, sellie habring 
een Mens na hem, die ha wees 
dum en beset. 

33. En dietit die Dievel ha 
ka driev yt, die dum Man ha 
praet, en die Volk ha ver- 
wonder sender, en ha seg: 
levendag soo gut ka wordt 
gesien na binne Israël. 

34. Maer die Phariseewen ha 
seg: hem driev yt die Dievlen 
door die opperste Dievel. 

35. VI.) En Jesus ha loop 



208 



om na almael die Plaesen en 
Dorpen, ha leer na binne sen- 
der Skolen, en ha preek die 
Evangelium van die Rik, en 
ha genees al Siekte, en al 
Swakheid onder die Volk. 

36. En dietit hem ha kik 
die Volk, die ha jammer hem 
gu voor sender; diemaek sellie 
ha wees versmagt, en verstroojt, 



glik die Skaepen, die no hab 
geen Oppasser. 

37. Soo hem ha seg na sie 
Disciplen: die Oogst bin wel 
groot, maer die Werk- Volk 
bin weinig. 

38. Daerom jellie bid na 
die Heer van die Oogst, dat 
hem stier Werk- Volk na sie 
Oogst. 



DIE 10. CAPITTEL. 

I.) Christus stier yt die twaélf Apostlen for preek en 
due Wonder- Werken, 1—15. II.) leer sender , dat sellie sal 

wees getrouw en bestandig na vervolging en 
die Dood, en no verlooken hem, 16—39. III.) beloov 

sender Gnade, die neem sender an, 40 — 42. 



En Jesus ha mep sie twaelf 
Disciplen na sie, en ha 
giev Magt na sender over die 
onrein Geesten, for driev sen- 
der yt, en for genees al sort 
Siekte en Swakheid. 

2. Maer die Naemen van die 
twaelf Apostlen bin: die eerste 
Simon, die bin genaemt Petrus, 
en Andreas sie Bruder; Jacobus, 
die Soon van Zebedeus, en 
Johannes sie Bruder; 

3. Philippus en Bartholomeus; 
Thomas en Mattheus, die Tolle- 
nar; Jacobus die Soon van 
Alpheus, en Lebbeus mit die 
Tunaem Thaddeus; 

4. Simon Cananit, en Judas 
Iscariot, die ha verraedt hem. 

5. Deese twaelf Jesus ha stier 



yt, ha belast sender en ha seg: 
no loop heen na die Pad van 
die Heidens, en no loop na 
binne die Stad van die Sama- 
ritaenen. 

6. Maer loop liever heen na 
die verlooren Skaepen van die 
Hus van Israël. 

7. Maer loop heen, preek 
en seg, dat die Hemelrik ka 
kom diestebie. 

8. Genees die Sieken, reinig 
die Lazares-Sieken, wek op die 
Doojen, driev yt die Dievlen. 
Jellie ka ontfang die voor 
niemendal, jellie giev die voor 
niemendal weeran. 

9. Jellie no sal hab Goud, 
no Silver, nog Koper na binne 
jender Beers; 



•A 



209 



10. Ook geen Sak voor die 
Reis, ook niet twee Rokken, 
ook niet Skuen , ook niet Stok ; 
want een Werkman bin waerdig 
sie Jeet. 

11. Maer na welk Stad of 
Dorp jellie kom na binne, onder- 
suek, als die hab een Volk 
daer, die bin die waerdig; en 
bliev daer tee jellie loop wej. 

12. Maer, als jellie loop na 
binne een Hus, gruet die. 

13. En als die Hus bin die 
waerdig, jender Vreede sal kom 
na bobo die; maer, als die no 
bin die waerdig, dan jender 
Vreede sal kom na jender 
weeran. 

14. En als een Volk no wil 
ontfang jender, en no wil hoor 
jender Woorden, loop yt van 
die Hus of die Stad, skyd die 
Stof af van jender Vutten. 

15. Waerwaer, mie seg na 
jender: die Land van Sodoma 
en Comorra sal hab die meer 
verdraeglig na die Dag van 
Oordeel, als die Stad. 

16. II.) Kik, mie stier jender 
yt glik als Skaepen na middel 
van die Wolven; daerom wees 
voorsigtig, als die Slangen, en 
sonder Valsheid, als die Diefies. 

17. Maer neem jender in agt 
voor die Mensen; want sellie 
sal leever jender over na die 
Raed, en sal geesel jender na 
binne sender Skolen. 

18. En sellie sal bring jender 



voor die Vorsten en Kooningen 
voor die wille van mie, tot 
een Getiegnis over sender en 
die Heidens. 

19. Maer, als sellie leever 
jender over, jellie no sorg, 
husoo af wat jellie sal praet; 
want die sal wordt gegeven na 
jender na die selve yer, wat 
jellie sal seg. 

20. Want die no bin jellie, 
die spreek; maer die bin die 
Geest van jender Vaeder, die 
spreek door jender. 

21. Maer die een Bruder sal 
leever die ander over na die 
Dood, en een Vaeder sie Kind; 
en die Kinders sal staen op 
tegen die Ouders, en maek 
sender doot. 

22. En almael Volk sal haet 
jender voor die wille van mie 
Naem ; maer die bliev bestandig 
tee na die Einde, hem sal kom 
salig. 

23. Maer, als sellie vervolg 
jender na binne een Stad, vlygt 
na een ander; waerwaer mie 
seg na jender; jellie no sal due 
niet een guet na die Plaesen 
van Israël, eer die Mens sie 
Soon kom. 

24. Die Jong no bin boven 
sie Meester, ook niet die Knegt 
boven sie Heer. 

25. Die bin gnug voor die 
Jong, dat hem kom als sie 
Meester, en die Knegt, als sie 
Heer; als sellie ka ruep die 

14 



210 



Hus-Vaeder Beelzebul, veel 
meer sellie sal ruep die Hus- 
Volk soo. 

26. Daerom jellie no bang 
sender; want niet een gut ka 
verberg, die no sal kom open- 
baer, en niet een gut bin geheim , 
die no sal kom bekent. 

27. Wat mie seg na jender 
na die Dysternis, jellie seg dat 
na die Ligt ; en wat jellie hoor 
na binne die Oor, jellie preek 
die na bobo die Dak. 

28. En no vrees voor sender, 
die kan maek die Likam doot, 
en no kan die Siel doot; maer 
vrees meer voor hem, die kan 
bederv Siel mit Likam na binne 
die Hel. 

29. Sellie no verkoop twee 
klein Voglen voor een Penning? 
en niet een van sender val na 
die Grond sonder die Wil van 
jender Vaeder. 

30. Maer almael die Haeren 
ookal na jender kop ka tel. 

31. Daerom jellie no bang; 
jellie bin beeter, als mussie 
klein Voglen. 

32. Daerom, die beken mie 
voor die Mensen, die mie wil 
beken voor mie hemelse Vaeder. 

33. Maer die verlooken mie 
voor die Mensen, die mie wil 
verlooken voor mie hemelse 
Vaeder. 

34. Jellie no sal denk, dat 
mie ka kom for stier Vreede, 
na die Aerde; mie no ka kom 



for stier Vreede, maer die 
Sweerd. 

35. Diemaek mie ka kom 
for maek een Mens oneens mit 
sie Vaeder, en die Dogter mit 
sie Muder, en die Skoon-Dogter 
mit sie Skoon-Muder. 

36. En die Mens sie Hus- 
Volk sal wees sie Vieanden. 

37. Die wil sie Vaeder en 
Muder meer als mie, no bin 
mie waerdig; en die wil sie 
Soon of Dogter meer als mie, 
no bin mie waerdig. 

38. En die no wil neem op 
sie Krus, en volg aster mie, 
no bin mie waerdig. 

39. Die vindt sie Leven, sal 
verloor die; en die verloor sie 
Leven voor mie Skyld, sal 
vindt die. 

40. III.) Die neem jender an , 
neem mie an; en die neem 
mie an, neem hem an, die ka 
stier mie. 

41. Die neem an een Propheet 
na die Naem van een Propheet 
sal krieg een Propheet sie Loon ; 
en die neem an een Regtveer- 
dig, na die Naem van een 
Regtveerdig, sal krieg een Regt- 
veerdig sie Loon. 

42. En die giev na een van 
deese kleinste, maskee een 
Beeker koud Water for drink 
na die Naem van een Discipel, 
waerwaer mie seg na jender, 
levendag hem no # sal verloor 
sie Loon. 



211 



DIE 11. CAPITTEL. 

I.) Johannes Hier twee Disciplen na Jesus, die bewies, dat 

hem bin die belofte Messias, 1 — 6. II.) Jesus praet van 

Johannes, 7—15. klaeg over die Hardheid van die Volk, 

16—19. III.) ruep wee over eenige, 20—24. IV.) pries Gtod, 

sie Wegen, 25 — 27. ruep na sie almael sender, 

die bin mue, 28—30. 



En die ka gebeer, dietit 
Jesus ha ka voleindig sie 
Beveel na sie Disciplen, hem 
ha loop voort van daesoo, for 
leer en preek na binne sender 
Steden. 

2. Maer dietit Johannes ha 
ka hoor na binne die Gevangnis 
die Werken van Christus, hem 
ha stier twee van sie Disciplen , 
en ha lastaen seg na hem: 

3. Ju bin die, die sal kom? 
of ons sal verwag een ander? 

4. En Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na sender: loop 
heen, en seg na Johannes die 
gut, jellie hoor en kik: 

5. Die Blinden kik,dieKree- 
pels loop, die Lazares Sieken 
kom rein, die Dooven hoor, 
die Doojen staen op, en Evan- 
gelium wordt gepreekt voor die 
Povers. 

6. En saelig hem bin, die 
no erger sie selv na mie. 

7. II.) Maer dietit sellie ha 
loop wei, Jesus ha begin for 
seg na die Volk van Johannes : 
wat jellie ka loop yt na die 



Wusteine for kik? een Ried, 
die Wind waej hieso en daeso ? 

8. Of wat jellie ka loop yt 
for kik? een Mens, die ka kleedt 
na sogt Kleeren? kik, sellie, 
die diaeg sogt Kleeren, bin na 
binne die Husen van die Koo- 
ningen. 

9. Of wat jellie ka loop yt 
for kik? een Propheet? ja mie 
seg na sender. veel meer ookal 
als een Propheet. 

10. Want hem bin die, van 
die ka skriev: kik, mie stier 
mie Engel voor ju Angesigt, 
die sal berej ju Pad voor ju. 

11. Waerwaer mie seg na 
jender: van sender, die bin ge- 
booren van Vrow, niet een ka 
hoppo meer groot , als Johannes ; 
maer hem, die bin meer klein 
na binne die Hemelrik, die meer 
groot als hem. 

12. Maer van die Dag van 
Johannes die Dooper tee nu, 
die Hemelrik lie Geweld, en 
sellie, die due Geweld na die, 
hael die na sender. 

13. Want almael die Pro- 



212 



pheeten en die wet ka prophe- 
teer tee na Johannes. 

14. En, als jellie wil neem die 
an : hem bin Elias, die sal kom. 

15. Die hab Oor for hoor, 
hem hoor! 

16. Maer mit wie mie sal 
vergliek deese Geslagt ? die bin 
glik die klein Kinders, die sit 
na die Markt, en mep na sender 
Maeten, en seg: 

17. Ons ka flöjt voor jender, 
en jellie no ha wil dans; ons 
ka sing Klag-Sing voor jender, 
en jellie no ha wil kries. 

18. Want Johannes ka kom, 
hem no ha jeet , hem no ha drink ; 
en sellie seg , hem hab die Die vel. 

19. Die Mens sie Soon ka 
kom, hem jeet en drink; en 
sellie seg: kik, welk een Vraet 
en Dronkart die Mens bin, een 
Vriend van Tollenars en Son- 
dars ! en die Wiesheid ka maek 
regtveerdig van sie Kinders. 

20. III.) Soo hem ha begin 
for skaem die Steden yt, na 
waer hem ha ka maek die meest 
van sie kragtig Werken, en dog 
sellie no ha wil bekeer nogal; 

21. Wee ju Chorazin! wee 
ju Bethsaida! want, als soo 
kragtig Werken ha ka maek 
na binne Tyrus en Sidon, die 
ka maek na binne jender, sellie 
ha sal bekeer lang na binne 
Sak en Assesje. 

22. Dog mie seg na jender: 
die sal loop meer verdraeglig 



mit Tyrus en Sidon na die Dag 
van die Oordeel, als mit jender. 

23. En ju Capernaum, die 
ka verhoog tee na die Hemel! 
ju sal stoot neer tee na die 
Hel; want, als die kragtig 
Werken ha ka maek na binne 
Sodoma, die ka maek na binne 
ju, Sodoma sal ha staen tee nu. 

24. Dog mie seg na jender: 
die sal loop mer verdraeglig 
mit die Land van Sodoma na die 
Dag van die Oordeel, als mit ju. 

25. IV.) Na die selve Tid 
Jesus ha antwoordt, en ha seg: 
mie pries ju, Vaeder, Heer van 
Hemel en Aerde! dat ju ka 
verberg dat voor die Wiesen 
en Kluken, en ka openbaer 
die voor die onmondigen. 

26. Ja Vaeder ! want soo die 
bin behaeglig voor ju. 

27. Almael gut mie Vaeder 
ka giev na mie; en niet een 
weet de Soon, meer als die 
Vaeder; en niet een weet die 
Vaeder meer als die Soon, en 
die, na die die Soon wil open- 
baer die. 

28. Kom hiesoo na mie jellie 
almael, die werk, en bin mue! 
en mie sal verqwik jender. 

29. Neem op mie Jok, en 
leer van mie, want mie bin 
sagtmudig en ootmudig van 
Hart; soo jellie sal vind Ryst 
voor jender Sielen. 

30. Want mie Jok bin dienlig, 
en mie Last bin ligt. 



213 



DIE 12. CAPITTEL. 

I.) Die Disciplen pik Tapusies na die Sabbath-Dag, 1—8. 

II.) Jesus genees een droog Hand, 9—14. III.) genees, 

bin ootmudig, 15—21. IV.) genees een Beset, sdlie laster 

hem, en hem verantwoordt sie selv, praet van 

Sonde tegen die heilig Geest, 22 — 45. V.) leer, wie sie 

Muder bin, 46 — 50. 



Na die selve Tid Jesus ha 
loop door die Koorn na 
een Sabbath-Dag; maer sie 
Disciplen ha honger, en sellie 
ha pik Tapusies for jeet. 

2. Maer dietit die Phariseewen 
ha kik dat, sellie ha seg na 
hem: kik, ju Disciplen due dat, 
die no bin regt for due na die 
Sabbath-Dag. 

3. Maer hem ha seg na 
sender: Jellie no ka lees, wat 
David ka due, dietit hem, en 
sellie, die ha wees mit hem, 
ha hab Honger; 

4. Husoo hem ha loop na 
binne die Hus van Godt, en 
ha jeet die Toon Brooden, die 
hem no ha mut jeet, ook niet 
sellie, die ha wees mit hem, 
maer die Priesters alleen. 

5. Of jellie no ka lees na 
binne die Wet, dat die Priesters 
ha ontheilig die Sabbath na 
binne die Tempel na die Sab- 
bath, en dog bin onskyldig. 

6. Maer mie seg na jender, 
dat hem bin hiesoo, die bin meer 
groot ookal, als die Tempel. 



7. Maer, als jellie ha weet, 
wat dat bin: mie wil Barm- 
hertigheid, en niet die Offer, 
soo jellie no ha ka verdum die 
onskyldigen. 

8. Want die Mens sie Soon 
bin een Heer over die Sabbath 
ookal. 

9. II.) En hem ka loop voort 
van daesoo, en ka kom na 
sender Skool. 

10. En kik, die ha hab een 
Mens, die ha hab een dor Hand, 
en sellie ha vraeg hem, en ha 
seg: die bin regt for genees 
na een Sabbath-Dag? dat sellie 
ha kan beskyldig hem. 

11. Maer hem ha seg na 
sender : wie van jender hab een 
Skaep, en als die val na binne 
een Pyt na een Sabbath-Dag, 
no vas hem, en ligt hem op? 

12. Hu veel beeter een Mens 
bin nu als een Skaep? daerom 
ons mut due gued na een 
Sabbath-Dag. 

13. Soo hem ha seg na die 
Mens: strek yt ju Hand! en 
hem ha strek sie Hand yt, en 



214 



die ha kom gesond, glik die 
ander. g 

14. Maer die Phariseewen ha 
loop yt, en ha how Raed over 
hem, husoo sellie sal maek 
hem doot. 

15. III.) Maer, dietit Jesus 
ka verneem dat, hem ha loop 
wej van daer; en veel Volk 
ha volg hem, en hem ha genees 
sender almael. 

16. En hem ha dreig sender, 
dat sellie no ha sal maek hem 
openbaer. 

17. Dat die ha sal kom vol- 
kom, wat ka seg door die 
Propheet Jesaias, die seg: 

18. Kik mie Dienaer, die mie 
ka verkies, mie Geliefde, na 
die mie Siel hab groot Behae- 
gen ; mie wil leg mie Geest na 
bobo hem, en hem sal verkon- 
dig Oordeel na die Heidens. 

19. Hem no sal kiev, ook 
niet ruep ; en sellie no sal hoor 
sie Stem na die Straeten. 

20. Hem no sal verbreek die 
Ried, die ka kraek, en hem 
no sal blys yt die rook wikkie ; 
tee hem ka vuer yt die Oordeel 
na Overwinning. 

21. En die Heidens sal hoop 
na sie Naem. 

22. IV.) Soo sellie ha bring 
een Beset na hem, die ha wees 
blind en dom; en hem ha ge- 
nees hem, soo dat die blind en 
dom ha kik en praet. 

23. En al die Volk ka ver- 



skrik, en ha seg: da,alsdeese 
no bin die Soon van David? 

24. Maer dietit die Phari- 
seewen ka hoor dat, sellie ha 
seg: Deese no driev die Diev- 
len yt, anders, als door Beel- 
zebul, die opperste van die 
Dievlen. 

25. Maer dietit Jesus ha weet 
sender Gedagten, hem ha seg 
na sender: elk Rik die kom 
oneenig mit sie selv, kom wust; 
en elk Stad of Hus, die kom 
oneenig mit sie self, no kan 
bestaen. 

26. En als Satan driev Satan 
yt, hem mut wees oneenig mit 
sie selv; husoo dan sie Rik 
kan bestaen? 

27. En als mie driev die 
Dievlen yt door Beelzebul, door 
wie jender Kinders driev sender 
yt? daerom sellie sal wees 
jender Regters. 

28. Maer als mie driev die 
Dievlen yt door die Geest van 
Godt, dan die Rik van Godt 
ja ka kom na jender. 

29. Of husoo een Volk kan 
loop na binne die Hus van een 
Sterk, en neem wej sie Hus- 
raed van hem, als hem no bind 
die Sterk eerst? en asteran 
neem wej sie Husraed? 

30. Hem, die no bin mit mie, 
bin tegen mie, en hem, die no 
vergaeder mit mie, sprej. 

31. Daerom mi seg na jender: 
al Sonde en Laster sal wordt 



215 



vergeven na die Mensen ; maer 
Laster tegen die heilig Geest 
no sal wordt vergeven na die 
Mensen. 

32. En hem, die spreek een 
gut tegen die Mens sie Soon, 
dat sal wordt vergeven na hem ; 
maer hem, die spreek tegen 
die heilig Geest, hem no sal 
krieg Vergeving hiesoo in deese 
Weereld, ook niet in die tu- 
komende. 

33. Lastaen die Boom wees 
gued, en die Vrygt sal wees 
gued ookal, of lastaen die 
Boom wees verrot, en die Vrygt 
sal wees verrot ookal; die- 
maek ju ken die Boom na die 
Vrygt. 

34. Jellie Adder Kinders! 
husoo jellie kan praet gued, 
soolang jellie bin qwaed; want 
die Mond praet van wat die 
Hart bin vol van. 

35. Een gued Mens bring 
voort fraej gut van die fraeje 
Skat van sie Hart; en een 
qwaeje Mens bring voort qwaed 
gut van sie quaeje Skat. 

36. Maer mie seg na jender, 
dat die Mensen sal gief Reken- 
skap na die Dag van die Oor- 
deel voor elk onnyt Woord, 
sellie ka praet. 

37. Want yt ju Woord ju 
sal kom regtveerdig, en yt ju 
Woord ju sal kom verdumt. 

38. Soo Som van die Skrift- 
geleerden en Phariseewen ha 



antwoordt, en ha seg: Meester, 
ons wil gern kik een Teeken 
van ju. 

39. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na sender: deese 
qwaeje en hueragtig Geslagt 
suek Teeken; en niet een 
Teeken sal giev na hem, als 
die Teeken van die Propheet 
Jonas. 

40. Want glik als Jonas ha 
wees drie Dagen mit drie Nagt 
na binne die Biek van die 
Walvis ; soo die Mens sie Soon 
ookal sal wees drie Dagen mit 
drie Nagts na binnen die Aerde. 

41. Die Volk van Ninive 
sal hoppo mit deese Geslagt 
na die Oordeel, en sal verdum 
die; diemaek sellie ka bekeer 
door die Predikasje van Jonas: 
en kik: hiesoo bin meer als 
Jonas. 

42. Die Kooningin van die 
Syd sal hoppo mit deese Geslagt 
na die Oordeel, en sal verdum 
die; diemaek hem ka kom van 
die Einde van die Aerde for 
hoor die Wiesheid van Salomon ; 
en kik, meer als Salomon bin 
hiesoo. 

43. Als die onrein Geest ka 
vaer yt die Mens, dan hem 
wandel door dor Plaesen, suek 
Ryst, en no vind die. 

44. Dan hem seg; mie wil 
keer weeran na binne na mie 
Hus, van waer mie ka loop 
yt; en als hem kom, hem vindt 



216 



die leeg, ka veeg, en ka versier. 

45. Soo hem loop heen, en 
neem seven ander Geesten mit 
sie, die bin meer slem als hem 
selv, en als sellie kom daer 
na binne, sellie woon daesoo; 
en die kom meer erg asteran 
mit die selve Mens, als die ha 
wees teevoorn: soo die sal 
loop ookal mit deese qwaeje 
Geslagt. 

46. V). Maer dietit hem ha 
praet na die Volk nogal, kik 
sie Muder en sie Bruders ha 
staen na bytten, en ha suek 
for praet mit hem. 



47. Soo een ha seg na hem : 
kik ju Muder en ju Bruders 
staen na bytten, en ha suek for 
praet mit ju. 

48. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na hem, die ha ka 
seg dat na hem: wie bin mie 
Muder? wie bin mie Bruders? 

49. En hem ha strek sie 
Hand yt over sie Disciplen, en 
ha seg; kik mie Muder, en 
mie Bruders! 

50. Want die due die wil 
van mie Vaeder, die bin na 
binne die Hemel, hem bin mie 
Bruder, en Sister, en Muder. 



DIE 13. CAPITTEL. 

I.) Jesus praet door Gliknissen, van die Saejer, 1 — 23. 

II). van die Onkryd, 24—30 en 36—43. van een Moster Saed, 

31—32. van een Sierdeeg, 33—35. III.) van een Skat, 44. 

van een kostlig Peerl, 45—46. van een Net, 47 — 52. 

IV). wordt veragt na Nazcvreth 53 — 58. 



Maer na die selve Dag Jesus 
ha loop yt die Hus, en 
ha set sie neer na die See. 

2. En veel Volk ha vergaeder 
na hem, soo dat hem ha loop 
na binne een Skip, en ha sit; 
en die Volk almael ha staen 
na die Seekant. 

3. En hem ha praet gu na 
sender door Gliknissen, en ha 
seg: een Saejer ha loop yt 
for saej. 

4. En dietit hem ha saey 
som ha val na die Pad; en die 



Voglen ha kom , en ha jeet die op. 

5. Maer som ha val na steen- 
agtig Land, die no ha hab 
mussie Grond; en die ha gruej 
gu gaw, diemaek die no ha 
hab diep Grond. 

6. Maer dietit die Son ka 
hoppo, die ha skruej wej; en 
diemaek die no ha hab Wor- 
tel, die ha droog wej. 

7. Maer som ha val tyssen 
die Doornen; en die Doornen 
ha gruej op, en ha tjook die, 
dat die ha doot. 



-jj 



217 



8. Maer som ha val na gued 
Land, en ha draeg Vrygt, som 
honderd voud, maer som sestig 
voud, maer som dertig voud. 

9. Die hab Oor for hoor, 
hem hoor! 

10. En die Disciplen ha loop 
na hem, en ha seg na hem: 
watmaek ju praet na sender 
door Gliknissen? 

11. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na sender: Voordie- 
maek die ka giev na jender 
for verstaen die Geheimnissen 
van die Hemelrik, maer die no 
ka giev na sender. 

12. Want wie hab, sellie sal 
giev na hem, dat hem sal hab 
over mussie; maer die no hab, 
van hem sellie sal neem wej, 
wat hem hab. 

13. Daerom mie praet na 
sender door Gliknissen; want 
sellie no kik mit open Oogen, 
en no hoor mit open Ooren; 
diemaek sellie no verstaen die. 

14. En die Prophesie van 
Jesaias kom volkom na sender, 
die seg; jellie sal hoor mit 
jender Ooren en no sal ver- 
staen die, en jellie sal kik mit 
open Oogen, en no sal be- 
merk die. 

15. Want die Hart van deese 
Volk ka verstok, en sender 
Ooren no ka hoor wel, en 
sender Oogen slymer; dat sel- 
lie no sal kik mit sender Oogen, 
en no sal hoor mit sender 



Ooren, en verstaen mit die 
Hart, en bekeer sender, dat 
mie ha mut help sender. 

16. Maer saelig jender Oogen 
bin, dat sender kik; en jender 
Ooren, dat sender hoor. 

17. Want waerwaer mie seg 
na jender, dat veele Prophee- 
ten en Regtveerdigen ha be- 
geer for kik, wat jellie kik, 
en no ka kik die; en for 
hoor, wat jellie hoor, en no 
ka hoor die. 

18. Soo hoor nu die Gliknis 
van die Saejer; 

19. Als een Volk hoor die 
Woord van die Rik, en no 
verstaen die, dan die Boose 
kom, en neem die wej, wat 
ka saej na binne sie Hart; 
Deese bin die, die ka saej na 
die Pad. 

20. Maer die, die ka saej 
na Steen-Land, bin die, die 
hoor die Woord, en neem die 
an anstonds mit Vreegde: 

21. Dog hem no hab Wortel 
na binne sie, en bin Wankel- 
bar; en als Druefnis en Ver- 
volging kom voor die wille 
van die Woord , dan hem erger 
sie selv anstonds. 

22. Maer die, die ka saej 
tussen die Doornen, bin die, 
die hoor die Woord; en deese 
Weereld sie Sorg, en Bedrieg 
van Riekdom tjook die Woord, 
en die no draeg Vrygt. 

23. Maer die, die ka saej 



218 



na binne gued Land, bin die 
hoor die Woord, en verstaen 
die, en draeg Vrygt ookal, en 
som draeg honderd voud,maer 
som sestig voud, maer som 
dertig voud. 

24. II). Hem ha leg sender 
een ander Gliknis voor, en ha 
seg: Die Hemelrik bin glik 
een Mens, die ka saej gued 
Saed na binne sie Akker. 

25. Maer dietit die Volk ha 
slaep, sie Vieand ha kom, en 
ha saej Onkryd tyssen die 
Koorn, en ka loop wej. 

26. Maer dietit nu die Koorn 
ha gruej op, en ha draeg 
Vrygt, sellie ha vind die On- 
kryd ookal. 

27. Soo die Knegten ha kom 
na die Hus-Vaeder, en ha seg 
na hem: Meester, ju no ka 
saej gued Saed na binne ju 
Akker? van waer die Onkryd 
ka kom? 

28. Maer hem ha seg na 
sender: die Vieand ka due die. 
Soo die Knegten ha seg na 
hem: ju wil dan, dat ons sal 
loop, en trek die yt? 

29. Maer hem ha seg : neen ; 
dat jellie no sal trek yt die 
Koorn ookal, dietit jellie trek 
die Onkryd. 

30. Lastaen sender ruej 
malkander, tee na die Krop- 
Tid: en na die Krop-Tid mie 
sal seg na die Maejers: gaer 
eerst die Onkryd, en bind die 



na Bossies, dat ons kan ver- 
brand die; maer die Koorn jellie 
gaer na binne mie Koorn-Hus. 

31. Hem ha seg een ander 
Gliknis voor sender, en ha seg: 
die Hemelrik bin glik een 
Moster-Saed, die een Mens ha 
neem, en ha saej die na sie 
Akker: 

32. Die bin die kleinste van 
al Saed; maer als die gruej 
op, die bin die grootste van die 
Muskryd, en die kom een Boom, 
dat die Voglen van die Hemel 
kom, en maek Nest tyssen die 
Takkies van die. 

33. Hem na seg een ander 
Gliknis na sender : die Hemelrik 
bin glik een Sierdeeg, die een 
Vrow ha neem, en ha mengel 
die na drie Skepels Meel, tee 
die ka kom sier almael. 

34. Almael dat Jesus ka seg 
na die Volk door Gliknissen; 
en sonder Gliknissen hem no 
ha praet niet een gut na sender; 

35. Dat die ha sal kom ver- 
vylt, wat ka seg door die 
Propheet , die seg : mie wil open 
mie Mond door Gliknissen, mie 
wil seg die Geheimnis van die 
Begin van die Weereld. 

36. Soo Jesus ha lastaen die 
Volk loop , en ha kom na binne 
die Hus; en sie Disciplen ha 
kom na hem en ha seg: Ver- 
klaer ons die Gliknis van die 
Onkryd na binne die Akker. 

37. Maer hem ha antwoordt, 



219 



en ha seg na sender: die Mens 
sie Soon bin hem, die ha saej 
die gued Saed. 

38. Maer die Weereld bin 
die Akker; maer die Kinders 
van die Rik bin die gued Saed ; 
maer die Kinders van die Boose 
bin die Onkryd; 

39. Maer die Dievel bin die 
Vieand, die ka saej sender; 
maer die Einde van die Weereld 
bin die Krop-Tid; maer die 
Englen bin die Maejers. 

40. Daerom, glik als Volk 
trek yt die Onkryd, en verbrand 
die mit Vier; soo die sal loop 
tu oo kal na die Einde van 
deese Weereld: 

41. Die Mens sie Soon sal 
stier sie Englen yt, en sellie 
sal gaer yt sie Rik almael 
Ergernissen , en sender, die due 
Onregt. 

42. En sellie sal gooj sender 
na binne die Vier Oven; daer 
sal wees Kries en Kneersing 
van Tand. 

43. Dan die Regtveerdigen 
sal skin als die Soon na binne 
die Rik van sender Vaeder. 
Die hab Oor for hoor, hem hoor. 

44. III.) Weeran die Hemelrik 
bin glik een Skat, die ka ver- 
berg na binne een Akker; die 
een Mens ka vind, en ka ver- 
berg die, en ka loop van 
Blieskap, en ka verkoop al wat 
hem ha hab, en ka koop die 
Akker. 



45. Weeran die Hemelrik bin 
glik een Koopman, die hasuek 
gueje Peerlen: 

46. En dietit hem ka vind 
een kostlig Peerl, hem ha loop 
heen, en ha verkoop al wat 
hem ha hab, en ha koop die. 

47. Weeran die Hemelrik bin 
glik een Net, die ka gooj na 
binne die See, en vang van 
almael Sort. 

48. Als die bin vol, sellie 
hael die op na die See-Kant, 
en sit, en suek yt die gueje 
malkander na een vat, maer 
sellie gooj die qwaeje wej. 

49. Soo die sal loop ookal 
na die Einde van die Weereld : 
die Englen sal loop yt, en skei 
die qwaeje van die regtveer- 
digen ; 

50. En sal gooj sender na 
die Vier Oven ; daer sal wees 
Kries, en Kneersing van Tand. 

51. Jesus seg na sender; 
jellie ka verstaen die almael? 
sellie seg na hem: ja, Heere. 

52. Maer hem ha seg na sen- 
der: daerom elk Skriftgeleerd, 
die ka leer na die Hemelrik, bin 
glik een Hus- Vaeder, die bring 
yt sie Skat nyw en oud gut. 

53. IV.) En die ka gebeer, 
dietit Jesus ka eindig deese Glik- 
nissen, hem ha loop van daer. 

54. En hem ha kom na sie 
Vaederland, en ha leer sender 
na sender Skool; soo dat sellie 
ka wonder gu, en ha seg: van 



220 



waer deese hab die Wiesheid 
en Kragt? 

55. Hem no bin die Timmer- 
man sie Soon ? sie Muder no hiet 
Maria? en sie Bruders Jacob 
en Joses, en Simon en Judas? 

56. En sie Sisters almael no 
bin bie ons? van waer almael 
dat kom na hem? 



57. En sellie ha erger sender 
na hem; maer Jesus ha seg 
na sender: een Propheet no 
bin minder waerdig, als na sie 
eigen Vaederland, en na sie 
eigen Hus. 

58. En hem no ha due veel 
Teekens daer, voor die wille 
van sender Ongeloof. 



DIE 14. CAPITTEL. 

I.) Herodes denk, dat Johannes, wie sie kop hem ka 

lastaen kap af, ka staen op van die Dooje, 1—12. II.) Jesus 

spies 5000 Mans, 13—21. III.) loop na bobo die 

See, die Petrus due ookal, 22—34. IV.) genees, 35 — 36. 



Na die selve Tid Herodes, 
die Vier vorst, ha hoor die 
Woord van Jesus. 

2. En hem ha seg na sie 
Knegten: deese bin Johannes 
die Dooper; hem ka staen op 
van die Dooje, daerom hem 
due soo Werk. 

3. Want Herodes ha ka vang 
Johannes, ha ka bind hem, en 
ha ka gooj hem na binne die 
Gevangnis, voor die wille van 
Herodias, die Vrow van sie 
Bruder Philippus. 

4. Want Johannes ha seg 
na hem: die no bin regt, dat 
ju hab hem. 

5. En hem ha wil gern maek 
hem doot, maer hem ha bang 
die Volk , diemaek sellie ha how 
Johannes voor een Propheet. 

6. Maer dietit Herodes ha how 



sie Geboorte-Dag, die Dogter 
van Herodias ha dans voor 
sender ; en die ha behaeg Hero- 
des gu. 

7. Daerom hem ha beloov 
hem mit een Eed, for giev na 
hem, wat hem ha sal begeer. 

8. En soo lang sie Muder 
ha ka onderrigt hem tee voorn, 
hem ha seg: giev hie na mie 
na binne een Skittel die Kop 
van Johannes die Dooper. 

9. En die Kooning ha kom 
bedruevt, dog soo lang hem 
ha ka sweer, en voor die wille 
van sender, die ha sit mit hem 
na Tafel, hem ha belast for 
giev die na hem. 

10. En hem ha stier, en ha 
lastaen kap af Johannes sie Kop 
na binne die Gevangnis. 

11. En sellie ha bring sie 



221 



Kop na binne een Skittel, en 
ha giev die na die Mejsje; en 
hem ha bring die na sie Muder. 

12. Soo sie Disciplen ha kom, 
ha neem die Likam, en ha 
begraev die, en sellie ha kom, 
en ha seg dat na Jesus. 

13. II.) Dietit Jesus ka hoor 
dat, hem ha loop wej van 
daesoo mit een Skip na een 
Wusteine alleen; en dietit die 
Volk ka hoor dat, sellie ha 
volg hem na vut yt die Steden. 

14. En Jesus ha loop yt, en 
ha kik al die Volk, en die ha 
jammer hem gu voor sender, 
en hem ha genees die Sieken 
van sender. 

15. Na avondtit sie Disciplen 
ha kom na hem, en ha seg: 
deese bin een Wusteine, en 
Donker kom; lastaen die Volk 
loop van ju, dat sellie kan loop 
na die Dorpen, en koop jeet. 

16. Maer Jesus ha seg na 
sender: die no bin noodig, dat 
sellie loop heen: jellie giev na 
sender for jeet. 

17. Maer sellie ha seg na 
hem : ons no hab meer hiesoo , 
als veif Brooden, en twee Vissen. 

18. Maer hem ha seg: bring 
sender hiesoo na mie. 

19. En hem ha seg na die 
Volk, for sit neer na bobo die 
Gras, en ha neem die veif 
Brooden, en die twee Vissen, 
ha kik op na die Hemel, ha 
dank, en ha brek sender, en 



ha giev die Brooden na die 
Disciplen, maer die Disciplen 
ha giev sender na die Volk. 

20. En sellie almael ha jeet, 
en ha kreeg sender Bekomst; 
en sellie ha neem op die gut, 
die ka bliev over, twaelf 
Makutten vol. 

21. Nu die ha ka jeet, ha 
wees bie veif dysend Man, 
sonder Vrowen en Kinders. 

22. III.) En anstonds Jesus 
ha forceer sie Disciplen for 
loop na binne die Skip, for 
vaer over voor hem na die 
ander Sie, tee hem ha ka stier 
die Volk wej. 

23. En dietit hem ha ka stier 
die Volk wej, hem ha klem na 
bobo een Berg, hem alleen, for 
bid. En na Avond hem alleen 
ha wees^ daesoo. 

24. Maer die Skip, ha wees 
alreets na middel van die See, 
en ha wees na Gevaer voor 
die groot Baeren; want die 
Wind ha wees tegen. 

25. Maer na die vierde Nagt- 
wagt Jesus ha kom na sender, 
en hem ha loop na bobo die See. 

26. En dietit die Disciplen 
ha kik hem loop na bobo die 
See, sellie ha kom bang, en ha 
seg; die bin een Spook; en 
sellie ha skreew van Bangheid. 

27. Maer Jesus ha spreek mit 
sender anstonds, en ha seg: 
hab gueje Mud; da mie die bin, 
no wees bang. 



/ 



222 



28. Maer Petrus ha antwoordt 
hem, en ha seg: Heere! als ju 
die bin, soo seg na mie dan, 
for kom na ju na bobo die 
water. 

29. Maer hem ha seg : kom ! 
en Petrus ha stap yt van die 
Skip, en ha loop na bobo die 
water for kom na Jesus. 

30. Maer dietit hem ha kik 
een groot Wind, hem ha kom 
bang, en dietit hem ha begin 
for sink, hem ha ruep, en ha 
seg: Heere, help mie! 

31. Maer Jesus ha strek sie 
Hand yt anstonds en ha vas 
hem, en ha seg na hem: O, 
ju kleingloovig ! watmaek ju 
ha twieffel. 

32. En dietit sellie ka loop 



na binne die Skip, die Wind 
ha kom stil. 

33. Maer sellie, die ha wees 
na binne die Skip, ha kom, en 
ha val neer voor hem, en ha 
seg: ju bin waerwaer Godt sie 
Soon. 

34. En sellie ha vaer over, 
en ha kom na die Land van 
Genezareth. 

35. IV.) En dietit die Volk 
van daesoo ha ken hem, sellie 
ha stier yt na die geheel Land 
rontom , en ha bring almael die 
Sieken na hem. 

36. En sellie ha bid hem, 
dat sellie ha mut ruer alleen 
na die Soom van sie Kleed; 
en sellie almael, die ha ruer 
die an, ka kom gesond. 



DIE 15. CAPITTEL. 

I.) Jesus leer, wat die bin, die maek die Mens onrein, 

en bestraev die Hyklarie en blindheid van die Phariseetoen, 

1—20. II.) versuek en verhoor die Cananeis Vrow, 21 — 28. 

III.) genees veele, en spies 4000 Man, 29—39. 



vra die Tid die Skriftgeleer- 
-l-i den en Phariseewen van 
Jerusalem ka kom na Jesus, 
en ha seg: 

2. Watmaek ju Disciplen brek 
die Instelling van die Ouden? 
want sellie no was sender Han- 
den, dietit sellie jeet Brood. 

3. Maer hem ha antwoord, 
en ha seg na sender: watmaek 
jellie brek die Geboden van Godt 



voor jender Instelling sie wil? 

4. Want Godt ka belast : ju 
sal eer ju Vaeder en ju Muder; 
maer die vluek Vaeder en Muder 
sal sterv die Dood. 

5. Maer jellie leer: wie seg 
na sie Vaeder of Muder (als 
mie offer die, die bin meernyt) 
hem due wel. 

6. Dat maek, dat niemand 
meer eer sie Vaeder en sie 



223 



Muder: en soo jellie maek Godt 
sie Gebod niemendal voor jender 
Instelling sie wil. 

7. Jellie Hyklars! Jesaias 
ka propheteer wel van jender, 
en ha seg: 

8. Deese Volk kom diestebie 
mie mit sender Mond, en eer 
mie mit sender Lippen; maer 
sender Hart bin ver van mie. 

9. Maer sellie dien mie voor 
soosoo, diemaek sellie leer 
Leering die bin Mens Geboden 
alleen : 

10. En hem ha ruep die 
Volk na sie, en ha seg na 
sender; hoor tu, en verstaen die! 

11. Wat loop na binne door 
die Mond, no maek die Mens 
onrein, maer wat loop yt door 
die Mond, die maek die Mens 
onrein. 

12. Soo sie Disciplen ha loop 
na hem, en ha seg na hem; 
ju weet ookal dat die Phari- 
seewen ka erger sender, dietit 
sellie ka hoor die Woord? 

13. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg: almael Planten, die 
mie hemels Vaederno ka plant, 
sal ruej yt. 

14. Lastaen sellie loop : sellie 
bin blind, en Leidsmans van 
Blinden; Nu als een blind lej 
die ander, sellie altwee sal val 
na binne die Graf. 

15. Soo Simon Petrus ha 
antwoordt, en ha seg na hem; 
verklaer ons deese Gliknis. 



16. En Jesus ha seg na 
sender: jellie ook bin onver- 
standig nogal? 

17. Jellie no verstaen nogal, 
dat al wat loop na binne door 
die Mond, loop na die Biek, 
en wordt ytgegoojt door die 
natierlig Gang? 

18. Maer wat loop yt door 
die Mond , kom y t van die Hart , 
en die maek die Mens onrein. 

19. Want yt die Hart kom 
qwaeje Gedagten, Moord, Huer, 
Overspel, Die verie, vals Getieg- 
nis, Lastering. 

20. Dat bin die, die maek 
die Mens onrein ; maar for jeet 
sonder was Hand, no maek die 
Mens onrein. 

21. II.) En Jesus ha loop yt 
van daesoo en ha loop wej na 
die Land van Tyrus en Sidon. 

22. En kik een Gananeis 
Vrow ha kom yt van die selve 
Land, ha ruep, en ha seg na 
hem: Ach Heere, David Soon, 
jammer mie! die Dievel plaeg 
mie Dogter over. 

23. Maer hem no ha ant- 
woordt die Vrow niet een 
Woord. Soo sie Disciplen ha 
loop na hem, ha bid hem, en 
ha seg: stier die Vrow wej, 
want hem ruep aster ons. 

24. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg: mie no ka stier 
yt, als alleen na die verlooren 
Skaepen van Israël sie Hus. 

25. Maer die Vrow ha kom, 



mè&ka. 



224 



ha bid hem an, en ha seg: 
Heere, help mie! 

26. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg: die no staen fraej, 
for neem die Brood van die 
Kinders, en gooj die na die 
klein Honden. 

27. Maer die Vrow ha seg: 
ja, Heere! klein Honden jeet 
dog die Krymmels, die val 
van die Tafel van sender 
Meester. 

28. Soo Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na hem: O, Vrow, 
ju Gloof bin groot ; die geskiedt 
na ju, soo als ju wil! en sie 
Dogter ha kom gesond van die 
selve yer. 

29. III.) En Jesus ha loop 
voort van daesoo, en ha kom 
na die See van Galilea; en hem 
ha klem na bobo een Berg, en 
ha sit daesoo. 

30. En veel Volk ha kom 
na hem , die ha bring mit sender 
Lammen , Blinden , Stommen , 
en Kreeplen, en veele ander; 
en sellie ha leg sender voor 
die Vutten van Jesus, en hem 
ha genees sender: 

31. Soo dat die Volk ha 
wonder, dietit sellie ha kik, 
dat die Stommen ha spreek, die 
Kreeplen ha ka genees, die 
Lammen ha loop, en die Blinden 
ha kik; en sellie ha pries die 
Godt van Israël. 

32. Maer Jesus ha ruep sie 
Disciplen na sie, en ha seg: 



mie jammer die Volk, diemaek 
sellie ka bliev nu drie Dagen 
na mie, en sellie no hab niet 
een gut for jeet; en mie no 
wil lastaen sender loop wej van 
mie sonder jeet, dat sellie no 
sal versmagt na die Pad. 

33. En sie Disciplen ha seg 
na hem: van waesoo ons sal 
krieg soo mussie Brood na 
binne die Wusteine; dat ons 
kan versaedig soo veel Volk? 

34. En Jesus ha seg na sender: 
huveel Brooden jellie hab? maer 
sellie ha seg: se ven, en weinig 
klein Vissen. 

35. En hem ha seg na die 
Volk for sit neer na bobo die 
Aerde. 

36. En hem ha neem die 
se ven Brooden en die Vissen, 
ha dank, ha brek sender, en 
ha giev sender na sie Disciplen, 
maer die Disciplen ha giev 
sender na die Volk. 

37. En sellie almael ha jeet, 
en ha krieg sender Bekomst; 
en sellie ha neem op seven 
Makutten vol van die Brokkies; 
die ka bliev over, 

38. Maer sellie, die ha ka 
jeet, ha wees vier dysend 
Mans, sonder die Vrowen en 
Kinders. 

39. En aster hem ha ka 
lastaen die Volk loop wej, hem 
ha loop na binne een Skip, 
en ha kom na die Land van 
Magdala. 



225 



DIE 16. CAPITTEL. 

I.) Jesus bestraev die Phariseewen, die ha suek Teekens, 

1—4. waerskow voor die Sierdeeg van sender, 5—12. II.) 

Petrus beken, dat Jesus bin die Soon van Godt, 13—20. 

III) Jesus spreek van sie Leiden, bestraev 

Petrus, 21—23. IV.) spreek van selv-verlooking , en van sie 

Tukornst, 24—28. 



En die Phariseeuwen en Sadu- 
ceewen ha kom, ha versuek 
hem, en ha begeer, dat hem 
ha wil wies sender een Teeken 
van die Hemel. 

2. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na sender : na Avond 
jellie seg: die kom een mooje 
Dag; diemaek die Hemel bin 
rood; 

3. En na vruvrue jellie seg : 
een Storm sal kom van Dag; 
diemaek die Hemel bin donker 
rood. Jellie Hyklars ! jellie kan 
oordeel die Manier van die 
Hemel, jellie no kan oordeel 
die Teekens van die Tid ookal ? 

4. Deese qwaeje en hueragtig 
Geslagt suek Teekens; en hem 
no sal krieg ander Teeken , als 
die Teeken van die Propheet 
Jonas. En hem ha lastaen sender, 
en ha loop wej van daesoo. 

5. En dietit sie Disciplen ha 
ka vaer over na die ander Sie, 
sellie ha ka vergeet for neem 
Brood mit. 

6. Maer Jesus ha seg na 
sender: pas op, en neemjender 



iq agt voor die Sierdeeg van 
die Phariseewen en Saduceewen. 

7. Soo sellie ha denk bie 
sender selv, en ha seg: die sal 
wees, dat ons no ka neem geen 
Brood mit. 

8. Maer dietit Jesus ka weet 
dat, hem ha seg na sender; 
jellie kleingloovigen ! watmaek 
jellie bin verleegen, voor dat 
jellie no ka neem Brood mit? 

9. Jellie no verstaen nogal? 
Jellie no denk op ookal die 
veif Brooden tyssen die veif 
Dysend, en huveel Makutten 
jellie ka neem op die Tid? 

10. Ook niet na die seven 
Brooden tyssen die vier Dysend , 
en huveel Makutten jellie ka 
neem op die Tid? 

11. Husoo jellie no verstaen 
dan , dat mie no spreek na jen- 
der van Brood, dietit mie seg, 
dat jellie sal neem jender in 
agt voor die Sierdeeg van die 
Phariseewen en Saduceeuwen? 

12. Soo sellie ha verstaen, 
dat hem no ha seg, dat sellie 
ha sal neem jender in agt voor 

16 



£ 



226 



die Sierdeeg van die Brood, 
maer voor die Leer van die 
Phariseewen en Saduceewen. 

13. II.) Maer dietit Jesus ka 
kom na die Landdeel van 
Cesarea Philippi, hem havraeg 
sie Disciplen, en ha seg; wie 
die Volk seg, dat die Mens sie 
Soon bin? 

14. Maer sellie ha seg: som 
seg, dat ju bin Johannes, die 
Dooper, maer ander, dat ju bin 
Elias, maer ander, dat ju bin 
Jeremias, onoso een van die 
Propheeten. 

15. Hem seg na sender: wie 
jellie seg dan, dat mie bin? 

16. Soo Simon Petrus ha 
antwoordt, en ha seg: ju bin 
Christus, die Soon van die 
levendig Godt. 

17. En Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na hem: ju bin 
saelig, Simon Jonas Soon, die 
maek Vleis en Blud no ka 
openbaer die na ju, maer mie 
Vaeder na binne die Hemel. 

18. Maer mie seg na ju ookal, 
dat ju bin Petrus; en na bobo 
deese Klip mie wil bow mie 
Gemeinte, en die Porten van die 
Hel no sal krieg magt over die. 

19. En mie wil giev na ju 
die Sleetelen van die Hemelrik ; 
al wat ju bind na die Aerde, 
sal wees gebonden na binne 
die Hemel ookal, en al wat ju 
los na die Aerde, sal wees 
gelost na die Hemel ookal. 



20. Soo hem ha verbiedt sie 
Disciplen, dat sellie no sal ha 
seg na niet een Volk, dat hem 
bin Jesus die Christus. 

21. III.) Van die Tid af Jesus 
ha begin for openbaer na sie 
Disciplen, dat hem mut loop 
na Jerusalem, en lie gu van 
die Oudste en Hoog Priesters, 
en Skriftgeleerden, en for wordt 
gedoot, en staen op weeran na 
die derde Dag. 

22. En Petrus ha neem hem 
na sie, en ha bestraev hem, 
en ha seg: Heere, spaer ju selv; 
dat no gebeer ju levendag ! 

23. Maer Jesus ha draej sie 
om, en ha seg na Petrus: loop 
wej van mie, Satan! ju bin een 
Ergernis voor mie ! want ju no 
meen, wat bin godtlig, maer 
wat bin menslig. 

24. IV.) Soo Jesus ha seg na 
sie Disciplen: als Imand wil 
volg mie, hem mut verlooken 
sie selv, en neem op die Krus, 
en volg mie. 

25. Want, die suek for 
sal veer sie Leven, sal verloor 
die ; maer die verloor sie Leven 
voor mie wil, sal vind die. 

26. Wat die kan help een 
Mens, als hem wind die heel 
Weereld, en lie Skaede na sie 
Siel? of wat een Mens kan 
giev, dat hem kan los sie Siel 
weeran ? 

27. Want die sal gebeer, dat 
die Mens sie Soon sal kom na 



227 



die Heerligheid van sie Vaeder 

mit sie Englen; en dan hem 

sal betael elk een nae sie Werk. 

28. Waerwaer mie seg na 



jender: som staen hiesoo, die 
no sal smaek die Dood, eer 
sellie kik die Mens sie Soon 
kom na binne sie Rik. 



DIE 17. CAPITTEL. 

I.) Christus kom verklaert na bobo die Berg, 1—9. 

spreek van Elias, 10—13. II.) genees die Mam-Siek, 14—21. 

III.) seeg vooryt van sie Leiden. 22—23. 

IV.) betael Skat, 24—27, 



En sees Dagen asteran Jesus 
ha neem Petrus en Jacobus, 
en sie Bruder Johannes na sie, 
en ha lej sender besonders na 
bobo een hoog Berg, 

2. En hem ha kom verklaert 
voor sender, en sie Angesigt 
ha skiën als die Son, en sie 
Kleer ha kom soo wit als die 
Ligt. 

3. En kik, sellie ha kik 
Moses en Elias, die ha spreek 
mit hem. 

4. En Petrus ha antwoordt 
en ha seg na Jesus: Heere, 
die bin fraej voor ons for wees 
hiesoo; als ju wil, ons sal 
maek drie Tenten hiesoo, een 
voor ju, en een voor Moses, 
en een voor Elias. 

5. Dietit hem ha praet nogal, 
kik, een klar Wolk ha kom 
over sender: en kik, een Stem 
na die Wolk ha seg: Deese 
bin mie lieve Soon, na die 
mie hab een Welbehaegen; 
hoor hem. 



6. Dietit die Disciplen ha 
hoor die, sellie ha val na sen- 
der Angesigt, en ha vrees gu. 

7. Maer Jesus ha kom na 
sender, ha ruer sender an, en 
ha seg: hoppo, en no wees bang. 

8. En diedit sellie ha hoppo 
sender Oogen, sellie no ha kik 
niemand, als Jesus alleen. 

9. En dietit sellie ha loop 
na molee van die Berg, Jesus 
ha belast sender, en ha seg: 
jellie no mut seg die Gesigt 
na niet een Volk, eer die Mens 
sie Soon ka staen op van die 
Dood. 

10. En sie Disciplen ha vraeg 
hem, en ha seg: watmaek die 
Skriftgeleerden seg dan, dat 
Elias mut kom eerst? 

11. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na sender: seeker, 
Elias sal kom eerst, en maek 
almael te regt. 

12. Maer mie seg na jender : 
Elias ka kom alreets, en sellie 
no ka weet hem, maer sellie 



228 



ka due mit hem, wat sellie ha 
wil; soo die Mens sie Soon 
sal lie van sender ookal. 

13. Soo die Disciplen ha 
verstaen , dat hem ha ka seg na 
sender van Johannes die Dooper. 

14. II.) En dietit sellie ka 
kom na die Volk, een Mens 
ha kom na hem, en ha val 
neer voor sie Vutten, en ha seg : 

15. Heere, hab Jammer na 
mie Soon, diemaek hem bin 
Maen siek, en lie gu Pien; 
want hem val dikwils na binne 
die Vier, en dikwils na binne 
die Water. 

16. En mie ha bring hem 
na ju Disciplen, en sellie no 
ha kan genees hem. 

17. MaerJesus ha antwoordt, 
en ha seg: O ju ongloovig en 
verkeerd Geslagt! hu lang mie 
sal wees mit jender? hu lang 
mie sal verdraeg jender? bring 
hem hiesoo na mie. 

18. En Jesus ha dreig die 
Die vel, en hem ha vaer yt 
van hem ; en die Jong ka kom 
gesond van die selve yer. 

19. Soo die Disciplen ha 
kom na hem alleen, en ha 
seg: watmaek ons no ha kan 
driev hem yt? 

20. Maer Jesus ha seg na 
sender: voor die wille van 
jender Ongloof; wantwaerwaer 
mie seg na jender: als jellie 
hab een Gloof als een Moster- 
Saed, jellie sal kan seg na die 



Berg hiesoo: hoppo van hiesoo 
na daesoo, soo die sal hoppo; 
en niet een gut sal wees 
onmooglig voor jender. 

21. Maer deese Sort no vaer 
yt als door Gebed en Vasten. 

22. III.) Nu dietit sellie ha 
kom weeran na Galilea, Jesus 
ha seg na sender: sellie sal 
leever die Mens sie Soon na 
die Handen van die Mensen: 

23. En sellie sal maek hem 
doot, en hem sal staen op 
weeran na die derde Dag; en 
sellie ha kom gu bedruevt. 

24. IV.) Maer dietit sellie 
ha kom na Gapernaum, sellie, 
die ontfang die Skat, ha kom na 
Petrus, en ha seg : jender Meester 
no bin gewent for betael Skat? 

25. Hem ha seg: ja. En 
dietit hem ka kom na binne 
die Hus, Jesus ha kom hem 
voor, en ha seg: wat ju denk, 
Simon ? van wie die Kooningen 
na Aerde neem Skat? van die 
Kinders, of van die Vreemden ? 

26. Soo Petrus ha seg na 
hem : van die Vreemden. Jesus 
ha seg na hem: dan die Kin- 
ders bin vrie immers. 

27. Maer, dat ons no sal 
erger sender, soo loop na die 
See, en gooj een Huk yt, en 
die eerste Vis, die kom op, 
neem die; en als ju open sie 
Mond, ju sal vind een Stater; 
neem die, en giev die na sen- 
der voor mie en ju. 



229 



DIE 18. CAPITTEL. 

I.) Jesus leer sie Disciplen for mej Hoogmudigheid en 

Ergernis, 1—10, ka kom for solveer, 11 — 14. II.) praet van 

bruderlig Bestraffing, for bind en los, 15—18. van ver- 

eenigt Gebed, 19—20. III.) van Vergeving, 21—22. 

die hem verklaer mit die Qliknis van die 

groot Débitor, 23—35. 



"]\T& die selve Tid die Dis- 
Xi ciplen ha loop na Jesus» 
en ha seg : da wie bin die groot- 
ste na binne die Hemelrik? 

2. En Jesus ha ruep een 
Kind na sie, en ha set die na 
die Middel van sender. 

3. En ha seg: waerwaer mie 
seg na jender: als jellie no 
bekeer, en kom als een Kind, 
jellie no sal kom na binne die 
Hemelrik levendag. 

4. Daerom, hem, die ver- 
neder sie selv als deese Kind, 
bin die grootste na binne die 
Hemelrik. 

5. En die ontfang soo een 
Kind na mie Naem, ont- 
fang mie. 

6. Maer hem, die erger een 
van deese kleinste, die gloov 
na mie, die ha wees beeter 
voor hem, dat een Mola-Steen 
ha ka hang ront sie Keel, en 
hem ha ka versiep na die diep- 
ste Plek van die See. 

7. Wee die Weereld voor 
Ergernissen ! want Ergernissen 



mut kom; dog wee die Mens, 

door wie die Ergernis kom! 

8. Maer als ju Hand , of ju 

Vut erger ju, kap sender af, 
en gooj sender wej van ju. 
Die bin beeter voor ju, dat ju 
loop lam of Kreepel na binne 
die Leven, als dat ju hab twee 
Handen, en twee Vutten, en 
wordt gegoojt na binne die 
eewig Vier. 

9. En als ju Oog erger ju, 
trek die yt, en gooj die wej 
van ju. Die bin beeter voor 
ju, dat ju loop mit een Oog 
na binne die Leven, als dat 
ju hab twee Oogen, en wordt 
gegoojt na die helse Vier. 

10. Pas op, dat jellie no 
veragt een van deese kleine; 
want mie seg na jender: sender 
Englen na binne die Hemel kik 
altit die Angesigt van inie 
Vaeder na binne die Hemel. 

11. Want die Mens sie Soon 
ka kom for maek saelig, wat 
ka verloor. 

12. Wat jellie denk ? als een 



230 



Mens ha hab honderd Skaepen, 
en een van sender ha verdwael, 
hem no lastaen die negen en 
negentig, en loop na bobo die 
Bergen, en suek die, die ka 
verdwael ? 

13. En als die gebeer, dat 
hem vind die, waerwaer mie seg 
na jender: hem bin meer blie 
over die, als over die negen en 
negentig, die no ha verdwael. 

14. Soo ookal, die no bin 
die wil van jender Vaeder na 
binne die Hemel, dat een van 
deese kleintjes sal verloor. 

15. II.) Maer als ju Bruder 
sondig tegen ju, loop heen, en 
bestraev hem tyssen hem en 
ju alleen; als hem hoor ju, ju 
ka wind ju Bruder. 

16. Maer als hem no hoor 
ju, soo neem een oft twee mit 
ju nogal; dat almael Saek sal 
bestaen na die Mond van twee 
of drie Getiegens. 

17. Maer als hem no hoor 
sender, soo seg dat na die 
Gemeinte; maer als hem no 
hoor die Gemeinte, soo how 
hem als een Heiden en Tollenar. 

18. Waerwaer mie seg na 
jender: al wat jellie bind op 
die Aerde, sal ka bind na binne 
die Hemel ookal; en al wat 
jellie los op die Aerde, sal ka 
los na binne die Hemel ookal. 

19. Verder mie seg na jender, 
dat als twee van jender accor- 
deer op die Aerde, voor wat 



gut die bin ookal, dat sellie 
wil bid voor, die sal gebeer 
sender van mie Vaeder na binne 
die Hemel. 

20. Diemaek, waer twee of 
drie ka kom malkander in mie 
Naem, daer mie sal wees na 
middel van sender. 

21. III.) Soo Petrus ha kom 
na hem, en ha seg: Heere, hu 
veel mael mie sal vergeev mie 
Bruder, die sondig tegen mie? 
da gnug seven mael? 

22. Jesus ha seg na hem: 
mie no seg ju seven mael, maer 
seventig mael seven mael. 

23. Daerom die Hemelrik 
bin glik een Kooning, die ha 
wil how Reekenskap mit sie 
Knegten. 

24. En dietit hem ha ka 
begin for reeken, een ha kom 
voor hem, die ha skylt tien 
dysend Pond. 

25. Maer soo lang hem no 
ha hab een gut for betael mit, 
die Heer ha belast for verkoop 
hem, en sie Vrow en Einders, 
en al wat hem ha hab for 
betael sie Skyld. 

26. Daerom die Knegt ha 
val neer, ha bid hem au, en 
ha seg: Heere hab Gedyld mit 
mie , en mie wil betael ju almael. 

27. Soo die Heer van die 
selve Knegt ha jammer hem 
gu, en ha lastaen hem los, en 
ha maek hem vrie van die 
Skyld ookal. 



d 



231 



28. Soo die selve Knegt ha 
loop yt, en ha vind een van 
sie Mede-Knegten, die ha skylt 
hem honderd Penningen; en 
hem ha vas hem na sie Keel, 
en ha seg: betael mie wat ju 
hab mie Skyld. 

29. Soo sie Mede-Knegt ha 
val neer voor sie Vutten, en 
ha bid hem, en ha seg: hab 
Gedyld mit mie, mie wil betael 
ju die almael. 

30. Maer hem no ha wil; 
maer ha loop heen, en ha gooj 
hem na binne die Gevangnis, 
tee hem ka betael hem die 
Skyld. 

31. Maer dietit sie Mede- 
Knegten ha ka kik dat, sellie 
ha kom gu bedruevt; en sellie 



ha kom, en ha seg na sender 
Heer al wat ka gebeer. 

32. Soo Sie Heer ha ruep 
hem, en ha seg na hem: ju 
booze Knegt, mie ka vergeev 
ju al ju Skyld, voordiemaek 
ju ka bid mie. 

33. Ju no sal ha jammer ju 
Mede-Knegt ookal, soo als mie 
ka jammer ju? 

34. En sie Heer ha kom 
toornig, en ha giev hem over 
na sender, die pienig, tee hem 
ha betael almael die Skyld 
na hem. 

35. Soo mie hemelse Vaeder 
sal due mit jender ookal, als 
jellie no vergeev van jender 
geheel Hart, elk een sie Bruder 
sie Skyld. 



DIE 19. CAPITTEL. 

I.) Jesus genees, 1. 2. spreek van Skejing tyssen 

Egt Volk, en van Hiewlik, 3—15. II.) belast die Jongman 

for seg af sie Riekdom, 16—22. praet van 

die Rieken , 23—26. III.) troost sender, die seg af 

wat voor sie Skyld, 27—30. 



En die ka gebeer, dietit Jesus 
ha ka maek een einde van 
deese Woorden, hem ha loop 
wej van Galilea, en ha kom 
na die Landdeel van Judea na 
die ander Sie van Jordan. 

2. En veel Volk ha volg 
hem; en hem ha genees sen- 
der daesoo. 

3. Soo die Phariseewen ha 



kom na hem, ha versuek hem, 
en ha seg na hem: die bin 
regt ookal, dat een Man skej 
van sie Vrow voor eenig gut? 
4. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na sender: Jellie no 
ka lees, dat hem, die ka maek 
die Mens na die Begin, ka 
maek die soo, dat een Man 
en een Vrow ha sal wees? 



232 



5. En ha seg: daerom een 
Mens sal verlaet sie Vader en 
sie Muder, en sal bliev na sie 
Vrow; en sellie twee sal wees 
een Vleis. 

6. Soo sellie nu nobintwee, 
maer een Vleis. Wat nu Godt 
ka vueg malkander, die Mens 
no sal skej. 

7. Soo sellie ha seg: wat- 
maek Moses ka belast, forgiev 
een skej Brief, en skej van hem? 

8. Hem ha seg na sender: 
Moses ka permitteer jender for 
skej van jender Vrowen, om 
die wille van die Hardigheid 
van jender Harten; maer die 
no ha wees soo van die Begin. 

9. Maer mie seg na jender: 
die skej van sie Vrow, onoso 
die mut wees voor Huer Skyld , 
en trow een ander, hem huer; 
en die, die trow mit die Vrow, 
die ka skej, hem huer ookal. 

10. Soo sie Disciplen ha seg 
na hem: als die bin soo van 
een Man mit sie Vrow, dan 
die no bin gued for trow. 

11. Maer hem ha seg na 
sender : almael Volk no vat die 
Woord, maer sellie na die die 
ka giev. 

12. Want die hab som, ka 
snie, sellie bin gebooren soo 
van sender Muder Lif; en die 
hab som, ka snie, sellie ka 
snie van die Menschen; en die 
hab som, ka snie, sellie ka 
snie sender selv voor die wille 



van die Hemelrik: die kan for 
verstaen die, sellie verstaen die! 

13. So sellie ha bring klein 
Kinders na hem, dat hem ha 
sal leg sie Handen na bobo 
sender, en bid; maer die Dis- 
ciplen ha bestraev sender. 

14. Maer Jesus ha seg: lastaen 
die klein Kinders mit Vreede, 
en no hinder sender for kom 
na mie; want die Hemelrik 
bin van sender. 

15. En hem ha leg sie Handen 
na bobo sender, en ha loop 
wej van daesoo. 

16. II.) En kik een ha kom 
na hem, en ha seg: gueje 
Meester, wat gut mie sal due, 
dat mie kan hab die eewig 
Leven ? 

17. Maer Jezus ha seg na 
hem: watmaek ju seg mie 
gueje? niet een bin gued, als 
Godt alleen; maer als ju wil 
loop na binne die Leven, how 
die Geboden. 

18. Soo hem ha seg na Jesus : 
welke ? En Jesus ha seg : deese : 
ju no sal maek doot ; ju no sal 
steel; ju nu sal giev vals 
Getiegnis. 

19. Eer ju Vaeder en ju 
Muder; en ju sal hab ju Naeste 
lief, als ju selv. 

20. Soo die Jongman ha seg 
na hem: almael dat mie ka 
how van mie Kindheid af: wat 
mie mankeer nogal? 

21. Jesus ha seg na hem: 



■ ■* 



233 



als ju wil wees volkom, soo 
loop heen, en verkoop al, wat 
ju hab, en giev die na die 
Povers; dan ju sal hab een 
Skat na binne die Hemel; en 
kom, en volg mie. 

22. Maer dietit die Jongman 
ha ka hoor dat, hem ha loop 
wej bedrueft; diemaek hem ha 
hab mussie gut. 

23. En Jesus ha seg na 
sie Disciplen: waerwaer mie 
seg na jender: een Riek sal 
pas kom na binne die Hemel- 
rik. 

24. En verder mie seg na 
jender; die bin meer ligt, dat 
een Kameel loop door die Oog 
van een Naeld, als dat een 
Riek kom na binne die Rik 
van Godt. 

25. Dietit sie Disciplen ha 
hoor dat, sellie ha verskrik 
gu, en ha seg: Ej! wie kan 
kom saelig dan? 

26. Maer Jesus ha kik na 
sender, en ha seg na sender, 



die bin onmooglig na die Men- 
sen, maer almael gut bin 
mooglik na Godt. 

27. III.) Soo Petrus ha ant- 
woordt, en ha seg na hem: kik 
ons ka verlaet almael gut, en 
ka volg ju; wat ons sal hab 
voor dat? 

28. Maer Jesus ha seg na 
sender: waerwaer mie seg na 
jender dat jellie, die ka volg 
mie na die wedergeboorte dietit 
die Mens sie Soon sal sit na 
die Stul van sie Heerligheid, 
jellie ookal sal sit na twaelf 
Stulen, en oordeel die twaelf 
Stammen van Israël. 

29. En elk een, die ka ver- 
laet Hus, of Bruders, of Sisters, 
of Vaeder, of Muder, of Vrow, 
of Kinders, of Akker voor mie 
Naem wil, hem sal ontfangdie 
honderd voud weeran, en erv 
die eeuwig Leven. 

30. Maer veele, die bin die 
eerste, sal kom die leste, en 
die leste die eerste. 



DIE 20. CAPITTEL. 

I.) Jesus spreek van die Werkmans na binne die Wieriberg, 

1—16. II.) vcm sie Leiden, 17—19. III.) Hem bestraev die 

Soons van Zebedeus, en vermeien tot Ootmudigheid , 20—28. 

IV.) genees twee Blinden bie Jericho, 29—34. 



Die Hemelrik bin glik een 
Hus vaeder, die ka loop yt 
gu vrue for hier Werk- Volk na 
binne sie Wienberg. 



2. En dietit hem ka accor- 
deer mit sender voor een Pen- 
ning na die Dag, hem ha stier 
sender na die Wienberg. 




3. Ed hem ha loop yt na 
die derde ver, en ha kik ander 
staen leeg na die Markt. 

4. En ha seg na sender: 
jellie loop ookal na die Wïen- 
berg, en mie sal gier na jen- 
der, wat bin regt; en sellieha 
loop heen. 

5. Weeran hem ha loop yt 
na die sesde en negende ver, 
en ha due eeven soo. 

6. Maer na die elfde ver 
hem ha loop yt, en ha vind 
ander staen leeg, en ha seg na 
sender: watmaek jellie staen 
leeg hiesoo die heel Dag? 

7. Sellie ha seg na hem: 
voordiemaek niet een Volk ha 
hier ons. Hem ha seg na sen- 
der: jellie ookal loop na die 
Wienberg, en jellie sal krieg, 
wat bin regt. 

8. Nu dietit Avond ha kom, 
die Meester van die Wienberg 
ha seg na sie Cassier: mep 
die Werkvolk, en betael sen- 
der die Hier, en begin van die 
leste tee na die eerste. 

9. Soo sellie ha kom, die 
ha ka hier na die elfde yer, en 
elk een ha krieg sie Penning. 

10. Maer dietit die eerste 
ha kom, sellie ha denk, dat 
sellie ha sal krieg meer; en 
sellie ook ha krieg elk een sie 
Penning. 

11. En dietit sellie ha ka 
krieg die, sellie ha knor tegen 
die Husvaeder, en ha seg: 



12. Deese leste ha werk een 
yer maer. en ju ka maek sen- 
der glik mit ons, die ka draeg 
die Last en die Hitte van die 
heel Dag. 

13. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na een van sender: 
mie Vriend! mie no due ju 
Onregt : ju no ka accordeer mit 
mie voor een Penning? 

14. Neem wat bin van ju, 
en loop wej. Maer mie wil giev 
na deese leste, glik als na ju. 

15. Of mie no hab Magt 
for due mit mie gut, wat mie 
wil? of ju kik sier daerom, dat 
mie bin guedaerdig? 

16. Soo die leste sal kom 
die eerste, en die eerste sal 
kom die leste; want veele bin 
geruepen, maer weinig bin ver- 
kooren. 

17. D.) En Jesus ha loop 
op na Jerusalem, en ha neem 
die twaelf Disciplen alleen na 
die Pad, en ha seg na sender: 

18. Kik ons loop op na 
Jerusalem, en die Mens sie 
Soon sal wordt geleevert na 
die Hoog-Priesters en Skrift- 
geleerden: en sellie sal veroor- 
deel hem na die Dood; 

19. En sal leever hem over 
na die Heidens, for bespot, 
geesel en krusig; en na die 
derde Dag hem sal staen op 
weeran. 

20. III.) Soo die Muder van 
Zebedeus sie Kinders ha kom 



235 



na hem mit sie twee Soons, 
ha val neer voor hem, en ha 
bid wat van hem. 

21. Maer Jesus ha seg na 
hem ; wat ju wil ? Hem ha seg 
na hem: lastaen deese mie 
twee Soons sit na binne ju 
Rik, die een na ju regter 
Hand, die ander na ju slinker 
Hand. 

22. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg: Jellie no weet, wat 
gut jellie bid; jellie kan drink 
die Beeker mie sal drink, en 
jellie kan lastaen doop jender 
mit die Doop, die mie sal wordt 
gedoopt mit? sellie seg na hem : 
ons kan. 

23. En hem ha seg na sender : 
jellie sal wel drink mie Beeker, 
en jellie sal wordt gedoopt mit 
die Doop, mit die mie sal wordt 
gedoopt; maer for sit na mie 
regter, en slinker Hand, no 
staen na mie for giev na niet 
een ; maer die sal giev na sender, 
die ka berej van mie Vaeder. 

24. En dietit die Tien ha ka 
hoor dat, sellie ha kom qwaet 
na die twee Bruders. 

25. Maer Jesus ha ruep 
sender na sie, en ha seg: jellie 
weet, dat die Weerelds Vorsten 
regeer over sender, en die 
Over-Heeren gebryk Magt over 
sender. 

26. Maer soo die no sal wees 



tyssen jender; maer als een 
van jender wil wees meer 
magtig, hem sal wees jender 
Dienar ; 

27. En die wil wees die 
voornaemste, sal wees jender 
Dienar : 

28. Glik ais die Mens sie 
Soon no ka kom, for lastaen 
dien sie, maer for dien, en for 
giev sie Leven for een Ver- 
lossing van veele. 

29. IV.) En dietit sellie ha 
loop yt van Jericho, veel Volk 
ha volg hem. 

30. En kik twee Blinden ha 
sit na die Pad, en dietit sellie 
ha ka hoor, dai Jesus ha 
passeer, sellie ha ruep, en ha 
seg: ak Heere, David sie Soon, 
hab Jammer na ons! 

31. Maer die Volk ha bestraev 
sender, dat sellie ha sal swieg; 
maer sellie ha ruep meer, en 
ha seg: ak Heere, David sie 
Soon, hab Jammer over ons! 

32. En Jesus ha staen stil, 
en ha ruep sender, en ha seg: 
wat jellie wil, dat mie sal due 
na jender? 

33. Sellie ha seg na hem: 
Heere ! dat ons Oogen sal open. 

34. En Jesus ha jammer 
sender gu, en ha ruer na sen- 
der Oogen. En anstonds sender 
Oogen ha open for kik weeran, 
en sellie ha volg hem. 



236 



DIE 21. CAPITTEL. 

I.) Jesus rie na birme Jerusalem, 1 — 11. II.) reinig die 
Tempel, 12—13. genees, verantwoordt die Kinders, 14 — 16, 

III.) Vluek die Viegie Boom, 17—22. IV.) no wil 

giev antwoordt na die Vragen van die Hoog-Priesters , 23 — 27. 

V.) seg een Gliknis van twee Soons, 28—32. VI.) praet 

vcm die Werkvolk na binne die Wienberg, 33 — 44. 

VII.) Die Priesters wil maek hem doot, 45, 46. 



En dietit sellie ha ka kom 
diestebie Jerusalem , na 
Bethphage na die Olief Berg, 
Jesus ha stier twee van sie 
Disciplen, en ha seg na sender : 

2. Loop heen na die Dorp, 
die leg voor jender: en jellie 
sal vind anstonds een Eselin, 
die ka bind vast, en een Kaggel 
mit hem; maek sender los, en 
bring sender na mie. 

3. En als een Volk seg een 
gut na jender, seg, dat die Heer 
mankeer sender; en anstonds 
hem sal stier sender. 

4. Maer dat almael ha gebeer, 
dat die sal kom vervylt, wat ka 
seg door die Propheet, die seg: 

5. Seg na die Dogter van 
Zion: kik, ju Kooning kom na 
ju sagtmudig, en rie na een 
Esel, en na die Kaggel van 
die tastbarend Eselin. 

6. Maer die Disciplen ha loop 
heen, en ha due, soo als Jesus 
ha ka belast sender. 

7. En sellie ha bring die 
Eselin mit sie Kaggel, en ha 



leg sender Kleeren na bobo 
sender, en ha set hem daerop. 

8. En veel Volk ha sprej 
sender Kleeren na die Pad; 
maer ander ha kap Takken 
van die Boomen, en ha strooj 
sender na Pad. 

9. En die Volk, die ha loop 
voor, en ha volg, ha ruep en 
ha seg: Hosianna die Davids 
Soon! geloovt hem bin, die 
kom in die Naem van die Heer ! 
Hosianna in die hoogste. 

10. En dietit hem ha ka kom 
na binne Jerusalem, die heel 
Stad ha kom na Alarm, en ha 
seg: wie deese bin? 

11. En die Volk ha seg; die 
bin Jesus, die Propheet van 
Nazareth van Galilea. 

12. II.) En Jesus ha loop na 
binne die Tempel van Godt, 
en ha jaeg yt van daesoo 
almael sender, die ha koop en 
verkoop na binne die Tempel; 
en hem ha stoot om die Tafels 
van die Wisselars, en die Stulen 
van die Diefie-Koopmans. 



ü 



237 



13. En hem ha seg na sender : 
die ka skriev: sellie sal ruep 
mie Hus een Bid-Hus, maer 
jellie ka maek een Moordnar- 
Hol van die. 

14. En Blinden, en Lammen 
ha loop na hem na binne die 
Tempel; en hem ha genees 
sender. 

15. Maer dietit die Hoog- 
Priesters en Skriftgeleerden ha 
ka kik die wonder, die hem 
ha ka due, en ha ka hoor die 
Kinders ruep na binne die 
Tempel: Hosianna, Davids 
Soon! sellie ha kom qwaet, en 
ha seg na hem: 

16. Ju hoor ookal, wat sellie 
seg? maer Jesus ha seg na 
sender: ja; jellie niet ka lees, 
dat ju sa berej ju Lof yt die 
Mond van die Onmondigen en 
Sygligen. 

17. III.) En hem ha lastaen 
sender, en ha loop yt die Stad 
na Bethanien, en ha bliev 
daesoo. 

18. Maer dietit hem ha loop 
na die Stad weeranna vruvrue, 
hem ha krieg Honger. 

19. En hem ha kik een Viegie- 
Boom bie die Pad, en ha loop 
na die, en no ha vind na die 
als Blaren alleen; en hem ha 
seg na die: Levendag Vrygt 
no gruej na ju meer! en die 
Viegie-Boom ha doot anstonds. 

20. En diedit sie Disciplen 
ha kik dat, sellie ha wonder, 



en ha seg: Husoo die Viegie- 
Boom ka doot soo gaw? 

21. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na sender : waerwaer 
mie seg na jender, als jellie 
hab Gloof, en no twieffel, dan 
jellie no sal due soo alleen mit 
die Viegie-Boom, maer als jellie 
seg na deese Berg ookal : hoppo, 
en gooi ju selv na binne die 
See, dan sie sal gebeer. 

22. En al wat jellie bid na 
dir Gebed, jellie sal krieg die, 
als jellie gloov. 

23. IV.) En dietit hem ha ka 
kom na binne die Tempel, die 
Hoog-Priesters en die Oudste 
van die Volk ha kom na hem, 
soo als hem ha leer, en sellie 
ha seg na hem: yt wat Magt 
ju due dat? en wie ka giev 
deese Magt na ju? 

24. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na sender: mie wil 
vraeg jender een Woord, ookal, 
als jellie seg mie dat, mie sal 
seg jender ookal , yt wat Magt 
mie due die. 

25. Van waesoo die Doop 
van Johannes ha wees? die 
ha wees van die Hemel, of 
van die Mensen? maer sellie 
ha denk bie sender selv, en 
ha seg: als ons seg: van die 
Hemel, hem sal seg na ons: 
voor wat jellie no ka gloov 
hem dan? 

26. Maer als ons seg: die 
ha wees van die Mensen, ons 




238 



mut bang die Volk; diemaek 
sellie almael how Johannes 
voor een Propheet. 

27. En sellie ha antwoordt 
Jesus, en ha seg: ons 110 weet; 
soo hem ha seg na sender; 
dan mie ookal no wil seg na 
jender, yt wat Magt mie due die. 

28. V.) Maer wat jellie denk ? 
een Man ha hab twee Soons, 
en hem ha loop na die eerste, 
en ha seg: mie Soon! loop 
heen, werk van dag na die 
Wienberg. 

29. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg: mie no wil due 
die ; maer asteran die ka berow 
hem, en hem ha loop. 

30. En die Man ha loop na 
die ander Soon, en ha seg soo 
ookal. Maer hem ha antwoord, 
en ha seg: Heere, mie wil; 
en hem no ha loop heen. 

31. Wie van sender twee 
ka due die Vaeder sie wil? 
jellie ha seg na hem : die eerste. 
Jesus ha seg na sender: waer- 
waer mie seg na jender, dat 
Tollenars en Huren loop voor 
jender na binne die Hemelrik. 

32. Want Johannes ka kom 
tot jender, en ha leer jender 
die regt Pad, en jellie no ha 
gloov hem, maer Tollenars en 
Huren ha gloov hem ; en maskee 
jellie ka kik die, dog die no 
ka berow jender asteran, dat 
jellie ha kan gloov na hem. 

33. VI.) Hoor een ander 



Gliknis: die ha hab een Hus- 
vaeder, die ka plant een Wien- 
berg, en ka set een Heining 
ront die, en ka graev een 
Wienpors na binne die, en ka 
bow een Toorn, en ka verhier 
die na die Wiengartmans, en 
ka reis na bytten Land. 

34. Dietit nu die Tid van 
die Vrygt ha ka kom, hem 
ha stier sie Knegten na die 
Wiengartmans : for ontfang die 
Vrygten. 

35. Soo die Wiengartmans 
ha neem sie Knegten, een 
sellie ha slaeg, maer eenander 
sellie ha maek doot, maer die 
derde sellie ha steenig. 

36. Weeran hem ha stier 
ander Knegten, meer als die 
eerste; en sellie ha due na 
sender soo ookal. 

37. Maer asteran hem ha 
stier sie Soon na sender, en 
ha seg: sellie sal bang mie 
Soon. 

38. Maer dietit die Wiengart- 
mans ha ka kik die Soon, sellie 
ha seg na malkander: Hem 
bin die Erfgenaem, lastaen ons 
maek hem doot, en bring die 
Erf na ons. 

39. En sellie ha neem hem, 
en ha stoot hem yt die Wien- 
berg, en ha maek hem doot. 

40. Daerom, als nu die Heer 
van die Wienberg sal kom, wat 
hem sal due die Wiengartmans ? 

41. Sellie ha seg na hem: 



239 



hem sal vermoordt die qwaeje, 
en sal verhier sie Wienberg 
na ander Wiengartmans, die sal 
giev na hem die Vrygten na 
regt tit. 

42. Jesus ha seg na sender: 
jellie noit ka lees in die Skrift : 
Die Steen, die die Bowmeesters 
ka gooj wej , ka kom een Hoofd- 
Huk-Steen; van die Heer dat 
ka kom, en die bin wonderlig 
voor ons Oogen. 

43. Daerom mie seg na jender, 
dat Godt sal neem sie Rik wej 
van jender, en sal giev die na 



die Heidens, die sal bring die 
Vrygten van die. 

44. En die val na bobo die 
Steen sal brek heel heel; maer 
na die die Steen val, hem sal 
mors heel heel. 

45. VIL) En dietit die Hoog- 
Priesters en Phariseewen ha ka 
hoor sie Gliknissen, sellie ha 
verstaen, dat hem ha ka spreek 
van sender. 

46. En sellie ha suek for 
vang hem, maer ha bang die 
Volk; diemaek sellie ha how 
hem voor een Propheet. 



DIE 22. CAPITTEL. 

I.) Jesus seg een Gliknis van die Brylloft van een 

Kooning sie Soon, 1 — 14. II.) leer, dat die Jooden sal giev 

Skat na die Keiser, 15—22. III.) leer van die 

Opstandinge, 23 — 33. IV.) van die grootste Gebod in die 

Wet, 34 — 40. V.) dat Christus bin David sie Soon, 

en sie Heer, 41 — 46. 



En Jesus ha antwoordt, en 
ha spreek na sender weeran 
door Gliknissen, en ha seg: 

2. Die Hemelrik bin glik een 
Kooning, die ka maek die 
Brylloft van sie Soon. 

3. En hem ha stier sie 
Knegten yt for ruep die Brylloft 
Volk ; en sellie no ha wil kom. 

4. Weeran hem ha stier ander 
Knegten, en ha seg: seg na 
die Volk die ka nooj; kik mie 
Maeltid ka maek, mie Ossen 



en mie vet Vee ka slagt, en 
almael gut ka klaer; kom na 
die Brylloft. 

5. Maer sellie ha veragt die, 
en ha loop heen, die een na 
sie Akker, die ander na sie 
Koopmanskab. 

6. Maer Partie ha vang sie 
Knegten, ha versmaet sender, 
en ha maek sender doot. 

7. Maer dietit die Kooning 
ha ka hoor dat, hem ha kom 
toornig; en ha stier sie Sol- 



240 



daeten yt, en ha verniet die 
Moordenars, en ha steek sender 
Stad na brand. 

8. Soo hem ha seg na sie 
Knegten: die Brylloft wel ka 
klaar, maer sellie, die ha ka 
nooj, no ha wees die waerdig. 

9. Daerom loop yt na die 
Straeten, en nooj na die Brylloft 
almael, die jellie vind. 

10. En die Knegten ha loop 
yt na die Straeten , en ha bring 
malkander almael, die sellie ha 
vind, gueje en qwaeje; en die 
Tafels almael ha kom vol. 

11. Soo die Kooning ha loop 
na binne for kik die Volk, die 
ha sit na Tafel, en hem ha kik 
een Mens daesoo, die no ha 
hab die Brylloft Kleed an. 

12. En hem ha seg na hem : 
Vriend! husoo ju ha kom hier 
na binne, en no hab die Bryl- 
loft Kleed an? maer hem ha 
swieg stil. 

13. Soo die Kooning ha seg 
na sie Knegten : bind sie Handen 
en Vutten, en gooj hem na die 
byttenste Dysternis; daer sal 
wees Hyel en Kneersing na 
Tand. 

14. Diemaek veel bin gerue- 
pen , maer weinig bin verkooren. 

15. II.) Soo die Phariseewen 
ha loop heen, en ha how een 
Raed, hu sellie sal kan vang 
hem na Woord. 

16. En sellie ha stier sender 
Disciplen na hem, mit die 



Herodianen, en ha seg : Meester, 
ons weet dat ju bin waeragtig, 
en leer die weg van Godtregt, 
en ju no vraeg na niet een 
Volk; diemaek ju no agt die 
Ansien van Mensen. 

17. Daerom seg na ons, wat 
ju denk? Die bin regt for giev 
Skat na die Keiser, of niet? 

18. Maer dietit Jesus ha ka 
ken sender skalk manier, hem 
ha seg : jellie Hyklars ! watmaek 
jellie versuek mie? 

19. Lastaen mie kik die Mynt 
van die Skat ! en sellie ha bring 
hem een Penning. 

20. En hem ha seg na sender : 
van wie die Beeld en Opskrift 
bin? 

21. Sellie ha seg na hem: 
van die Keiser. Soo hem ha 
seg na sender: giev dan na 
die Keiser, wat bin van die 
Keiser, en na Godt, wat bin 
van Godt. 

22. En dietit sellie ha ka 
hoor dat, sellie ha wonder; 
en ha lastaen hem, en ha 
loop wej. 

23. III.) Na die selve Dag 
die Saduceewen, die seg, dat 
die no hab opstandinge, ha 
kom na hem, en ha vraeg: 

24. Meester! Moses ka seg: 
als een Volk sterv, en no hab 
Kinders, dan sie Bruder sal 
trow sie Vrow, en verwek sie 
Bruder Saed. 

25. Nu die ha hab se ven 



. j 



241 



Bruders bie ons: en die eerste 
ka trow, en ka sterv; en soo- 
lang hem no ha hab Saed, 
hem ka lastaen sie Vrow aster 
na sie Bruder: 

26. Die tweede soo ookal, 
en die derde, tee na die sevende. 

27. En lest na sender almael 
die Vrow ka sterv ookal. 

28. Nu na die opstandinge, 
wie van die seven sal hab 
hem na Vrow? want sellie 
almael ka hab hem hiesoo. 

29. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na sender: jellie 
dwael, en no weet die Skrift, 
ook niet die Kragt van Godt. 

30. Want na die opstandinge, 
sellie no sal trow, en sellie no 
sal giev na trow; maer sellie 
bin glik als die Englen van 
Godt na binne die Hemel. 

31. Maer jellie no ka lees 
van die opstandinge van die 
Dooje, die ka seg na jender 
van Godt, die seg: 

32. Mie bin die Godt van 
Abraham, en die Godt van 
Isaac, en die Godt van Jacob? 
Nu Godt no bin een Godt van die 
Dooje, maer van die Levendigen. 

33. En dietit die Volk ha 
ka hoor dat, sellie ha wonder 
gu over sie Leer. 

34. IV.) Maer dietit die 
Phariseewen ha ka hoor, dat 
hem ha ka stop die Mond van 
die Saduceewen, sellie ha kom 
malkander. 



35. En een van sender, een 
Skriftgeleerd, ha versuek hem, 
en ha seg: 

36. Meester, welk bin die 
grootste Gebod in die Wet? 

37. Maer Jesus ha seg na 
hem : ju sal hab Godt, ju Heer, 
lief van ju geheel Hart, van ge- 
heel Siel, en van geheel Gemud. 

38. Die bin die voornaemste 
en grootste Gebod. 

39. Die tweede bin glik als 
die : ju sal hab ju Naeste lief, 
als ju selv. 

40. Na deese twee Geboden 
hang die geheel Wet en die 
Propheeten. 

41. V.) Maer dietit die Pha- 
riseewen ha wees malkander, 
Jesus ha vraeg sender, en ha seg : 

42. Wat jellie denk van Chris- 
tus? wie sie Soon hem bin? 
sellie ha seg na hem: David 
sie Soon. 

43. Hem ha seg na sender: 
husoo David dan ruep hem Heer 
in die Geest? dietit hem seg: 

44. Die Heer ka seg na mie 
Heer: sit ju bie mie regter 
Hand, tee mie ka leg ju Vie- 
anden na die Vut-Bank van ju 
Vutten. 

45. Daerom, als David ruep 
hem Heer, husoo hem kan for 
wees sie Soon dan? 

46. En niet een ha kan ant- 
woordt hem een Woord; en 
niet een ha derv for vraeg hem 
meer aster die Dag. 

16 



242 



DIE 23. CAPITTEL. 

I.) Jesus leer die Volk for hoor die Phariseewen, moer 

no for volg sender aster, 1—12. II.) Hem ruep Wee over 

sender agtmad, 13—33. III.) verkondig die Ondergang 

vcm Jerusalem en die Tempel, 34—39. 



Soo Jesus ha spreek na die 
Volk, en na sie Disciplen, 
en ha seg: 

2. Skriftgeleerden, en Phari- 
seewen sit na die Stuel van 
Moses. 

3. Daerom, al wat sellie seg 
na jender, dat jellie sal how, 
jellie how die, en due die ; maer 
no due aster sender Werk; 
want sellie wel seg die, maer 
sellie no due die. 

4. Want sellie bind swaer 
dragten, die bin mujlig for 
draeg, en leg sender na die 
Skowders van die Mensen ; maer 
selv no wil ruer sender an mit 
een Vinger selv. 

5. Maer sellie due al sender 
Werk, dat die Volk kan kik 
die; sellie maek sender Denk- 
Seedels breed, en die Soomen 
van sender Kleeren groot. 

6. Sellie sit gern na die boven 
Plek van die Tafels, en Skolen. 

7. En wil gu, dat Volk sal 
gruet sender op die Markt, en 
ruep sender Rabbi, Rabbi; 

8. Maer jellie no sal lastaen 
sender ruep jender Rabbi; die- 
maek een bin jender Meester, 



Christus ; maer jellie bin Bruders 
malkander. 

9. En jellie no sal ruep een 
Volk Vaeder op die Aerde; 
diemaek een bin jender Vaeder, 
die bin na binne die Hemel. 

10. En jellie no sal lastaen 
sender ruep jender Meester; 
diemaek een bin jender Meester, 
Christus. 

11. Maer die grootste tyssen 
jender, sal wees jender Dienar. 

12. Maer die verhoog sie selv, 
sal kom vernedert, en die ver- 
neder sie selv, sal kom verhoogt. 

13. II.) Wee jender, jellie 
Skriftgeleerden en Phariseewen, 
jellie Hyklars ! voordiemaek 
jellie slyt die Hemelrik voor 
die Mensen ; jellie no selv kom 
na binne die, en jellie no wil 
lastaen sender loop, die suek 
for kom daer na binne. 

14. Wee jender, jellie Skrift- 
geleerden en Phariseewen, jellie 
Hyklars! dat jellie jeet die 
Husen van die Wedywen, en 
dat onder die Skin van lang 
Gebeden ; daerom jellie sal krieg 
te meer Verdumnis. 

15. Wee jender, jellie Skrift- 



243 



geleerden enPhariseewen, jellie 
Hyklars! dat jellie loop ront 
na Land, en na Water, dat 
jellie kan maek een Joodgenoot ; 
en als hem ka kom die, jellie 
maek van hem een Kind van 
die Hel, twee dobbel meer, als 
jellie bin. 

16. Wee jender, jellie blinden 
Leidsmans! jellie die seg: die 
sweer bie die Tempel, dat bin 
niemendal; maer die sweer bie 
die Goud na binne die Tempel, 
hem bin skyldig. 

17. Jellie sotten en blinden! 
wat bin meer groot ? die Goud ? 
of die Tempel, die heilig die 
Goud? 

18. Verder: die sweer bie die 
Altar, dat bin niemendal ; maer 
die sweer bie die Offer na bobo 
die Altar, hem bin skyldig. 

19. Jellie sotten en blinden; 
wat bin meer groot? die Offer? 
of die Altar, die heilig die Offer? 

20. Daerom, die sweer bie 
die Altar, sweer bie die selve, 
en bie al wat bin na bobo die. 

21. En die sweer bie die 
Tempel, sweer bie die selve, 
en bie hem, die woon daesoo. 

22. En die sweer bie die 
Hemel, sweer bie die Stul van 
Godt, en bie hem, die sit na 
bobo die. 

23. Wee jender, jellie Skrift- 
geleerden en Pharisee wen , jellie 
Hyklars! dat jellie vertient Mint, 
en Dil, en Komin; en lastaen, 



wat bin meer swaer na binne 
die Wet, naemlik Oordeel, 
Barmhertigheid en Gloof : deese 
gut ons mut due, en no lastaen 
die ander. 

24. Jellie blinden Leidsmans, 
jellie die passeer die Muskit, 
maer slok die Kameel! 

25. Wee jender, jellie Skrift- 
geleerden en Phariseewen, 
jellie Hyklars! die how die 
Beekers en Skettels skoon yt- 
wendig; maer inwendig sender 
bin vol van roof gut en Gyl- 
sigheid. 

26. Ju blind Phariseew ! maek 
eerst die Beeker en Skettel 
skoon inwendig, dat die kan 
kom skoon ytwendig ookal. 

27. Wee jender, jellie Skrift- 
geleerden en Phariseewen, jel- 
lie Hyklars! jellie bin glik die 
Graven, die ka wit, en skiën 
skoon na byttie ; maer na binne 
sender bin vol van doodbeenen 
en van al Onreinheid. 

28. Soo jellie ookal wel 
skiën vroom na byttie voor 
die Mensen; maer van binne 
jellie bin vol van Valsheid en 
Ondeegd. 

29. Wee jender, jellie Skrift- 
geleerden en Phariseewen, jel- 
lie Hyklars! die bow die Gra- 
ven van die Propheeten, en 
versier die Graven van die 
Regtveerdigen , en seg: 

30. Als ons ha ka wees na 
die Tid van ons Vaeders, ons 



244 



no ha ka hab Pari mit sen- 
der na die Blud van die Pro- 
pheeten. 

31. Soo jellie giev Getiegnis 
dan van jender selv, dat jel- 
lie bin Kinders van sender die 
ka maek die Propheeten doot. 

32. Welan! maek die Maet 
van jender Vaeders vol ookal. 

33. Jellie Slangen! jellie 
Adder Kinders! husoo jellie 
wil ontloop die helse Ver- 
dumnis? 

34. III.) Daerom, kik, mie 
stier na jender Propheeten, en 
Wiesen , en Skriftgeleerden ; en 
som van sender jellie sal maek 
doot en krusig, en som jellie 
sal geesel na binne jender 
Skolen, en jellie sal vervolg 
sender van die een Stad na 
die ander. 

35. Dat al die regtveerdig 
Blud sal kom over jender, die 



ka stort op die Aerde van die 
regtveerdig Abel sie Blud, tee 
die Blud van Sacharias, die 
Soon van Barachias, die jellie 
ka vermoordt tyssen die Tem- 
pel, en die Altar. 

36. Waerwaer mie seg na 
jender, dat almael dat sal kom 
over deese Geslagt. 

37. Jerusalem ! Jerusalem ! 
ju, die maek die Propheeten 
doot, en steenig sender, die ka 
stier na ju, hu dikwils mie 
ka suek for vergaeder ju Kin- 
ders, glik als een Huner sie 
Kikkentjes onder sie Vlerken? 
en jellie no ha wil. 

38. Kik, sellie sal lastaen 
jender Hus wust voor jender. 

39. Want mie seg na jender: 
jellie no sal kik mie van nu 
af, tee jellie seg: geloovt hem, 
die kom in die Naem van die 
Heer! 



DIE 24. CAPITTEL. 

I). Jesus propheteer van die Ondergang van die Tempel, 1 — 2. 
II). van die Ondergang van Jerusalem, en die voorgaende 

Teeken, 3—28. III). van die Ondergang van die 
Weereld, en Teeken eer die Oordeel Dag, 29—36. IV.) van 
Seekerheid, 37—41. en vermaen tot Waeksamheid, 42 — 51. 



En Jesus ha loop yt van die 
Tempel; en sie Disciplen 
ha kom na hem, dat sellie ha 
wil wies hem die Gebow van 
die Tempel. 

2. Maer Jesus ha seg na 



sender ; jellie no kik die almael? 
waerwaer mie seg na jender: 
die no sal bliev een Steen na 
bobo die ander hiesoo, die no 
sal brek af. 
3. II.) En dietit hem ha sit 



245 



na bobo die Oliefberg, sie Dis- 
ciplen ha kom na hem, en ha 
seg: seg ons, wattit dat sal 
gebeer? en wat sal wees die 
Teeken van ju Tukomst, en 
van die Einde van die Weereld ? 

4. Maer Jesus ha antwoordt, 
en ha seg na sender: pas op, 
dat niet een verlej jender. 

5. Diemaek veele sal kom 
onder mie Naem, en sal seg: 
mie bin Christus, en sellie sal 
verlej veele. 

6. Jellie sal hoor van Oorlog, 
en die Gerygt van Oorlog. Pas 
op, no verskrik; want almael 
dat mut gebeer eerst; maer die 
Einde no bin daesoo nogal. 

7. Want een volk sal staen 
op tegen die ander, en een 
Kooningrik tegen die ander; 
en die sal hab Honger, en 
Pest, en Aerdbeeving hiesoo 
en daesoo. 

8. Dan die Nood sal begin 
eerst. 

9. Dan sellie sal lee ver jender 
over na Druefhis, en sal maek 
jender doot; en almael Volk 
sal haet jender voor die wille 
van mie Naem. 

10. Dan veele Volk sal krieg 
Ergernis, en sal verraet mal- 
kander, en sal haet malkander. 

11. En veele valse Propheeten 
sal hoppo, en sal verlej mussie 
Volk. 

12. En soolang Ongeregtig- 
heid sal neem die overhand, 



die Liefde sal kom koud na 
mussie. 

13. Maer die bliev staen vast 
tee na die Einde, hem sal kom 
saelig. 

14. En deese Evangelium van 
die Rik sellie sal preek die na 
die geheel Weereld voor een 
Getiegnis na almael Volk; en 
dan die Einde sal kom. 

15. Dietit jellie sal kik die 
Grywel van die verwusting , van 
die die Propheet Daniel ha seg, 
dat die staen na die heilig Plaes ; 
die lees die, hem merkdaerop! 

16. Vlygt dan na bobo die 
Bergen , wie bin in Judea Land : 

17. En die bin na bobo die 
Dak, hem no kom na molee 
for neem een gut van sie Hus : 

18. En die bin na die Veld, 
hem no keer weerom for hael 
sie Kleeren. 

19. Maer wee sender, die bin 
mit Kind, en giev Siegen na 
die Tid! 

20. Maer bid, dat jellie no 
mut vlygt na die Winter, of 
na die Sabbath. 

21. Diemaek die sal hab een 
groot Druefnis na die Tid, als 
no ka wees van die Begin van 
die Weereld, en no sal kom 
weeran. 

22. En als die Dagen no ha 
kom verkort, niet een Mens 
sal kom saelig; maer voor die 
wille van die ytverkooren die 
selve Dagen sal kom verkort. 



246 



23. Dan, als een Volk segna 
jender: kik Christus bin hiesoo 
of daesoo, jellie no sal gloov die. 

24. Want valse Christussen 
en valse Propheeten salhoppo, 
en sal due groot Teeken en 
Wonder, soo dat die ytver- 
kooren sal kom verleit na Dwae- 
ling ookal, als die ha wees 
mooglig. 

25. Kik, mie ka seg jender 
die vooryt. 

26. Daerom, als sellie sal 
seg na jender: kik hem bin 
na binne die Wusteïne, no loop 
yt: kik, hem bin na binne die 
Kamer, no gloov die. 

27. Want glik als die Weer- 
ligt kom van die Oost, en skiën 
tee na die West; soo die Tu- 
komste van die Mens sie Soon 
sal wees ookal. 

28. Want waer die Aes bin, 
daer die Arenden kom. 

29. III.) Maer anstonds aster 
die Druefnis van die Tid, die 
Son sal kom dyster, en die 
Maen no sal giev sie Skin, en 
die Sterren sal val van die 
Hemel, en die Kragten van 
die Hemel sal beweg. 

30. En dan die Teeken van 
die Mens sie Soon sal verskien 
na die Hemel; en dan almael 
Geslagten op die Aerde sal 
hyel ; en sellie sal kik die Mens 
sie Soon kom na die Wolken 
van die Hemel mit groot Kragt 
en Heerligheid. 



31. En hem sal stier sie 
Englen yt mit een Basyn, en 
groot Stem; en sellie sal ver- 
gaeder sie ytverkooren van die 
Hemel tee na die ander. 

32. Maer leer een Gliknis na 
die Viegie-Boom: als sie Tak 
kom sappig, en krieg Blaren, 
dan jellie weet dat die Somer 
bin diestebie. 

33. Soo jellie ookal, als jellie 
kik dat almael, dan weet, dat 
hem bin diestebie voor die Door. 

34. Waerwaer mie seg na 
jender: deese Geslagt no sal 
vergaan, tee almael dat sal 
gebeer. 

35. Die Hemel en die Aerde 
sal vergaen; maer mie Woorden 
no sal vergaen. 

36. Maer niet een Volk weet 
van die Dag en die Yer, ook 
niet die Englen na binne die 
Hemel, alleen mie Vaeder. 

37. IV.) Maer glik als die ha 
wees na die Tid van Noah, 
soo die Tukomste van die Mens 
sie Soon sal wees ookal. 

38. Want glik als sellie ha 
wees na die Dagen voor die 
Sond-Vlued, sellie ha jeet, sellie 
ha drink, sellie ha trow, en ha 
lastaen sender trow, tee die Dag 
Noah ha loop na binne die Ark ; 

39. En sellie no ha agt die, 
tee die Sond-Vlued ha ka kom, 
en ha ka neem sender almael 
wej ; soo die Tukomste van die 
Mens sie Soon sal wees ookal. 



247 



40.. Dan twee sal wees na 
die Veld; die een sal wordt 
angenomen, en die ander sal 
wordt verlaeten. 

41. Twee sal mola na die 
Molen; die een sal wordt ange- 
nomen, en die ander sal wordt 
verlaeten. 

42. Daerom jellie waek ; want 
jellie no weet, na welk Yer 
jender Heer sal kom. 

43. Maer jellie sal weet dat, 
als die Hus-Vaeder ha weet, 
na welk Yer die Dief wil kom, 
dan hem sal ha waek, en no 
lastaen brek na binne sie Hus. 

44. Daerom wees bereidt 
ookal; diemaek die Mens sie 
Soon sal kom na een Yer, die 
jellie no denk. 

45. Maer wie bin nu een 
getrow en wies Knegt, die die 



Heer ka set over sie Hus volk, for 
giev jeet na sender na regt Tid? 

46. Die Knegt bin saelig, als 
sie Heer sal kom, en sal vind 
hem due soo. 

47. Waerwaer mie seg na 
jender, dat hem sal set hem 
over al sie gut. 

48. Maer als een boos Knegt 
sal seg na sie Hart: mie Heer 
no kom langtit nogal; 

49. En begin for slaen sie 
Meede-Knegten , maer for jeet 
en drink mit die Dronkarts: 

50. Dan die Heer van die 
selve Knegt sal kom na die 
Dag, hem no verwag, en na 
die Yer, hem no denk: 

51. En sal kap hem na Stik, 
en sal giev na hem Loon mit die 
Hyklars ; daer sal wees Hyelen 
en Kneersing van Tanden. 



DIE 25. CAPITTEL. 

I.) Jesus seg een Gliknis van veif wiese en veif sotte 

Maegden, 1—13. II.) van die Knegten, na die die Heer portie 

sie gut, 14—30. III.) leer husoo die sal loop tu na die 

Oordeel Dag, 31—46. 



Dan die Hemelrik sal wees 
glik tien Maegden, die ha 
neem sender Lampen, en ha 
loop tegen die Brydgom. 

2. Maer die veif van sender 
ha wees wies , en veif ha wees 
sot. 

3. Dietit die Sotten ha ka 
neem sender Lampen, sellie no 



ha neem Olie na sender Vat 
mit sender Lampen. 

4. Maer die Wiesen ha neem 
Olie na sender Vat mit sender 
Lampen. 

5. Nu dietit die Brydgom ha 
bliev beetje lang wej, sellie 
almael ha kom slaeprig, en ha 
raek na Slaep. 



248 



6. Maer na middernagt een 
Gerup ha kom: kik, die Bryd- 
gom kom, loop yt tegen hem! 

7. Soo die Maegden almael 
ha staen op. en ha versier 
sender Lampen. 

8. Maer die Sotten ha seg na 
die Wiesen : giev ons van jender 
Olie ; diemaek ons Lampen doot. 

9. Soo die Wiesen ha ant- 
woordt, en ha seg: Neen! dat 
jellie en ons no sal mankeer; 
maer loop na die Koopmans, 
en koop voor jender selv. 

10. En dietit sellie ha loop 
heen for koop, die Brydgomha 
kom ; en sellie , die ha wees klaer, 
ha loop mit hem na die Brylloft ; 
en sellie ha tue die Door. 

11. Maer asteran die ander 
Maegden ha kom ookal, en ha 
seg: Heere! Heere! open die 
Door voor ons. 

12. Maer hem ha antwoordt» 
en ha seg: waerwaer mie seg 
na jender : mie no weet jender. 

13. Daerom waek; diemaek 
jellie no weet die Dag en die 
Yer, wanneer die Mens sie Soon 
sal kom. 

14. II.) Want glik als een 
Mens, die ha reis na bytten 
Land , ha ruep sie Knegten , en 
ha giev sie gut over na sender ; 

15. En ha giev na die een 
veif Pond, maer na die ander 
twee, maer na die ander een; 
elk een nae sie vermogen: en 
hem ha reis wej anstonds. 



16. Soo hem, diehakakrieg 
veif Pond, ha loop heen, en 
ha negosier mit sender, en ha 
wind veif ander Pond. 

17. Die ha ka krieg twee 
Pond, ha due soo ookal, en 
ha wind twee ander. 

18. Maer hem, die ha ka 
ontfang die een, ha loop heen, 
en ha graev een Gat na die 
Aerde, en ha verberg die Geld 
van sie Heer. 

19. Nae een lang Tid die 
Heer van deese Knegten ha 
kom, en ha how Reekenskap 
mit sender. 

20. So hem ha kom voor, 
die ha ka krieg veif Pond, en 
ha due ander veif Pond na 
die, en ha seg: Heere! ju ka 
giev mie veif Pond ; kik mie ka 
wind veif ander Pond mit sender. 

21. Soo sie Heer ha seg na 
hem: wel ju vroom en getrow 
Knegt! ju ka wees getrow na 
beetje, mie sal set ju over 
mussie; loop na binne na die 
Vreegde van ju Heer. 

22. Soo die ha kom voor 
ookal, die ha ka krieg twee 
Pond, en ha seg: Heere, ju ka 
giev na mie twee Pond ; kik mie 
ka wind twee ander mit sender. 

23. Sie Heer ha seg na hem : 
wel, ju vroom en getrow Knegt! 
ju ka wees getrow na beetje, 
mie sal set ju over mussie; 
loop na binne na die Vreegde 
van ju Heer. 



249 



24. Soo hem ha kom voor 
ookal die ha ka krieg een 
Pond, en ha seg: Heere, mie 
ha weet, dat ju bin een hard 
Man, ju maej, waer ju no ka 
saej, en bring na Hoop, waer 
ju no ka strooj. 

25. En mie ha bang, en ha 
loop heen, en ha verberg ju 
Pond na binne die Aerde; kik, 
daer ju hab, wat bin van ju. 

26. Maer sie Heer ha ant- 
woordt, en ha seg na hem: ja 
qwaeje en looje Knegt! ju ka 
weet, dat mie maej, waer mie 
no ka saej, en bring na Hoop, 
daer mie no ka strooj: 

27. Daerom die ha behoor 
ju, for giev mie Geld na die 
Wisselars; en als mie ha ka 
kom, mie sal ka neem mie 
gut mit Winst. 

28. Daerom, neem van hem 
die Pond, en giev die na hem, 
die hab die tien Pond. 

29. Want die hab, sellie sal 
giev na hem, en hem sal hab 
over mussie; maer wie nohab, 
sellie sal neem die wej van hem 
ookal, wat hem hab. 

30. En gooj die onnyt Knegt 
yt na die yterste Dysternis; 
daer sal wees Hyelen en Kneer- 
sing van Tanden. 

31. III.) Maer als die Mens 
sie Soon sal kom na binne sie 
Heerligheid, en almael die heilig 
Englen mit hem, dan hem sal sit 
na die Stul van sie Heerligheid. 



32. En almael Volk sal ver- 
gaeder voor hem, en hem sal 
skej sender van malkander, 
glik als een Herder skej die 
Skaepen van die Bokken. 

33. En hem sal set die Skae- 
pen na sie regter Hand, en die 
Bokken na sie slinker Hand. 

34. Dan die Kooning sal seg 
na sender na sie regter Hand : 
kom hiesoo jellie gesegende van 
mie Vaeder! erv die Rik, die 
ka berej voor jender van die 
Begin van die Weereld. 

35. Want mie ka wees hon- 
grig, en jellie ka giev mie jeet; 
mie ka wees dorstig, en jellie 
ka giev mie for drink; mie ka 
wees een Gast, en jellie ka 
herbergeer mie. 

36. Mie ka wees naekt, en 
jellie ka kleedt mie; mie ka 
wees siek, en jellie ka besuek 
mie; mie ka wees gevangen, 
en jellie ka kom na mie. 

37. Dan die Regtveerdigen 
sal antwoordt hem en seg: 
Heere! wattit ons ka kik ju 
hongrig, en ka giev ju jeet? of 
dorstig, en ka giev ju for drink ? 

38. Maer wattit ons ka kik 
ju een Gast, en ka herbergeer 
ju? of naeken, en ka kleedt ju? 

39. Of wanneer ons ka kik 
ju siek, of gevangen, en ka 
kom na ju? 

40. En die Kooning sal ant- 
woordt, en sal seg na sender: 
waerwaer mie seg na jender : 




250 



wat jellie ka due na een van 
die minste van deese mie Bru- 
ders, jellie ka due die na mie. 

41. Dan hem sal seg ookal 
na sender na die slinker Hand : 
loop wej, jellie vervlukte! na 
die eeuwig Vier, die ka berej 
voor die Dievel, en sie Englen. 

42. Want mie ka wees hon- 
grig, en jellie no ka giev mie 
jeet; mie ka wees dorstig, en 
jellie no ka giev mie for drink. 

43. Mie ka wees een Gast, 
en jellie no ka herbergeer mie ; 
mie ka wees naekt, en jellie 
no ka kleedt mie ; mie ka wees 



siek en gevangen ; en jellie no 
ka besuek mie. 

44. Dan sellie ookal sal ant- 
woordt hem, en sal seg : Heere, 
wattit ons ka kik ju hongrig, 
of dorstig, of een Gast, of 
naekt, of siek, of gevangen, 
en no ka dien ju? 

45. Dan hem sal antwoordt 
sender, en sal seg: wat jellie 
no ka due na een van deese 
minste, jellie no ka due na 
mie ookal. 

46. En deese sal loop na 
die eewig Pien , maer die Regt- 
veerdigen na die eeuwig Leven. 



DIE 26. CAPITTEL. 

I.) Jesus proet van sie Lejden, 1—2. die Jooden how 

Raed, for maek hem doot, 3—5. II.) Hem verantwoordt die 

Vrorv, die salv hem, 6—13. Judas wil verraedt hem, 14—16. 

III.) Jesus jeet Poes-Lam, en proet va/n sie Verrasder, 17 — 25. 

IV.) Hem instel die Nogtmael, 26—29. V.) loop 

na die Oliefberg, spreek van Ergernis, en die Val van 

Petrus, 30—35. VI.) begin sie Lejden na die Hoffie, 36—44. 

VIL) Judas verraedt hem, en die Jooden vang hém, 45 — 50. 

VIII.) Jesus bestraev Petrus, en sender, die ka vang 

hem; die Disciplen vlygt, 51—56. IX.) sellie bring 

Jesus na die Hus van Caiphas, hem no antwoordt niet een 

Woord, beken sie sdv for wees die Soon van Godt, sellie 

veroordeel hem, bespot en slaeg hem, 57 — 68. 

X.) Petrus verlooken hem, 69—75. 



En die ka gebeer, dietit 
Jesus ha ka spreek almael 
deese Woorden, hem ha seg 
na sie Disciplen: 



2. Jellie weet, dat Paes kom 
aster twee Dagen, en die Mens 
sie Soon sal leever over, for 
wordt gekrusigt. 



251 



3. Soo die Hoog-Priesters 
en Skriftgeleerden, en die Oud- 
ste van die Volk ha kom malkan- 
der na die Hus van die Hoog- 
Priester, die ha hiet Gaiphas. 

4. En sellie ha how Raed, 
dat sellie ha kan vang Jesus 
mit List, en maek hem doot. 

5. Maer sellie ha seg: niet 
na die groot Sondag, dat een 
Opruer no sal kom tyssen 
die Volk. 

6. II.) Dietit nu Jesus ha 
wees na Bethania na die Hus 
van Simon, die Lazares-Siek ; 

7. Een Vrow ha kom na 
hem, die ha hab een Glas mit 
kostbar Salf-Olie, en die Vrow 
ha gooj die na sie Kop, soo 
als hem ha sit na die Tafel. 

8. Maer dietit sie Disciplen 
ha kik dat, sellie no ha wees 
tee vreeden, en ha seg: wat 
baet deese Verlies? 

9. Want deese Salf, sellie 
ha kan verkoop die voor mussie 
Geld, en giev na die Povers. 

10. Maer dietit Jesus ha ka 
bemerk dat, hem ha seg na 
sender: watmaek jellie muej 
deese Vrow ? want hem ka due 
een gued Werk na mie. 

11. Jellie hab altit Povers 
mit jender; maer jellie no hab 
mie altit. 

12. Want, dat die Vrow ka 
gooj deese Salf na mie Likam, 
dat hem ka due, voor dat sellie 
sal begraev mie. 



13. Waerwaer mie seg na 
jender: overal, waer sellie sal 
preek deese Evangelium in die 
geheel Weereld, daer sellie sal 
seg ookal tot sie Gedagtnis, 
wat hem ka due. 

14. Soo een van die Twaelf , 
sie Naem Judas Ischariot, ha 
loop heen na die Hoog-Priesters. 

15. En ha seg : wat jellie wil 
giev mie, en mie sal verraedt 
hem na jender? en sellie ha 
giev hem dertig Silverlingen. 

16. En van die Tid Judas 
ha suek Gelegenheid for ver- 
raedt hem. 

17. UI.) Maer na die eerste 
Dag van die sut Brood die 
Disciplen ha kom na Jesus, en 
ha seg na hem: waer ju wil, 
dat ons sal maek klaer voor 
ju for jeet die Paeslam? 

18. Maer hem ha seg: loop 
na binne na die Stad na een, 
en seg na hem: die Meester 
lastaen seg na ju: mie Tid ka 
kom; mie wil how die Paes 
mit mie Disciplen bie ju. 

19. En die Disciplen ha due, 
soo, als Jesus ha ka belast 
sender; en ha maek die Paes- 
lam klaer. 

20. En na Avond hem ha 
sit sie selv na Tafel mit die 
Twaelf. 

21. En dietit sellie ha jeet, 
hem ha seg : waerwaer mie seg 
na jender: een van jender sal 
verraedt mie. 



252 



22. En sellie ha kom gu 
bedrueft, en ha begin, elk een 
van sender, for seg na hem: 
Heere, da mie die bin? 

23. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg: die dip mit sie 
Hand mit mie na binne die 
Skettel, hem sal verraedt mie. 

24. Die Mens sie Soon loop 
wel heen, glik als diekaskriev 
van hem; maer wee die Mens, 
die verraedt die Mens sie Soon ! 
die ha wees beeter voor die 
selve Mens, als hem noit ha 
ka wees gebooren. 

25. Soo Judas, die ha ver- 
raedt hem ha antwoordt, en 
ha seg : da mie die bin , Rabbi ! 
en Jesus ha seg na hem: ju 
seg die. 

26. IV.) Maer dietit sellie 
ha jeet, Jesus ha neem die 
Brood, ha dank die, en ha 
brek die, en ha giev die na 
sie Disciplen, en ha seg: neem 
jeet; die bin mie Likam. 

27. En hem ha neem die 
Beeker, en ha dank, en ha 
giev die na sender, en ha seg: 
drink almael van die: 

28. Want deese bin mie 
Blud, van die nyw Testament, 
die wordt gestort voor veele tot 
Vergeving van die Sonden. 

29. Maer mie seg na jerxder, 
dat mie van nu af no sal drink 
meer, van wat gruej na die 
Wien-Rank, tee na die Dag, 
mie sal drink die nyw mit 



jender na binne die Rik van 
mie Vaeder. 

30. V.) En dietit sellie ha 
ka sing die Lof-Sang, sellie ha 
loop yt na die Oliefberg. 

31. Soo Jesus ha seg na 
sender: Na deese Nagt jellie 
almael sal erger jender na mie ; 
want die ka skriev: mie sal 
slaeg die Herder, en die Skaepen 
van die kydde sal strooj. 

32. Maer waneer mie ka 
hoppo, mie wil loop voor jender 
na Galilea. 

33. Maer Petrus ha antwoordt 
en ha seg na hem: maskee 
sellie almael ookal ha sal erger 
sender na ju, dog mie no sal 
erger mie levendag. 

34. Jesus ha seg na hem: 
waerwaer mie seg na ju, dat 
eer die Haen kraej na deese 
Donker, ju sal verlooken mie 
driemael. 

35. Petrus ha seg na hem: 
maskee mie ook ha mut sterv 
mit ju, dog mie no wil ver- 
looken ju. Almael die ander 
Disciplen ha seg soo ookal. 

36. VI.) Soo Jesus ha kom 
mit sender na een Hoffie, die 
hiet Gethsemane, en ha seg 
na die Disciplen: sit hiesoo, 
tee mie loop daesoo, en bid. 

37. En hem ha neem Petrus 
en die twee Soons van Zebbe- 
deus na sie, en ha begin for 
kom bedrueft, en ha beev. 

38. Soo hem ha seg na sen- 



253 



der: mie Siel bin gu bedrueft 
tee die Dood; bliev hiesoo, en 
waek mit mie. 

39. En hem ha loop beetje 
verder, ha val neer na sie 
Angesigt, en ha bid, enhaseg: 
mie Vaeder! als die bin mooglig, 
lastaen deese Skael loop wej 
van mie! dog niet als mie wil, 
maer als ju wil. 

40. En hem ha kom na sie 
Disciplen, en ha vind sender 
na Slaep, en ha seg na Petrus: 
jellie no kan for waek een Yer 
mit mie dan? 

41. Waek, en bid, dat jellie 
no val na binne Versuking; 
die Geest bin wel gewillig, maer 
die Vleis bin swak. 

42. Andermael hem ha loop 
heen weeran, ha bid, en ha 
seg: mie Vaeder! die no bin 
mooglig, dat deese Skael kan 
loop wej van mie, sonder mie 
mut drink die, soo ju Wil 
geskiedt! 

43. En hem ha kom, en ha 
vindt sender na Slaep weeran ; 
want sender Oogen ha wees 
vol van Slaep. 

44. En hem ha lastaen sender, 
en ha loop weeran, en ha bid 
die derdemael, en ha seg die 
selve Woorden. 

45. VII.) Soo hem ha kom 
na sie Disciplen, en ha seg na 
sender: Ak! jellie wil slaep, 
en ryst nu? kik, die Yer ka 
kom, dat die Mens sie Soon 



sal wordt geleevert na die Han- 
den van Sondars. 

46. Hoppo, lastaen ons loop; 
kik, hem bin diestebie, die ver- 
raedt mie. 

47. En ditit hem ha praet 
nogal, kik, Judas, een van die 
Twaelf, ha kom, en een groot 
Skaer mit hem mit S weerden, 
en Stokken van die Hoog-Pries- 
ters, en een van die Oudste 
van die Volk. 

48. En die Verraeder ha ka 
giev na sender een Teeken, en 
ha ka seg: die, mie sal kis, 
da hem die bin; vang hem. 

49. En anstonds hem ha loop 
na Jesus, en ha seg: miegruet 
ju, Rabbi! en ha kis hem. 

50. Maer Jesus ha seg na 
hem: mie Vriend! watmaek ju 
ka kom? soo sellie ha kom, 
en ha due sender Handen na 
Jesus, en ha vang hem. 

51. VIII.) En kik een van 
sender, die ha wees mit Jesus, 
ha rek yt sie Hand, en ha trek 
yt sie Sweerd; en ha slag die 
Knegt van die Hoog-Priester, 
en ha kap af sie een Oor. 

52. Soo Jesus ha seg na hem : 
steek ju Sweerd na sie Pleek ; 
want die neem die Sweerd, zal 
vergaen door die Sweerd. 

53. Of ju denk, dat mie no 
ha kan bid mie Vaeder, dat 
hem stier mie meer als twaelf 
Legionen Englen? 

54. Husoo die Skrift sal kom 



254 



vervylt dan? die mut weessoo. 

55. Na die selve Tid Jesus 
ha seg na die Volk: jellie ka 
loop yt, als na een Moordenar 
mit Sweerden en Stokken for 
vang mie; dog mie ha sit daglik 
mit jender, en ka leer na binne 
die Tempel, en jellie no ka 
vang mie. 

56. Maer dat almael ka ge- 
beer, dat die Skriften van die 
Propheeten sal kom vervylt. 
Soo almael die Disciplen ha 
lastaen hem, en ha vlygt. 

57. IX.) Maer sellie, die ha 
ka vang Jesus, ha bring hem 
na die Hoog-Priester, Caiphas, 
daer die Skriftgeleerden en Oud- 
ste ha wees malkander. 

58. Maer Petrus ha volg 
asteran van verre, tee na die 
Hus van die Hoog-Priester; en 
hem ha loop na binne, en ha 
sit bie die Knegten , dat hem ha 
kan kik, husoo die sal loop af. 

59. Maer die Hoog-Priesters 
en die Oudste, en die geheel 
Raed ha suek vals Getiegnis 
tegen Jesus, dat sellie ha kan 
maek hem doot; en sellie no 
ha vind niet een gut. 

60. En maskee veele valse 
Getiegens ha kom voor, dog 
sellie no ha vind niet een gut. 
Maer na die leste twee valse 
Getiegens ha kom voor, en ha 
seg: 

61. Deese ka seg: mie kan 
brek af die Tempel van Godt, 



en bow die weeran na drie 
Dagen. 

62. En die Hoog-Priester ha 
staen op, en ha seg na hem: 
ju no antwoordt, na wat sellie 
getieg tegen ju? 

63. Maer Jesus ha s wieg stil. 
En die Hoog-Priester ha ant- 
woordt, en ha seg na hem: 
mie besweer ju bie die levendig 
Godt, dat ju seg ons, als ju 
bin Christus, die Soon van Godt. 

64. Jesus ha seg na hem: 
ju seg die; dog mie seg na 
jender : van nu af jellie sal kik 
die Mens sie Soon sit na die 
regter Hand van die Kragt, 
en kom na die Wolken van 
die Hemel. 

65. Soo die Hoog-Priester ha 
skeer sie Eleer, en ha seg : hem 
ka laster Godt; wat ons mankeer 
meer Getiegnis? kik nu jellie 
ka hoor sie Godtslastering. 

66. Wat jellie denk? sellie 
ha antwoordt, en ha seg: hem 
bin die Dood skyldig. 

67. Soo sellie fia spieg na 
sie Angesigt, en ha slaeg hem 
mit sender Vist ; maer som van 
sender ha slaeg hem na sie 
Angesigt. 

68. En sellie ha seg: Christus, 
propheteer ons, wie ha slaeg ju? 

69. X.) Maer Petrus ha sit 
na bytten na die Sael; en een 
Dienstmejsje ha kom na hem, 
en ha seg: Ju ook ka wees 
mit Jesus van Galilea. 



255 



70. Maer hem ha weiger die 
voor sender almael, en haseg: 
mie no weet, wat ju seg. 

71. Maer dietit hem ha loop 
yt na die Door, een ander ha 
kik hem; en hem ha seg na 
sender, die ha wees daesoo: 
deese ookal ha wees mit Jesus 
van Nazareth. 

72. En hem ha weiger die 
nog eenmael, en ha sweer na 
die, en ha seg: mie no weet 
die Mens. 

73. En beetje asteran sellie, 



die ha staen daeso, ha kom, 
en ha seg na Petrus: waer- 
waer ju ook bin een van sen- 
der; ju Spraek selv verraedtju. 

74. Soo hem ha begin for 
vervluek sie selv, en sweer; 
mie no weet die Mens. En 
anstonds die Haen ha kraej. 

75. Soo Petrus ha denk op 
na Jesus sie Woord, die hem 
ha ka seg na hem: eer die 
Haen sal kraej , ju sal verlooken 
mie driemael. En Petrus ha loop 
yt, en ha kries bitterlik. 



DIE 27- CAPITTEL. 

I.) Sellie leever Jesus na Pilatus, 1. 2. II.) Judas ver- 
twieffel, 3—5. Sellie koop een Akker voor die Blud-Geld, 6—10. 
III.) Jesus beken, dat hem bin een Kooning, no giev geen 

Antwoordt, 11—14. IV.) Pilatus wil los hem, los dog 
Barrabas, en leever Jesus over for geesel en krusig, 15 — 26. 

V.) Sellie bespot hem, set een Kroon van Doornen 

na sie Kop, en lej hem yt, 27—31. VI.) Simon draeg sie 

Krus, sellie skink hem mit Gal, partie sie E2eer, krusig 

twee Moordenars mit hem, 32—38. VII.) Sellie 

bespot hem, 39—44. VIII.) veéle Teekens geskiedt, dietit 

Jesus doot, 45—54. IX.) die Vrowen kik tu, Joseph begraev 

sie IAkam, 55 — 61. X.) sellie verseegel die Grav, en 

bewaer die mit Wagt, 62—66. 



Maer na vruvrue die Hoog- 
Priesters en die Oudste 
van die Volk ha how Raed 
tegen Jesus, dat sellie ha kan 
maek hem doot. 

2. En sellie ha bind hem, 
en ha lej hem heen, en ha 



leever hem over na die Land- 
voogd Pontius Pilatus. 

3. II.) Dietit Judas, die ha 
ka verraedt hem, ha kik, dat 
sellie ha ka veroordeel hem na 
die Dood, die ha spit hem, en 
hem ha bring die dertig Silver- 



256 



lingen weeran na die Hoog- 
Priesters en die Oudste, en 
ha seg: 

4. Mie ka due qwaet, dat 
mie ka verraedt onskyldig Blud. 
Maer sellie ha seg: wat die 
raek ons? da ju eigen Saek 
die bin. 

5. En hem ha gooj die Sil- 
verlingen na binne die Tempel, 
ha skej van daesoo, en ha loop 
heen, en ha hang sie selv. 

6. Maer die Hoog-Priesters 
ha neem die Silverlingen, en 
ha seg: die no bin regt, dat 
ons leg sender na binne die 
Godt kist, voordiemaek die bin 
Blud-Geld. 

7. Maer sellie ha how Raed, 
en ha koop een Akker van een 
Pottebakker voor die, for wees 
een Graf-Plaes voor die Vreem- 
delingen. 

8. Daerom die selve Akker 
ha krieg die Naem : Blud- Akker 
tee van Dag. 

9. Dan die ka vervyl, wat 
ka seg door die Propheet Jere- 
niias, die seg: Sellie ka neem 
derlig Silverlingen, mit die die 
verkogte ha wordt betaelt, die 
sellie ha koop van die Kinders 
van Israël. 

10. En sellie ka giev sender 
voor een Akker van een Potte- 
bakker, als die Heer ka belast 
na mie. 

11. III.) Maer Jesus hastaen 
voor die Landvoogd; en die 



Landvoogd ha vraeg hem, en 
ha seg; ju bin die Kooning 
van die Jooden? maer Jesus 
ha seg na hem: ju seg die. 

12. En dietit die Hoog Pries- 
ters en die Oudste ha beskyldig 
hem, hem no ha antwoordt 
niet een gut. 

13. Soo Pilatus ha seg na 
hem: ju no hoor, hu hart sellie 
beskyldig ju? 

14. En hem no ha antwoordt 
een Woord selv; soo dat die 
Landvoogd ha wonder gu. 

15. IV). Maer die Landvoogd 
ha wees gewent, for giev na 
groot Sondag een Gevangen 
los na die Volk, die sellie selv 
ha wil. 

16. Nu na die Tid die ha 
hab een Gevangen, een beson- 
ders voor ander, sie Naem ha 
wees Barrabas. 

17. Daerom, dietit sellie ha 
ka kom malkander, Pilatus ha 
seg na sender: welk jellie wil, 
dat mie sal giev los najender? 
Barrabas? of Jesus, van die 
die Woord bin, dat hem bin 
Christus ? 

18. Want hem ha weet heel 
wel, dat sellie ha ka leever 
hem over voor Spit. 

19. En dietit hem ha sit na 
die Regter-Stul, sie vrow ha 
stier Woord na hem, en ha 
lastaen seg na hem: no hab 
for due mit deese Regtveerdig; 
mie ka lie gu van dag na 



257 



binne een Droom voor sieSkyld. 

20. Maer die Hoog-Priesters, 
en die Oudste ha steek die Volk 
op, dat sellie ha sal bid voor 
Barrabas, en for maek Jesus 
doot. 

21. Soo die Landvoogd ha 
antwoordt, en ha seg na sender : 
wie van sender twee jellie wil, 
dat mie sal giev los najender? 
Sellie ha seg: Barrabas. 

22. Pilatus ha seg na sender: 
wat mie sal due dan mit Jesus, 
van die sellie seg, dat hem 
bin Christus? sellie almael ha 
seg na hem : lastaen krusig hem ! 

23. Die Landvoogd ha seg: 
wat qwaet hem ka due dan? 
maer sellie ha ruep meer nogal, 
en ha seg : lastaen krusig hem ! 

24. Maer dietit Pilatus ha 
kik, dat hem no ha kan rigt 
niet een gut yt, maer dat die 
ha kom een meer groot Oploop, 
hem ha neem Water, en ha 
was sie Handen voor die Volk, 
en ha seg: mie bin onskyldig 
na die Blud van deese Regt- 
veerdig, jellie kik na die. 

25. Soo al die Volk ha ant- 
woordt, en ha seg: sie Blud 
kom over ons, en over ons 
Kinders ! 

26. Soo hem ha giev Barrabas 
los na sender: maer hem ha 
lastaen geesel Jesus, en ha 
leever hem over, dat sellie sal 
krusig hem. 

27. V.) Soo die Soldaten van 



die Landvoogd ha neem Jesus 
na sender na binne die Regthus, 
en ha vergaeder die heel Skaer 
over hem. 

28. En sellie ha trek hem 
af sie Kleer, en ha due hem 
an een Purpur Mantel. 

29. En sellie ha maek een 
Kroon van Doornen, en ha set 
die na sie Kop, en een Ried 
na sie Regter-Hand; en sellie 
ha bieg Knie voor hem, ha 
spot hem, en ha seg: ons 
gruet ju, die Kooning van die 
Jooden ! 

30. En sellie ha spieg na 
hem, en ha neem die Ried, en 
ha slaeg na sie Kop mit die. 

31. En dietit sellie ha ka 
spot hem, sellie ha trek hem 
af die Mantel, en ha due an 
sie Kleer na hem weeran, en 
ha lej hem heen for krusig hem. 

32. VI.) En dietit sellie ha 
loop yt, sellie ha vind een 
Mens van Cyrene, sie Naem 
ha wees Simon, hem sellie ha 
forceer, for draeg sie Krus. 

33. En dietit sellie ha kom 
na die Plaes, Golgatha, die 
bin Dood-Been Plek; 

34. Sellie ha giev na hem 
Asien for drink, die ka mengel 
mit Gal ; en dietit hem ha pruev 
die, hem no ha wil drink. 

35. Maer sellie, die ha ka 
krusig hem , ha partie sie Kleer, 
en ha gooj Lot over die; dat 
die Woord van die Propheet 

17 



258 



sal kom vervylt : sellie ha portie 
mie Kleer onder sender, en ha 
gooj Lot over mie Kleed. 

36. En sellie ha sit daesoo, 
en ha bewaer hem. 

37. En sellie ha set over sie 
Kop die Reeden van sie Dood, 
geskreven: deese bin Jesus die 
Kooning van die Jooden. 

38. En sellie ha krusig mit 
hem twee Moordenars, een na 
sie regter, en een nasieslinker 
Hand. 

39. VII.) Maer sellie, die ha 
passeer, ha laster hem, en ha 
skyd sender Kop, en ha seg: 

40. Ju die kan brek af die 
Tempel, en bow die weeranna 
drie Dagen, help ju self; als 
ju bin Godt sieSoon, soo kom 
af van die Krus. 

41. Die Hoog-Priesters , en die 
Skriftgeleerden, en die Oudste 
ha spot hem soo ookal, en 
ha seg: 

42. Hem ha help ander, en 
hem no kan help sie selv; als 
hem bin die Kooning van Israël . 
dan hem klem af van die Krus , 
soo ons sal gloov hem. 

43. Hem ka betrou na Godt, 
hem verlos hem nu, als hem 
wil hem; want hem ka seg: 
mie bin Godt sie Soon. 

44. Die Moordenars, die ha 
ka krusig mit hem, ha verwiet 
hem die ookal. 

45. VIII.) Maer van die sesde 
Yer af een groot Dysterniis ha 



kom over die heel Land tee na 
die negende Yer. 

46. En na die negende Yer 
Jesus ha ruep mit een groot 
Stem: Eli! Eli! Lama Sabach- 
tani? die bin: mie Godt! mie 
Godt ! waerom ju ka verlaet mie? 

47. Maer som, die ha staen 
daesoo, dietit sellie ha ka hoor 
dat, sellie ha seg: hem ruep 
Elias. 

48. En anstonds een van 
sender ha loop, ha neem een 
Sponsje , en ha vyl die mit Asien , 
en ha steek die na een Ried, 
en ha giev na hem for Drink. 

49. Maer die ander, sellie ha 
seg: how op! lastaen ons kik, 
als Elias sal kom en help hem. 

50. Maer Jesus ha ruep een- 
mael weeran heel hart, en ha 
giev sie Geest op. 

51. En kik die Voorhangsel 
van die Tempel ha skeer na 
twee, van bobo tee na molee, 
en die Aerde ha beev, en die 
Klippen ha split; 

52. En die Graven ha kom 
open, en veele Likamen van 
die Heiligen, die ha ka slaep, 
ha hoppo: 

53. En sellie ha loop yt 
van die Graven aster sie Op- 
standinge, en ha kom na binne 
die heilig Stad , en ha verskien 
voor veele. 

54. Maer die Hoofdman, en 
sellie, die ha wees mit hem, 
en ha bewaer Jesus, dietit 



259 



sellie ha ka kik die Aerbee- 
ving, en al wat ha geskiedt, 
sellie ha verskrik gu, en ha 
seg: waerwaer, deese ha wees 
Godt sie Soon. 

55. IX.) En veele Vrowen 
ha wees daesoo, die ha kik 
tu van verre, sellie, die ha ka 
volg Jesus van Galilea, en ha 
ka dien hem: 

56. Tyssen sender ha wees 
Maria Magdalena, en Maria, 
die Muder van Jacobus en 
Joses, en die Muder vanZebe- 
deus sie Kinders. 

57. Maer na Avond een 
riek Man van Arimathea, mit 
Naem Joseph, ha kom, hem 
ha wees een Discipel van Jesus 
ookal. 

58. Hem ha loop na Pilatus 
en ha bid hem voor die Likam 
van Jesus; Soo Pilatus ha be- 
last for giev die na hem. 

59. En Jesus *) ha neem die 
Likam, en ha rol die na een 
skoon Linne-Duk: 

60. En ha leg die na binne 
sie eigen nyw Graf, die hem 
ha ka lastaen kap yt na een 
Klip ; en hem ha rol een groot 
Steen voor die Door van die 



Graf, en ha loop wej van daesoo. 

61. En Maria Magdalena en 
die ander Maria ha wees dae- 
soo, die ha set sender tegen 
over die Graf. 

62. X.) Maer die ander Dag , 
die volg aster die Ryst-Dag, 
die Hoog-Priesters en Phari- 
seewen ha kom malkander na 
Pilatus. 

63. En ha seg: Heer, ons 
denk op, dat deese Bedrieger 
ka seg, dietit hem ha leev 
nogal; aster drie Dagen mie 
sal staen op weeran. 

64. Daerom giev Order, dat 
sellie bewaer die Graf tee na 
die derde Dag; dat sie Discip- 
len no sal kom bie Nagt, en 
steel hem, en seg na die Volk: 
Hem ka staen op weeran van 
die Dooje ; en die leste Bedrieg 
sal wees meer erg dan die 
eerste. 

65. Pilatus ha seg na sen- 
der: daer jellie hab die Wagt, 
loop an bewaer die, als jellie 
weet. 

66. Maer sellie ha loop heen, 
en ha bewaer die Graf mit 
die Wagters, en ha versegel 
die Steen. 



l ) Drukfout voor Joseph. 



260 



DIE 28. CAPITTEL. 

I.) Die Vrotven wil salv Jesus, hoor van die Engten, dat 

hem ka staen op, sellie kik Jesus, 1—10. II.) Die 

Wagters verhael, wat ka gébeer, sellie onderkoop sender for 

swieg, 11—15. III.) Jesus verskien voor die Disciplen na 

Oalilea, belast sender for doop en leer, 16 — 20. 



Maer na die Avond van die 
Sabbath, heel vrue na die 
eerste Dag van die ander Week 
Maria Magdalena, en die ander 
Maria ha kom, for bekik die 
Graf. 

2. En kik, een groot Aer- 
beeving ha kom; diemaek die 
Engel van die Heer ha kom 
van die Hemel, en ha loop 
heen, en ha rol die Steen van 
die Door, en ha sit na bobo die. 

3. En sie Gestalt ha wees 
glik als die Weerligt, en sie 
Kleed ha wees wit, als Sneew. 

4. Maer die Wagters ha ver- 
skrik gu voor hem, en sellie 
ha kom glik als dooje. 

5. Maer die Engel ha ant 
woordt, en ha seg na die 
Vrowen: jellie no bang! mie 
weet, dat jellie suek Jesus, die 
ka krusig. 

6. Hem no bin hiesoo; hem 
ka staen op weeran, soo als 
hem ka seg: kom hiesoo, en 
kik die Plaes, daer die Heer 
ka leg. 

7. En loop gaw heen, en seg 
na sie Disciplen, dat hem ka 



staen op van die Dood; en kik, 
hem sal loop voor jender na 
Galilea, daer jellie sal kik hem. 
Kik mie ka seg die na jender. 

8. En sellie loop gaw yt van 
die Graf mit Vrees, en mit 
groot Blieskap, for verkondig 
die na die Disciplen. 

9. En dietit sellie ha loop 
heen, for seg die na sie Di- 
sciplen, kik, Jesus ha ontmuet 
sender, en ha seg: mie gruet 
jender! en sellie ha kom na 
hem, en ha vas sie Vutten, 
en ha val na grond voor hem. 

10. Soo Jesus ha seg na 
sender: no bang! loop heen, 
en seg die na mie Bruders, 
dat sellie loop na Galilea, daer 
sellie sal kik mie. 

11. II.) Maer dietit sellie ha 
loop heen, kik, Partie van die 
Wagters ha kom na binne die 
Stad, en ha seg na die Hoog- 
Priesters, al wat ka gebeer. 

12. En sellie ha kom mal- 
kander mit die Oudste, en ha 
how Raed, en ha giev Geld 
gnug na die Soldaeten. 

13. En ha seg: jellie seg: 



261 



sie die Disciplen ha kom na 
Donker, en ha steel hem wej, 
dietit ons ha slaep. 

14. En als die Landvoogd 
sal hoor die, ons sal stil hem 
tevreeden, en maek, dat jellie 
sal wees seeker. 

15. En sellie ha neem die 
Geld, en ha due soo, als sellie 
ha leer sender. En die Woord 
van die ha kom gemeen tyssen 
die Jooden tee van Dag. 

16. III.) Maer die elf Disciplen 
ha loop na Galilea na bobo 
een Berg, soo als Jesus ha ka 
belast sender. 

17. En dietit sellie ha kik 



hem, sellie ha val neer voor 
hem ; maer som van sender ha 
twieffel. 

18. En Jesus ha kom na 
sender, ha praet mit sender, 
en ha seg: al Magt na die 
Hemel en die Aerde ka giev 
na mie. 

19. Daerom loop heen, en 
leer almael Volk, en doop 
sender in die Naem van die 
Vaeder, van die Soon, en van 
die heilig Geest. 

20. En leer sender, for how, 
al wat mie ka belast jender; 
en kik mie bin altit mit jender 
tee die Einde van die Wereld. 



Die Einde van die Evangelium van Mattheus. 



DIE EVANGELIUM 



VAN 



LUCAS. 



DIE 15. CAPITTEL. 

III.) Oliknis van een verlooren Soon, 11 — 32. 



En hem ha seg: een Mens 
ha hab twee Soons; 
12. En die jongste van sender 
ha seg na die Vaeder: Vaeder, 
giev mie mie Part van die gut, 



die mie mut hab; en hem ha 
partie die gut na sender. 

13. En niet langtit daeraster, 
die jongste Soon ha neem al 
sie gut, en ha reis verwej na 



262 



een vreemd Land, en ha 
spandeer al sie gut daesoo door 
een liderlig Leven. 

14. Dietit nu hem ha ka 
verteer almael sie gut, een 
groot Honger Tid ha kom na 
die heel Land ; en hem ha begin 
for lie Gebrek. 

15. En hem ha loop heen, 
en ha how sie na een Borgerman 
daer na Land; hem ha stier' 
hem na sie Akker, for pas op 
sie Verkens. 

16. En hem ha begeer for 
vol sie Bik mit die dik Draf, 
die die Varkens ha jeet; en 
niet een Volk ha giev hem 
van die. 

17. Soo hem ha kom na sie 
selv, en ha seg: huveel Hier- 
lingen mie Vaeder hab,diehab 
Overvlud van Brood? en mie 
doot van Honger. 

18. Mie sal hoppo, en loop 
na mie Vaeder, en sal seg na 
hem: Vaeder! mie ka sondig 
tegen die Hemel, en voor ju. 

19. En mie no bin waerdig, 
dat ju asteran sal nuem mie ju 
Soon; maek mie als een van 
ju Hierlingen. 

20. En hem ha hoppo, en 
ha kom na sie Vaeder. Maer 
dietit hem ha wees verwej van 
daesoo nogal , sie Vaeder ha kik 
hem, en ha jammer hem gu, 
en ha kurrie, en ha vas hem 
ront sie Hals, en ha kis hem; 

21. Maer die Soon ha seg 



hem: Vaeder! mie ka sondig 
tegen die Hemel, en voor ju, 
en mie no meer bin waerdig 
asteran for wordt genaemt ju 
Soon. 

22. Maer die Vaeder ha seg 
na die Knegten : bring die beste 
Kleed hiesoo, en due hem die 
an, en set een Ring na sie 
Hand, en due Skuen na sie 
Vutten ; 

23. En bring die vet Kalfie, 
en slagt die, en lastaen ons 
jeet, en wees blie: 

24. Diemaek deese mie Soon 
ha wees doot, en ka kom 
levendig weeran, hem ha ka 
verloor, en mie ka vind hem. 
En sellie ha begin for wees 
vroolig. 

25. Maer die oudste Soon 
ha wees op die Veld: en dietit 
hem ha kom , en ha kom dieste- 
bie, hem ha hoor die Sang en 
Dans. 

26. En hem ha ruep een van 
die Knegten, en ha vraeghem, 
wat die ha wees? 

27. Maer hem ha seg na 
hem: ju Bruder ka kom, en 
ju Vaeder ka slagt die vet 
Kalfie, voordiemaek hem ka 
krieg hem gesond weeran. 

28. Soo hem ha kom qwaed , 
en no ha wil loop na binne; 
soo sie Vaeder ha loop yt, en 
ha bid hem. 

29. Maer hem ha antwoordt, 
en ha seg na die Vaeder: kik, 



263 



soo veel Jaeren mie dien ju, 
en no ka wees ongehoorsam 
levendag, en ju no ka giev mie 
een Bok selv, for wees vroolig 
mit mie Vrienden. 

30. Maer nu deese ju Soon 
ka kom , die ka spandeer almael 
gut mit die Hueren, jukaslagt 
een vet Kalfie voor hem. 



31. Maer hem ha seg na 
hem: Mie Soon! ju ka wees 
altit bie mie, en al wat mie 
hab, bin van ju. 

32. Maer ju sal wees vroolig 
en gu blie, diemaek deese ju 
Bruder ha wees doot, en ka 
kom levendig weeran, en ha ka 
verloor, maer ka vind nu weeran. 



E. Teksten ontleend aan de vertaling van 

het Nieuwe Testament door de 

Herrnhutters (N. T. H.). 



DIE EVANGEUUM VAN MATTHEÜS. 

DIE 13 CAPITEL. 



Vs. 1—58. 



Na dieselvde Dag Jesus a 
loop ut van die Hoes, en 
a set neer na Sie van die See. 

2. En moeschi Volk a kom 
malkander na Em, soo datEm 
a stap nabinne een Skip, en 
a set ; en allemaal Volk a staan 
na die Wal. 

3. En Em a spreek na sender 
veel en meenig Dingen door 
Gliknissen, en a see: Kik, een 
Saayer a loop ut vor saay. 

4. En toen Em a saay, da 
som (van die Saad) a vall na 



die Pad, en die Vogels akom, 
en a jeet die op. 

5. Som a vall na die Steen- 
Grond, maar die no a hab veel 
Aarde; en a kom gauw op, 
voordaarom, dat die no a hab 
Diepte van Aarde. 

6. Maar toen die Son a kom 
op, soo die a bran, en derwil 
die no a hab Wolter, soo die 
a droog wee. 

7. Som a vall tuschen die 
Doornen; en die Doornen a 
groey op, en a verstik die. 



264 



8. Som a vall na een goeje 
Grond, en a breng Vrucht, som 
hondertvoudig, som sestigvou- 
dig, en som dertigvoudig. 

9. Wie hab Ooren voor hoor, 
die hoor. 

10. En die Jungers a kom 
na Em, en a see: Voorwaarom 
Joe spreek door Gliknissen na 
sender? 

11. Em a antwoord, en a 
see : Na jender die ben gegeven 
vor weet die Verborgenheid van 
die Koningrik van die Hemel; 
maar na deese die no ben 
gegeven. 

12. Want wie hab, na em 
word gegeven, dat em hab in 
Overvloet; maar wie no hab, 
van em word genomen ookal, 
wat em hab. 

13. Voordaarom mi spreek 
na sender door Gliknissen ; want 
met Oogen, die kik, sender no 
kik, en met Ooren, die hoor, 
sender no hoor: want sender 
no verstaan die. 

14. En na sender wordt ver- 
voellt die Propheceying van 
Jesaias, die see: Met die Ooren 
jender sal hoor, en no ver- 
staen die, en met Oogen, die 
kik, jender sal kik, en no 
vass die. 

15. Want die Hert van deese 
Volk ben verstokt, en met die 
Ooren sender hoor swaarlik, 
en sender slot sender Oogen 
toe, dat sender no kik met 



die Oogen, en no hoor met 
die Ooren, en no verstaan 
met die Hert, soo dat sender 
no bekeer, dat mi kan help 
sender. 

16. Maar salig ben jender 
Oogen, dat sender kik, en jen- 
der Ooren, dat sender hoor. 

17. Voorwaar mi see na 
jender: Veel Propheeten en 
Rechtveerdigen ka begeer vor 
kik, wat jender kik, en no ka 
kik die, en vor hoor, wat jen- 
der hoor, en no ka hoor die. 

18. Soo jender hoor noe deese 
Glikniss van die Saayer. 

19. Als iemand hoor die 
Woord van die Koningrik, en 
em no verstaan die, soo die 
Quaaje kom, en roov die wee 
wat ben gesaayt nabinne si 
Hert; en deese ben em, die 
ben gesaayt na die Pad. 

20. Maar waar die ben ge- 
saayt na die Steen-Grond, die 
ben em, die hoor die Woord, 
en neem die op aanstonds met 
Bliskap. 

21. Doch em no hab Wolter 
nabinne em selv, maar em 
draai glik as die Weer; wan- 
neer Droefnis en Vervolging 
ris op om die will van die 
Woord, dan em erger si selv 
aanstonds. 

22. En waai- die ben ge- 
saayt na onder die Doornen, 
die ben em , die hoor die Woord, 
maar die Sorg van deese Werld, 



265 



en die Bedrug van Rikdom 
verstik die Woord, en em no 
breng Vrucht. 

23. Maai- waar die ben gesaay t 
nabinne een goeje Grond, die 
ben em, die hoor die Woord, 
en verstaan die, en breng dan 
Vrucht ookal, en som draag 
hondertvoudig, som sestigvou- 
dig, en som dertigvoudig. 

24. En Em a steil sender een 
ander Gliknis voor, en a see: 
Die Koningrik van die Hemel 
ben glik as een Mensch, die a 
saay goeje Saad na si Veld. 

25. Maar toen die Menschen 
a slaap, da si Vyand a kom, 
en a saay Onkruit tuschen die 
Weit, en a loop wee. 

26. Toen noe die Kruit a 
spreng op, en a breng Vrucht, 
da die Onkruit a wees vor vind 
ookal. 

27. Da die Dienst-Knechten 
a kom na die Hoes- Vader, en 
a see : Heere , Joe ka saay dan 
niet goeje Saad na joe Veld? 
Van waar die Onkruit kom dan ? 

28. Em a see na sender : Die 
Vyand ka doe die. Die Dienst- 
Knechten a see na Em: Joe 
will dan, dat ons loop hen, en 
trek die ut? 

29. Em a see: Neen! voor 
dat jender no trek met een die 
Weit ut ookal, as jender trek 
die Onkruit uit. 

30. Lat alltwee groey malkan- 
der, tee na die Krop; en na 



die Krop-Tid mi will see na 
die Maajers: Vergaader voor- 
eerst die Onkruit, en bind die 
in Bondels, vor bran die op; 
maar die Weit vergaader voor 
mi nabinne mi Magazinen. 

31. Een ander Gliknis Em a 
steil voor na sender, en a see: 
Die Koningrik van die Hemel 
ben glik as een Mostert-Saad, 
die een Mensch a neem, en a 
saay die na si Veld. 

32. Deese ben die Kleenste 
van allemaal Saad ; maar wan- 
neer die groey op, soo die 
ben die Grootste onder allemaal 
Soort van Kool, en word een 
Boom, dat die Vogels na onder 
die Hemel kom, en woon na 
onder sie Takkies. 

33. Een ander Gliknis Em a 
spreek na sender: Die Koning- 
rik van die Hemel ben glik as 
een Suurdeeg, die een Vrouw 
a neem, en a mingel die onder 
drie Skepels Meel, tee die a 
kom geheel doorgesuurt. 

34. Al deese Dingen Jesus 
a spreek door Gliknissen na 
die Volk; en sonder Gliknis- 
sen Em no a spreek na sender. 

35. Voor dat die a sal kom 
vervoellt, wat gesproken ben 
door die Propheet, die see: Mi 
will open mi Mond in Glik- 
nissen, en mi wil spreek ut 
Verborgenheden, die a wees 
onbekent van die Begin van 
die Werld. 



f 



266 



36. Dan Jesus a latstaan die 
Volk van Em, en a kom na 
Hoes; en si Jungers a kom na 
Em, en a see: Verklaar na 
ons die Gliknis van die On- 
kruit op die Veld. 

37. Em a antwoord en a see 
na sender: Em, die saay die 
goeje Saad, ben die Mensch 
si Soon. 

38. Die Veld ben die Werld. 
Die Kinders van die Koningrik 
ben die goeje Saad. Die Kinders 
van Boosheid ben die Onkruit. 

39. Die Vyand, die saay 
sender, die ben die Duvel. Die 
Krop-Tid ben die End van die 
Werld. Die Maajers ben die 
Engels. 

40. Glik as Volk trek noe 
die Onkruit ut, en bran die op 
met Vuur; soo die sal wees 
ookal na die End van deese 
Werld. 

41. Die Mensch si Soon sal 
stier si Engels, en sender sal 
vergaader ut van si Koningrik 
allemaal Ergernissen, en sen- 
der, die doe Ongerechtigheid; 

42. En sal gooy sender 
nabinne die Vuur-Oven; daar 
sal wees Gekrisch en Kneersing 
van Tanden. 

43. Dan die Rechtveerdigen 
sal skiën, glik as die Son, in 
die Koningrik van sender Vader. 
Wie hab Ooren voor hoor, die 
hoor. 

44. Weeraan die Koningrik 



van die Hemel ben glik as een 
verborgen Skat in een Veld; 
die een Mensch a vind, en a 
verberg die, en a loop hen voor 
Bliskap over diesel vde, en a 
verkoop allegaar wat em a hab, 
en a koop die Veld. 

45. Weeraan die Koningrik 
van die Hemel ben glik as een 
Koopman, die a soek goeje 
Perlen. 

46. En toen em a vind Een 
kostlik Perl, em a loop hen, 
en a verkoop allemaal, wat em 
a hab, en a koop dieselvde. 

47. Weeraan die Koningrik 
van die Hemel ben glik as een 
Net, die word gegooyt nabinne 
die See , met die Volk kan vang 
divers Soort (van Visch). 

48. En wanneer diebenvoll, 
soo sender haal die ut na die 
Wal, en set, en pek die goeje 
nabinne een Vat malkander, 
maar die quaaje sender gooy 
wee. 

49. Soo die sal wees ookal 
na die End van die Werld. Die 
Engels sal loop ut, en sal 
separeer die Quaajen van die 
Rechtveerdigen. 

50. En sal gooy sender 
nabinne die Vuur-Oven; daar 
sal wees Gekrisch en Kneersing 
van Tanden. 

51. En Jesus a see na sender: 
Jender ka verstaan dan all deese 
Dingen? Sender a see: Ja, 
Heere ! 



267 



52. Da Em a see : Voordaarom 
elkeen Skriftgel eerde, die ben 
geleerd tot die Koningrik van 
die Hemel ben glik as een 
Hoes- Vader, die breng voort ut 
si Skat nieuwe en oude Dingen. 

53. En die a geskied, toen 
Jesus a vollendig deese Glik- 
nissen, dat Em a loop wee 
van daar; 

54. En Em a kom na si 
Vaderland, en a leer sender 
nabinne sender Skoelen, soo 
dat sender a verwonder goe, 
en a see: Van waar soo een 
Wiesheid kom na deese Man, 
en soo machtige Werken? 

55. Em ben dan niet die 



Soon van een Timmerman? 
Ben dan niet die Naam van 
si Moeder Maria? en si Broe- 
ders Jacob en Joses, en Simon 
en Judas. 

56. En ben dan niet ook si 
Susters allemaal hier by ons? 
Van waar «dl deese Dingen 
kom dan na Em? 

57. En sender a erger sender 
na Em. Maar Jesus a see na 
sender: Een Propheet na niet 
een Plaats hab soo weenig Eer, 
as na si Vaderland, en na si 
Hoes. 

58. En Em no a doe veel 
Teekens daar, om die will van 
sender Ongloof. 



DIE HANDLINGEN VAN DIE APOSTELS. 



DIE 8 CAPITEL. 



Vs. 27 40. 



En em a staan op, en a 
loop hen; en kik, een Man 
van Moorenland, een Kamer- 
ling en een machtig Heer van 
die Koningin Candaces na Moo- 
renland, die a wees over alle- 
maal si Skat-Kamers, em aka 
kom na Jerusalem , vor bed aan. 
28. En em a reis weeraan 
na Hoes, en a set op si Wa- 



a lees die Propheet 



gen, en 
Jesaias. 

29. En die Geest a see na 
Philippus: Loop voort, en hou 
joe by deese Wagen. 

30. Da Philippus a loop hen, 
en a hoor, dat em a lees die 
Propheet Jesaias, en a see: 
Joe verstaan dan ook, wat 
joe lees? 



268 



31. Em a see: Hoesoo mi 
sal kan, as niet iemand onder- 
wies mi? en em a bed die 
Philippus, vor kom op, en vor 
set by em. 

32. Maar die Woorden van 
die Skrift, die em a lees, a 
wees deese: Em ben geleyd 
glik as een Skaap na die 
Slachting, en still as een Lam 
navoor diejeen, die skeer em, 
soo Em no a open si Mond. 

33. Na si Verneedering ben 
si Oordeel weegenomen, en wie 
sal kan vor vertell si Geslacht ? 
Want si Leev ka word wee- 
genomen van die Aarde. 

34. Da die Kamerling a ant- 
woord na Philippus, en a see: 
Mi bed joe, van wie die Pro- 
pheet spreek soo? Van em 
selv, of van iemand anders? 

35. En Philippus a open si 
Mond, en a begin van deese 
Skrift, en a predik na em die 
Evangelium van Jesus. 

36. En toen sender a reis 
verder over die Pad, soo sen- 



der a kom na een Water; en 
die Kamerling a see : Kik, hier 
ben Water, wat verhinder mi, 
vor word gedoopt? 

37. Maar Philippus a see: 
As joe gloof van geheele Hert, 
soo die kan geskied. Em a 
antwoord, en a see: Mi gloof, 
dat Jesus Christus ben die 
Soon van God. 

38. En em a gie Order, dat 
die Wagen sal hou still. En 
sender a stap af nabinne die 
Water, soo wel Philippus as 
die Kamerling, en Philippus a 
doop em. 

39. En toen sender a kom 
op ut die Water, da die Geest 
van die Heere a neem Philippus 
wee, en die Kamerling no a 
kik em meer; maar em a reis 
si Pad met Bliskap. 

40. En Philippus a word 
gevonden na Asdod, en em a 
wandel rondom, en a predik 
die Evangelium na allemaal 
Steden, tee em a kom na 
Cesarien. 



DIE 19 CAPITEL. 



Vs. 23—40. 



Maar na dieselvde Tid niet 
een kleen Beweeging a 
kom op, van wegens deese Pad. 
24. Want een Silversmid, 
met Naam Demetrius, a maak 
Silver-Tempeln van Diana, en 



a breng niet een kleen Profit 
na diejeen, die a wees van 
deese Ambacht. 

25. Dieselvde em a neem 
malkander, en die Met-Arbei- 
ders van deese Ambacht, en 



269 



a see : Liefe Mans ! jender weet , 
dat ons hab ons Welvaart van 
deese Handel. 

26. En jender kik en hoor, 
dat niet alleen na Ephesus, 
maar ook meest na geheel 
Asien deese Paulus keer af 
veel Volk, bepraat sender, en 
see: Die no ben Goden die ka 
maak met Handen. 

27. Noe niet alleen ons 
Handel sal loop Risiko, vor 
kom veracht; maar selv die 
Tempel van die groot Godinne 
Diana, no sal word geëstimeert 
meer, en si Majesteit sal onder- 
gaan, na die doch geheel 
Asien en die Werld bewies 
Gods-Dienst. 

28. Toen sender hoor die, 
soo sender a kom voll van 
Toorn, a roep en a see: Groot 
ben die Diana van die Ephesers ! 

29. En die geheele Stadt a 
kom voll met Oproer, en a kom 
malkander met een Geraas, na 
die Skouw-Plaats, eenmoedig, 
en a vass Gajus en Aristarchus 
van Macedonien, die a wees 
Paulus si Companie op die Reis. 

30. Toen noe Paulus a will 
loop onder die Volk: da die 
Jungers no a lat em die toe. 

31. Som van die Oversten 
na Asien ookal, die a wees 
goeje Vrienden van Paulus, a 
stier na em, en a vermaan em, 
dat em no a sal gie si selv op 
die Skouw-Plaats. 



32. Som a roep dan soo, en 
som wat anders; en die Ver- 
gaadering a wees confus, en 
die meeste Part no a weet, 
voor wat sender a ka kom 
malkander. 

33. En som van die Volk a 
trek Alexander voort, toen die 
Jooden a stoot em navoor. Maar 
Alexander a wink met die Hand» 
en a will verantwoord em 
navoor die Volk. 

34. Maar toen sender a 
bemerk, dat em a wees een 
Jood, soo sender allemaal a 
roep met een groot Stem, 
omtrent twee Uur lang: Groot 
ben die Diana van die Ephesers ! 

35. En toen die Stadtskriever 
a ka maak die Volk still, da 
em a see : O Mans van Ephesus, 
welk Mensch ben, die noweet, 
dat die Stadt van Ephesus ben 
een Tempel-Bewaarerin van die 
Godinne Diana, en van die 
Beeld, die ka vall ut van die 
Hemel? 

36. Derwil noe niet een 
Mensch kan spreek tegen die, 
soo jender sal wees ja still, en 
no handel onverstandig. 

37. Jender ka breng deese 
Mensen hier, die no ben Kerk- 
Roovers, en ook geen Laste- 
raars van jender Godinne. 

38. Voordaarom, as Deme- 
trius, en die ben van een Am- 
bacht met em, haab eenigste 
Saake tegen iemand, soo die 



270 



hab ja Dagen vor hou Recht, 
en Land-Voogten ben da, lat 
sender verklaag sender onder 
malkander. 

39. Maar as jender will han- 
del van ander Saaken, soo die 
moet word afgemaakt na een 
ordentlik Vergaadering van die 
Gemeente. 



40. Want ons loop Risiko 
ookal, dat ons sal kan word 
verklaagt, over die Oproer, die 
ka geskied van Dag, en ons 
no sal hab Excus, die ons kan 
maak, voor deese Oproer. En 
Aster em a ka see die, soo 
em a latstaan die Gemeente 
loop. 



F. Uit het Psalm-Boek der Herrnhutters (Ps.). 



N°. lö, 



Vom Himmel hoch da komm ich her. 



Van Hemel hoog da mi Ie kom, 
En mi breng goeje Nieuws na jen ; 
Die heel fraai Nieuws soo veel mi breng, 
Van die mi will praat noe, en sing. 

Voor jend'r die skoon Jongvrouw Marie 
Van Dag een Kindje ka parri, 
Een Kindje mooi en soet, da die 
Sal maak jend'r Hert goe moeschi bli. 

Em ben die Heer Christus, ons God, 
Em will draag jend'r ut allmaal Nood, 
Em selv, die Heiland ben noe hie, 
Voor maak jend'r van die Sondo vri. 

Em breng die Saligheit allgaar, 
Die God si Vader ka maak klaar, 
Dat jend'r met Em na Hemelrik 
Sal leev na Bliskap voor eewig. 



271 

Soo bemerk noe die Teeken recht, 
Na Beest-Kanoe, na Doekje slecht, 
Da jend'r sal vind die Kindje kleen, 
Die onderhou allgaar alleen. 

Voor die ons sal wees moeschi bli, 
Loop met Beest -Wachman sen na die, 
En kik, wat God ka gie ons daar, 
Si Soon na ons Em ka vereer. 

Kik fraai, mi Hert! wat groot Goed noe 
Joe vind nabin die Beest-Kanoe! 
Van wie die mooje Kindje ben? 
Em ben die lievste Jesus kleen. 

Wees welkom, Joe, ons duurbaar Vriend! 
Joe no veracht ons sondig Kind, 
Vor kom na Elend na ons hie, 
Hoesoo ons sal see Dank voor die? 

O Heer en Maak'r van goed allgaar! 
Heel pover Joe ka kom, waarwaar, 
Dat Joe lee na die droog Gras noe, 
Van die Boerrik ka jeet, met Koei. 

O mi lievst Jesus-Kindje kleen! 
Maak Joe selv na mi Hert nabin 
Een Bedd, vor rust heel soet en socht, 
Dat Joe nooit kom ut mi Gedacht. 

IS . 1Q1. 

Wenn ich des Morgens früh ertvach. 

Wanneer mi vroe-vroe met Lamier, 
Kik, dat mi ben na Werld noch hier, 
Soo sal mi eerst Gedacht wees die: 
Dat Jesus Christ ka koop mi vri. 




272 

Van Duivel, Werld en Sondo-Goed , 
Door si swaar Martel, Dood en Bloed, 
Dat mi sal leev voor Em alleen, 
Die heele Dag, wat Plek mi ben. 

O Jesus Christus mi Heiland! 
Maak mi getrouw na ider Kant, 
Bi allmaal Werk, wat ben mi Plicht, 
Laat skiën na mi Joe Aangesicht. 



Absens afwezig, N. T. D. 2 Cor. 10, 1 ; door de Duitsers op dezelfde 

plaats als zelfstandig naamw. gebruikt. 
absenteer si selv zich verwijderen, N. T. H. Joh. 6, 15. 
absolyt stellig, N. T. D. Handl. 18, 21. 
accordeer overeenstemmen, N. T. Mth. 18, 19. 
addu liever, T. P. blz. 138 (Eng. rather). 
adiós vaarwel, T. P. blz. 138 (Pap. en Sp. adiós). 
aht behoort, T. P. blz. 137 (Eng. aught). 
allemaal alle (bijvoeg, gebruikt, b. v. allemaal hogepriesters = 

alle hogepriesters), N. T. H. Mth. 2, 4. 
almis aalmoes, N. T. D. Mth. 6, 1 (vgl. Nederl. Woordenb. op 

acUmis); de Duitsers hebben aalmoes. 
, anas ananas, G. D. blz. 68. 

apart biezonder, N. T. H. Mth. 5, 47. 

appelleer een beroep doen op, N. T. Handl. 25, 11. 

armee leger, N. T. H. Mth. 22, 7. 

arrestant gevangene, N. T. H. Mth. 27, 15. 

as of, T. P. blz. 138. 

aschies, assisje (zie blz. 97) as, N. T. 2 Petr. 2, 6. 

asserant brutaal, astrant, Oldendorp blz. 415. 

assemtrek ademtocht, N. T. H. Mr es. 5, 23. 

aster na, N. T. Mth. 1, 12. Over achter, van tgd gezegd, vgl. 

Nederl. Woordenb. i. v. en hierboven § 31. 

18 



274 



Baas naam door de negers aan de Herrnhutter-zendelingen gegeven, 
G. D. blz. 38; de Deense zendelingen worden meester genoemd, 
G. D. blz. 37. 

bambaj dadelik, G. D. blz. 26; toch, voorzeker G. D. blz. 71. In 
't Negerengels betekent b a m b a i aanstonds (volgens Focke , het Eng. 
by and by). In 't Portugees van Ceylon (Delgado, blz. 190), en evenzo 
in 't Papiements (Van Name, blz. 158), zegt men het pleonastiese 
vamos vai als aansporing tot spoed. Uit deze laatste zegswijze is, 
onderstel ik, zowel 't Negerhollandse als 't Negerengelse woord 
ontstaan; in de eerste taal heeft het nog uitbreiding van betekenis 
gekregen. 

ban gres huik of kapmantel tegen de regen (Regnhaette) ; G. D. blz. 79 
wordt gesproken van een vlyveel bangres , met bovenstaande Deense 
vertaling. Oorsprong mij onbekend. 

banvisch, gebraden vis, N. T. H. Luc. 24, 42; de Denen hebben 
brand vis, de vorm waaruit vermoedelik banvisch is ont- 
staan (§ 28 en § 40). 

barbier geneesheer, N. T. D. Mth. 9, 12. 

barbierman naam van een vis, Oldendorp blz. 108. 

barrikad, bolwerk, N. T. H. Luc. 19, 43; barcad, T. P. blz. 138, 
bar gat, G. H. blz. 8 (Sp. barricada). 

bateta knolgewas (Ipomoea batatas), T. P. blz. 138 (Pap. batata); 
bateta-tow wortel met knollen, T. P. blz. 137. 

batterie stroop, G. D. blz. 67. Oorsprong mij onbekend. 

bederv vergaan, omkomen, N. T. H. Mth. 8, 25. 

bedung bemesten, N. T. H. Luc. 13, 8. 

beesjeet voedsel voor dieren (beesteëten), gras, G. D. blz. 75; T. P 
blz. 137. 

bejer bessen, G. D. blz. 65. 

bespringel besprenkelen, N. T. H. Coloss. 4, 6. 

bestel beschikking, recht van spreken (zie Nederl. Woordenb. i. v.), 
T. P. blz. 135. 

beswaarde moeite, N. T. H. Mth. 20, 12. Germanisme; de Denen 
hebben last. 

bevoor voor, N. T. H. Mth. 2, 9; Germanisme. 

bid verzoeken, nodigen, N. T. Luc. 15, 28. 



275 

biren buurman (uit bierman, G. D. blz. 75), T. P. blz. 137. 

blameer kwaad spreken, N. T. H. 2 Cor. 8, 20. 

blanko blanke, G. H. blz. 50 (Sp. blanco). 

boetje broer, G. H. blz. 111. Ook Afrikaans. Vermoedelik niet van 

Ned. oorsprong. 
boya geest, G. D. blz. 35. Waarschijnlik een Caraïbies woord; 

maboya betekent in die taal boze geest (Rist. nat. des Ant. 

blz. 392). 
bomba opzichter, Oldendorp blz. 380; naam van een drank, G. D. 

blz. 63, Oldendorp blz. 262. Oorsprong mij onbekend. 
bomedel een plant (Erithryna Corallodendrum), Oldendorp blz. 217, 

die verbastering onderstelt van bots immorteL 
borika, boerrik ezel, G. D. blz. 71, Ps. blz. 35 (Pap. burricoe, 

Sp. borrica en borricó). 
borsje onderlijfje, G. D. blz. 78. 
bottle fles, T. P. blz. 135. (Misschien Eng. bottle, doch waarschijnliker 

Pap. bottel, Sp. botella; Nederl. bottel schijnt eerder aan die laatste 

taal dan aan 't Engels ontleend). 
branmier, mier, G. H. blz. 34. Bij Pontoppidan (blz. 135) brambi 

(vgl. § 38). 
brau overkoken, T. P. blz. 137. 
bukram boekram, G. D. blz. 59. 
busael in Afrika geboren neger (in tegenstelling van Kreool), 

G. D. blz. 77, Oldendorp blz. 368 (Port. bocal en bussal, ruw, 

onervaren). 



Cabé kameraad, T. P. blz. 137. Zie carabeer. 

cabrita geit, T. P. blz. 135, G. H. blz. 35 (Pap. en Sp. cabrita.) 

calo galopperen, T. P. blz. 138 (Pap. galop, Sp. galope, zelfstandig 

naamw. tot werkw. geworden). 
camerier rentmeester, N. T. H. Rom. 16, 23. 
camina akker, T. P. blz. 138; nadere omschrijving bij Oldendorp. 

blz. 381 (Pap. camina, Sp. camlno, vgl. Schuchardt Kreol. Stud. 

I, blz. 18). 
carabeer kameraad, G. D. blz. 52, waar de verklaring staat dat 

zo de negers elkaar noemen die met hetzelfde schip uit Afrika 



276 

zijn gekomen (van Sp. caraba, zeeschip). Een verkorte vorm 

is cabé. 
cassier rentmeester, N. T. D. Mth. 20, 8. 
cocro krokodil, T. P. blz. 135. 
collecte inzameling, N. T. 1 Cor. 16, 1. 
oompanie gezelschap, N. T. H. Handl. 19, 29. 
condisje voorwaarde, T. P. blz. 133. 
confereer overleggen, N. T. H. Handl. 4, 15. 
conflrmasje bevestiging, Ev. Leerb. blz. 23. 
confus verward, N. T. H. Handl. 19, 32. 
consciensje geweten, T. P. blz. 133. 
consenteer toestemmen, N. T. D. Luc. 23, 51. 
continueer doorgaan, N. T. H. Joh. 8, 7. 
contrapart tegenpartij, N. T. D. Luc. 18, 3. 
coufiin neef, N. T. H. Luc. 1, 36; N. T. D. Coloss. 4, 10. 
curagie moed, N. T. H. Mrcs. 15, 43. 



D 



Da betekenis zie blz. 111 en § 70; Nederl. daar, doch vgl. Schuchardt, 

Kreol. Stud. IX, blz. 190. 
dagbreek dageraad, N. T. Handl. 20, 11. Ook Afrikaans (Eng. 

day break ?). 
dam vijver, N. T. D. Joh. 9 , 7 ; de Duitsers hebben waterpan. Beide 

woorden in deze betekenis ook Afrikaans. Ook in 't Deens is 

dam vijver. 
debiteer schuldenaar, N. T. D. Luc. 16, 5. 
defendeer verdedigen, N. T. H. Handl. 7, 24. 
delibereer beraadslagen, N. T. D. Hand. 4, 15. 
destroi vernielen, T. P. blz. 138 (Eng. to destroy). 
dief stelen, N. T. H. Eph. 4, 28. 
diefman dief, N. T. H. Mth. 6, 20. 
dienlig heilzaam, N. T. D. Mth, 11, 30. 
dig graven, N. T. H. Mth. 21, 33. 

dink op aan iets denken, op iets letten, N. T. Philipp. 1, 3. 
dinner middagmaal, T. P. blz. 138 (Eng. dinner). 
dip indopen, N. T. D. Mth. 26, 23 (Eng. to dip). De Duitsers schreven 



277 

dup vermoedelik omdat zij het voor de korrekte vorm hielden 

(vgl. § 15). 
disput redetwist, N. T. H. Joh. 6, 52. 
Dissendag Dinsdag, G. D. blz. 25, G. H. blz. 53. 
divers verschillend, N. T. H. Mth. 13, 47. 
donker nacht, N. T. D. Luc. 5, 5; donkerwerk nachtwerk 

Oldendorp blz. 382. 
donner donderen, N. T. Joh. 12, 29 (Germanisme?). 
draeg brengen, N. T. D. Joh. 6, 44 (Deens drage). Het woord komt 

echter ook in de T. P. (blz. 138) voor; indien het van oorsprong 

een Danisme is, dan moet het toch burgerrecht hebben gekregen. 
draej veranderen in, zich bekeren, N. T. D. Mth. 4, 3; G. H. blz. 

23. Invloed van Eng. to turn schijnt onwaarschijnlik , want in 

't Negerengels staat drai naast tron, met verschil van betekenis, 

en in 't Negerfrans is torné worden; ik neem dus onafhankelike 

ontwikkeling aan. 
due toe (aanmoediging), G. D. blz. 54, 56. 
dum, dom stom, zonder spraak, N. T. D. Mth. 9, 32; 12, 22 (Eng. 

dumb?). De Duitsers hebben overal stom. 

E 

echte huwelik, N. T. H. Mth. 5, 27. 

echtebreekerie echtbreuk, N. T. H. Mth. 15, 19. 

edukasje opvoeding, Ev. Leerb. blz. 62. 

eenmoedig eendrachtig, N. T. Handl. 4, 24 (Germanisme?). 

ekke man niemand, T. P. blz. 135 (Deens ikke mand, vgl. hver 

mand, ikke nogen en niet een man). Deze opvatting steunt op de 

vertaling van Pontoppidan. 
erfe erfgenaam, N. T. H. Mth. 21, 38. 

erkennen bekennen (cognoscere, coire), N. T. H. Mth. 1 , 25. 
escapeer ontkomen, N. T. Mth. 23, 33. 
estime achting, N. T. D. Handl. 19, 27. 
estimeer achten, N. T. Handl. 5, 34. 
excellent uitstekend, N. T. H. Luc. 21, 5. 
except behalve, N. T. Handl. 8, 1. 
excuseer verontschuldigen, N. T. Luc. 14, 18. 
expedieer verzenden, N. T. H. Handl. 15, 30. 



278 



Fatsoen vorm, N. T. Luc. 9, 29. 

feesa feest, G. D. blz. 63. In 't Negerengels onderscheidt Wull- 
schlagel fesa, een heidens feest, van feest of feestedei. 

flambeew flambouw, N. T. Joh. 18, 3. Delfde vorm in 't Papiements. 

flatteerwoorden vleiende woorden, N. T. 1 Thess. 2, 5. 

flegon vlerk, vleugel, T. P. blz. 135 (Zie §35). 

flim veer, T. P. blz. 134 (Nederl. pluim, Kreools plim ?). 

fondament grondlegging, N. T. Joh. 17, 24. 

f paai mooi, goed; G. H. blz. 98: „was so ist wie es sein soll", 
dus: „gut, recht, gesund, wohlschmeckend, getreu" enz. enz. In 
't Vlaams heeft fraai een uitgebreider betekenis dan bij ons (zie 
de Bo), doch niet zo uitgebreid als op de Antillen. 

funje, funchi meelspijs, Oldendorp blz. 176; T. P. blz. 138 (Pap. 
funchi). 

G 

Gaer vergaren, N. T. Mth. 13, 41. 

ganganie kwast, zot, G. D. blz. 71. Oorsprong mij onbekend. In 
't Negerengels is gangasoe „belhamel". 

garduin gordijn, Ps. blz. 207. 

gaschie, gasje soldij, N. T. Luc. 3, 14. 

geambo, gingambo naam van een vrucht, T. P. blz. 138; Olden- 
dorp blz. 174 (Hibiscus esculentus). Oorsprong mij onbekend. 

gekrisch, kries geween, N. T. Mth. 8, 12. 

gemoet ontmoeten, N. T. H. Mth. 25, 6. 

ge winst winst, N. T. Philipp. 3, 7. 

gicht jicht, N. T. H. Mth. 4, 24. Zie Middeln. Woordenb.; de vorm 
komt nog bij Kiliaan voor. Derhalve geen Germanisme of Danisme. 

gie(v) geven, N. T. Mth. 4, 9 (Eng. to give?). 

griedig spaarzaam, N. T. |D. 2 Cor. 9, 6 (Misschien uit Eng. greedy, 
dat echter alleen begerig betekent, evenzo Deens gridsk). 

griv Westindiese lijster, Oldendorp blz. 91 (Fr. grive). 

groensel groente, N. T. . D. Rom. 14, 2. Zuidnederlands woord; 
zie Nederl. Woordenb. i. v. 



279 

grun akker, T. P. blz. 138. Nederl. grond, ook overgegaan in 
't Negerengels (gr on); zie Nederl. Woordenb. i. v., kolom 969, en 
vgl. het Westindiese woord kostgrond, land waar eetwaar ge- 
teeld wordt. 

gurri groeien T. P. blz. 135 (zie § 39). 

H 

Hab hebben, N. T. Mth. 3, 4. Die hab betekent er is, G. D. blz. 

56; dit gebruik van 't woord hebben komt in zo talloos vele 

talen voor dat het niet nodig is aan ontlening te denken. 
halsneesdoek halsdoek, G. D. blz. 78. Vgl. mouchoir de poche en 

mouchoir de cou. 
hang si selv na zich ophouden bij, N. T. H. Luc. 15, 15. 
hangman beul, G. H. blz. 35. 
haschee brandhout, N. T. H. Handl. 28, 3 (Sp. hachear, hout klein 

hakken). 
heet hitte, N. T. H. Mth. 20, 12. 
hemmete hemd, N. T. D. Joh. 21, 7. 
herbergeer herbergen, N. T. D. Mth. 25, 43. 
hodio jood, G. D. blz. 19 (uit Sp. judio, maar hoe?). 
hoener, hun der, hundu kip, N. T. Mth. 23, S7, G. D. blz. 34, 

T. P. blz. 135. Gelijk in 't Afrikaans een uit het meervoud van 

het Nederl. woord afgeleide vorm. 
hoenderhaan, hunderhaan haan, G. D. blz. 67. 
trof je, hoffle tuin N. T. Joh. 20, 15; G. D. blz. 11; hofQeman, 

tuinier, ibidem. 
hoopning hoop, N. T. H. Handl. 2, 26. Germanisme, de Denen 

hebben hoop. 
hoppo op, opstaan, N. T. D. Luc. 15, 18. Het woord is ook bekend 

in 't Negerengels. 
hutje dameshoed, G. D. blz. 79. Evenals in 't Afrikaans (Hoogenhout 

blz. 51) duidt het verkleinwoord een vrouwehoed aan; hoed is 

't hoofddeksel van een man. 
hyklar huichelaar, N. T. D. 6, 2. Danisme (hykler). 



Inviteer uitnodigen, Ps. blz. 127. 



280 



Jacob Evert naam van een vis, Oldendorp blz. 107. Ook Afrikaans : 
Jakobiwert (Zie Veth, TJit Oost en West, Arnhem, 1889, blz. 154). 

jam(m)er medelijden, medelijden hebben, N. T. Mth. 9, 27; 9, 36. 

jeet eten, N. T. Mth. 12, 1. 

jekké paarlkoen, T. P. blz. 135. Oorsprong mij onbekend. 

jump, tjomp springen, G. D. blz. 35, N. T. Luc. 1, 41, 44. Ook 
in Nederland niet onbekend, vooral in de matrozetaal (Eng. tojump). 

K 

Kaba voltooien, Ps. blz. 153; op, G. D. blz. 56 (Pap. cafca, Sp. acdbar). 

kabaen slaapmat, G. D. blz. 61. In 't dialekt van Aardenburg 
(Noord en Zuid, II, blz. 310 vlg.) is kavaone (Fr. cabané) de ver- 
plaatsbare woning van een schaapherder ; daaruit kan de betekenis 
van slaapstee ontstaan zijn. 

kabritta zie cabrita. 

kaek wang, N. T. Mth. 5, 39. 

kaggel veulen, N. T. Mth. 21, 2. 

kaj uitroep van verbazing, G. D. blz. 80. Dit tussenwerpsel komt 
ook in het Negerengels voor. Zie Elzeviers Maandschrift, 1904, 
blz. 323. 

kajaen Cayennepeper, G. D. blz. 57. 

kakketis hagedis, G. D. blz. 35, Oldendorp blz. 96. 

kalala halssnoer, G. D. blz. 78. Nederl. kralen? In 't Negerengels 
heet een halssnoer wan nekikrala (neki = nék). 

kan gewoon zijn, plegen, G. D. blz. 59. 

kaniflster naam van een vrucht, G. D. blz. 65; volgens Oldendorp 
(blz. 192) „nennen die Neger den Cassiaröhreribaum (Cassia fistula) 
Canefister". Ook 't Negerengels heeft kanifiso; door Europeanen 
schijnt de Latijnse naam verknoeid te zijn. 

kanoe krib (voerbak voor dieren), Ps. blz. 27 (Sp. canoa, schuitje, 
naar de overeenkomst van vorm?). 

karang naam van een vis, klip vis, G. D. blz. 66 (Mal. karang, op 
Mauritius carangue, door de zeemanstaai verder verbreid). 



281 

karpatolie laxeermiddel, G. D. blz. 66. 

kassavie cassave, G. D. blz. 66. 

kawai paard, G. H. blz. 13; kawaikop, naam van een vis, Olden- 
dorp blz. 105 (Pap. cabai, Sp. cdballó). 

keer van iets of iemand houden , om iets geven , G. D. blz. 57 , N. T. 
Luc. 10, 40 (Pap. kier, Sp. querer). Ook in 't Maleis-Portugees 
van Batavia was keer „houden van" (de Graaff , Oost Indise Spiegel, 
Hoorn, 1703, blz. 11). De vertaling der Herrnhutters heeft op de 
aangehaalde bijbelplaats keer voor, de Deense keer ; de Herrnhutters 
onderstelden (G. H. blz. 3) voor 't woord Engelse af komst (to care) , 
en sommige plaatsen, b.v. G. D. blz. 71, pleiten er voor dat inder- 
daad het Engels invloed heeft gehad, doch uitdrukkingen als mie 
no keer rau boter, mie keer hem gue kunnen geen Anglicismen zijn. 

keiler kelder, N. T. H. Luc. 12, 24. Germanisme; de Denen hebben 
kelder. 

kingamboe G. D. blz. 67. Zie geambo, gingambo. 

kind van dieren en van levenloze voorwerpen gezegd, b.v. die kind 
van die boom (twijg), die kind van die mama (de sleutel 
ten opzichte van het slot), G. H. blz. 102. 

kik zien (transitief), N. T. Mth. 12, 49. 

klaagte geklaag, N. T. H. Mth. 2, 18. 

klein-vrou dochter des huizes die huwbaar is, G. D. blz. 60. Ook 
Afrikaans; zie over dergelijke woorden: Hoogenhout blz. 117. 

klinkers dakpannen, N. T. H. Luc. 5, 19. 

klump (na) hoop (op een), G. D. blz. 32. Ook Afrikaans. 

knuk akker, G. D. blz. 50 (Pap. koenoekoé). 

koerri lopen, N. T. Handl. 3, 11 (Pap. corre, Sp. correr, misschien 
echter het Negerfranse couri, Fr. courir). 

kom worden, Mth. 4, 2. Zelfstandige ontwikkeling, vgl. Eng. to 
become, Fr. devenir, Sp. venir a ser enz. 

kookeneet, kookerneet kokosnoot, G. D. blz. 64. 

kost leeftocht, voedsel, N. T. H. Mth. 6, 25. 

kot hok, N. T. Joh. 10, 16. 

kriek kreek, N. T. D. Handl. 27, 39 (Eng. creek). 

kries schreien, G. D. blz. 61. 

krop oogst, N. T. Mth. 13, 30 (Eng. erop). 

kukkuba, kuckubak sperwer, G. D. blz. 35, Oldendorp blz. 86 (Pap. 
koekoébi, Caraïb. woord?). 

18» 



Lamier dageraad, Ps. blz. 230. Nederl. lumier(en), aanlichten van 

de dag. 
lamuntje citroen, G. D. blz. 57. Ook Afrikaans. Zie Tijdschr. Nederl. 

Taal en Letterk. XVI (1897), blz. 27. 
langdram grog van rum, Oldendorp blz. 261. Het Engelse en 

Deense dram (van drachme, medicinaal gewicht) betekent een slok 

brandewijn. 
lap herstellen, N. T. D. Math. 4, 21. 
lap slag, klap, N. T. D. Handl. 23, 2. 
testbarend lastdragend, N. T. D. Mth. 21, 5. 
la(t)8taen laten, als zelfstandig woord en bij de gebiedende wgs, 

N. T. D. Mth. 26, 46 (lastaen ons loop!); achterlaten, N. T. 

Mth. 22, 25. 
Ie veer, leweer, lever leveren, N. T. Mth. 21, 41. De Herm- 

hntters schrijven steeds leveer, evenzo Pontoppidan; de Denen 

hebben meest lever, 
leepelkost soep, vloeibare spijs, G. D. blz. 68. 
levendag nooit, G. D. blz. 28; ook geenszins, N. T. D. Mth. 2, 6, 

vgl. Eng. never en, daaraan ontleend, Afrik. nooit. 
liplap jong (van kokosnoten), G. D. blz. 64. Zie over dit woord 

Schuchardt, Kreol Stud. IX, blz. 8—10. 
lobbetje lubbe, manchet, G. D. blz. 62. 
los losmaken, opheffen, N. T. Mth. 5, 17. Ook Papiements en 

Afrikaans. 

M 

Makaku naam van een vogel, G. D. blz. 35. Oorsprong mij onbekend. 

makut, makutu, makoette korf, G. D. blz. 134, N. T. Mth. 
14, 20 (Pap. makoetoe, Caraïb. woord?). 

malaj uitroeping, N. T. H. Openb. 3, 15. Volgens vriendelike mede- 
deling van de heer Hamelberg in 't Papiements als verwensing 
voorkomend. 

malkander bij of met elkander, N. T. Mth. 1, 18. 

mankeer nodig hebben, N. T. Mrcs. 11, 3; beetje mankeer bgna, 
N. T. D. Handl. 26, 18. 



283 

mankement gebrek, N. T. H. Mth. 25, 9. 

mapua naam van een specery ?, G. D. blz. 34. Oorsprong mij onbekend. 

market markt, N. T. H. Mth. 11, 16 (Eng. market). 

maroon, marro verwilderen, weglopen, T. P. blz. 138, G. D. blz. 

1 1 . Oldendorp (blz. 394) zegt ten onrechte dat marron „aap" betekent ; 

de oorsprong van het woord is Sp. cimarron, ongetemd. 
martae, mattaan doden, G. D. blz. 67, N. T. H. 1 Cor. 10, 9. 

(Pap. mata, Sp. matar). 
maski maskee hoewel, N. T. Mth. 21, 32, G. D. blz. 70; 't doet er 

niet toe!, G. D. blz. 67 (Port. masqué, zie Nederl. Woordenb. i. v.). 
mengel, mingel mengen, N. T. Luc. 13, 1. 
menteneer onderhouden, G. H. blz. 24. 

meur kwellen, Ps. 66 (Port. moer, cf. Het Afrikaansch, blz. 97). 
miserabel op een ellendige wijze, N. T. H. Mth. 21, 41. 
mola molen, N. T. Luc. 17, 35; malen, N. T. D. Mth. 24, 41. 
molasteen, maalsteen, N. T. Luc. 17, 2 (Pap. moela). 
molassi afvalprodukt bij 't raffineren van suiker, G. D. hlz. 34. 

(Eng. molasses uit Sp. melaza). 
molee beneden, N. T. Mth. 4, 6. Oorsprong mij onbekend. 
mors vermorzelen, N. T. D. Mth. 21, 44. De Herrnhutters hebben 

morsel. 
muj tante, G. D. blz. 69. 
murmel mompelen, N. T. H. Joh. 7, 32. 
murmureer murmureren, N. T. Handl. 6, 1. 
muskit mug, N. T. Mth. 23, 24. 
mussie, moeschi veel, zeer, G. D. blz. 65; N. T. H. Mth. 23, 24 

(Pap. moechoe, Sp. mucho). 

N 

Na in mz. N. T. Math. 3. 12. Zie § 64. 

naaring, neering voedsel, N. T. H. Mth. 6, 26; N. T. D. Luc. 

21, 34. 't Eerste woord schijnt een Germanisme te zijn. 
negosieer handeldrijven, N. T. D. Mth. 25, 16. 
no niet, N. T. Mth. 1, 19 (Pap., Sp. nó). 
noom oom, G. D. blz. 69. 
noe nu, N. T. Mth. 1, 24. 
notisje (neem), opmerken, G. D. 72. 



284 



O 

Obligasje schuldbekentenis, N. T. D. Luc. 16, 6. 

offereer aanbieden, N. T. H. Mth. 7, 9. 

ondervondig bedenkend, uitvindend (slechte zaken), N. T. D. 1 

Rom. 1, 30. Vgl. Nederl. Woordenb. op ondervinden, waar 

ondervonden door ervaren wordt weergegeven; in 't Deens 

betekent underfundig „listig." 
ongeverfd ongeveinsd, N. T. H. 2 Tim. 1, 5. 
onosoo of anders, tenzij, N. T. D. Mth. 9, 17. (Pap. o no, of niet, 

met het versterkend so, § 64, a). 
oort, kwartstuiver, N. T. D. Mrcs. 2, 42. 
ordinansje, ordinantie, verordening, N. T. 1 Rom. 13, 2. 
ordineer bevelen, N. T. H. Mth. 8, 18. 



Pad weg, N. T. Mth. 2, 12, pad krig, gelegenheid krijgen, G. H. 

blz. 109. Gelijksoortig gebruik in het Afrikaans. 
palee paleis, N. T. H. Mth. 26, 3. Frans woord naar Duitse uitspraak. 
parae afweren, Ev. Leesb. blz. 61 (Sp. parar). 
pardoneer vergiffenis schenken, N. T. D. 2 Cor. 12, 13. 
parik pruik, G. D. blz. 62. 

parri, parie baren, Ps. 24, G. D. blz. 34 (Pap. pari, Sp. parir). 
part deel, G. D. blz. 47; part nog deel, N. T. Handl. 8, 21. 
partie scheiden (bedrijv. werkw.), N. T. H. Mth. 19, 6 (Pap. parti, 

Sp. partir). 
partie sommigen, N. T. D. Mth. 9, 3. Ook in 't Afrikaans ; partie- 

rees zie rees. 
pas met moeite, N. T. D. Mth. 19, 23. 
passeer voorbijgaan, voorbijdoengaan (doorzijgen), G. D. blz. 74, 

N. T. Mth. 23, 24. 
pat-pat eend, T. P. blz. 134 (Pap. patoe, Sp. pató). 
patientie geduld, N. T. H. Mth. 18, 26. 

pek plukken, uitkiezen, G. D. blz. 76, Ps. blz. 12 (Eng. to piek). 
penitensje bekering, N. T. D. Mrcs. 1, 4. 
permisje vergunning, N. T. Handl. 28, 16. 



285 

permitteer vergunnen, N. T. H. Mth. 12, 4. 

perswadeer overreden, Evang. Leerb. blz. 56. 

pesboontje soort bonen (groente), G. D. blz. 67. 

pestilensje pest, N. T. Luc. 21, 11. 

plaisi genoegen, N. T. H. Luc. 8, 14. 

plantaj, plantey plantage, T. P. blz. 138, N. T. H. Mth. 22, 5. 

pleister met kalk bedekken, N. T. H. Luc. 22, 12. 

plek (na) plaats (in), G. D. blz. 65. 

pover arm, N. T. Mth. 26, 9; ook pobre, T. P. blz. 135 (Pap. pober, 

Sp. pobre). 
pracheer pochen, N. T. H. 2 Petr. 2, 13. Nederl. br -ageren. 
prent drukken, op de titel van Luther's Katechismus (zie hierboven, 

blz. 39, n°. 4), (Eng. to print). 
prepareer voorbereiden, N. T. H. Mth. 11, 10. 
present geschenk, N. T. H. Handl. 3, 14. 
presentie tegenwoordigheid, N. T. H. Joh. 20, 30. 
pretendeer eisen, Luth. Katech. blz. 16. 
probeeringe verleiding, Ps. blz. 183. 
profit voordeel, N. T. H. Luc. 9, 25. 
profitabel nuttig, N. T. H. Mth. 15, 5. 
prophecey voorspellen, N. T. Mth. 7, 22. 
pruest ademen, snuiven, N. T. D. Handl. 9, 1. 

O 

Qweel verbranden, verschroeien, N. T. D. Mrcs. 4, 6 (Deens 
kvaele, verstikken). Het Vlaamse en Zeeuwse kweelen (o. a. uit 
Cats wel bekend) betekent lyden, kwijnen. 

R 

Raak komen, bereiken, in de uitdrukking tid of dag raak, de 
tijd (dag) komt, ka raak is bereikt, G. H. blz. 87, 112. Vgl. 
beraken = bereiken. Zie Boekenoogen, de Zaansche Volkst. i. v. 

rees (reis) keer, in partierees somtijds, G. H. blz. 56. 

regardeer achten, N. T. H. Mth. 22, 16. 

reguleer regelen, N. T. D. Voorbericht. 



286 

report (van een goed), naam, reputatie, N. T. D. Philipp. 4, 8. 
Het oorspronk. heeft „hvilkesomhelst der tales vel om" (Eng. 
report). 

resolveer besluiten, N. T. H. Joh. 9, 22. 

respecteer eerbiedigen, N. T. H. Mth. 21, 37. 

revangeer wreken, N. T. H. 2 Cor. 10, 6. 

revanschie wraak, N. T. H. Handl. 28, 4. 

risiko gevaar, Ps. 92, (loop), kans lopen, N. T. Handl. 19, 27. 

roenkertje bij, Ps. blz. 84. Bonken is in 't Vlaams brommen, gonsen; 
een ronker is een meikever (De Bo), en in 't dialekt van Aardenburg 
heet een grasmus een gosronker (Onze Volkstaal H, blz. 140). 

rond om, ook in samenstellingen, N. T. D. Luc. 15, 20. 't Zelfde 
in 't Vlaams, zie De Bo op om, 

rusie, rysje verdeeldheid, N. T. D. Luc. 12, 51. 

rup roepen, G. H. blz. 41; noemen, G. H. blz. 39, N. T. D. Mth. 1, 
23. Wellicht Anglicisme (to call)> doch kan ook Ereoolse voorliefde 
voor krachtige uitdrukkingen zijn. In 't Afrikaans ken ik deze 
overgang van betekenis alleen uit een zin van een kleurling 
(Hoogenhout, blz. 131), en deze mensen kennen in de regel geen 
Engels. Men verzekert mij dat men in de beschaafde taal voor 
ons noemen nooit roep zeggen. 



Saja vrouwerok, G. D. blz. 77 (Pap. soja, Sp. saya). 

sala sla (groente), G. D. blz. 68 (Pap., Sp. salada; 't Nederl. 
salade is een deftig woord). 

salveer bewaren, N. T. D. Mth. 16, 25. 

satisfacsje voldoening, T. P. blz. 134. 

sa van, sawaen veld, N. T. H. Luc. 2, 8; G. D. blz. 75 (Ameri- 
kaans woord, in Europa via Sp. savana bekend geworden). 

separeer scheiden, N. T. H. Mth. 13, 49. 

set zitten, gaan zitten, N. T. Mth. 13, 1; plaatsen, N. T. D. Luc. 
15, 22. Ook in 't Afrikaans komt laatstgenoemde betekenis voor. 

signet zegel, N. T. H. Bom. 4, 11. 

sikryto kliekjes, overblijfsels, G. H. blz. 56. Oorsprong mg 
onbekend. 

sjansee zich aankleden. G. D. blz. 80 (vgl. Fr. changer en Neger. 



287 

frans ganse, Baissac blz. 98, dat dezelfde algemene betekenis 

heeft gekregen). 
skaem ut verwijten, N. T. D. Mth. 11, 20. Deens woord : skamme ud. 
skaep scheppen, G. H. blz. 39. 
skaapkot schaapskooi, N. T. H. Joh. 10, 1. 
skalk boos, N. T. D. Mth. 22, 18. 
skel kaf N. T. Mth. 3, 12. 
skiffielade, G. D. blz. 78. 
skimpeer verwijten doen, N. T. H. Mth. 27, 44. Nederl. schimpen, 

met uit het Frans overgenomen uitgang. 
skoel synagoge, N. T. H. 4, 23; 13, 54. Ook in gebruik bij Neder- 
landse Israëlieten (Duits Schulé). 
skribent schrijver, E vang. Leerb. blz. 47. 
skoen hoefijzer, G. D. blz. 75. Danisme? (hestesko). 
slaeg slaan, doden, N. T. D. Mth. 26, 31. 
sleuter sleutel, N. T. H.Math. 16, 19. 
slot (toe) sluiten, N. T. H. Mth. 23, 13. 
smoelband muilband, N. T. 2 Gor. 9, 9. 
smoor braden, G. D. blz. 67. 
socht zacht, N. T. Mth. 11, 8. 
solier bovenzaal, N. T. H. Mrcs. 14, 15, Germanisme; de Denen 

hebben solder. 
som sommigen, N. T. Luc. 13, 31. 
soo lang daar, aangezien, N. T. D. Mth. 14, 9. 
soo soo te vergeefs, voor niets, G. D. blz. 72. Ook in 't Negerengels. 

(Vgl. Eng. so so, onverschillig, middelmatig). 
soopie rum, G. D. blz. 57. 

soutkop bussaal, zoutwaterneger, G. H. blz. 110. 
sowed gut pekelvlees, zoutewaar, T. P. blz. 138. 
spandeer, spendeer uitgeven, N. T. Luc. 8, 43. 
spanspek meloen, G. D. blz. 64. Ook Afrikaans; zie Mansvelt i. v. 
spit boosheid, N. T. D. Mth. 27, 18; spittig nijdig, G. D. blz. 72. 
spring bron, N. T. Jacob. 3, 11, 12. 
steek weg zich verschuilen, G. D. blz. 41. 
stik stuk (gedeelte van een akker), G. D. blz. 75 (ook in Nederland 

gebruikelik) ; stuk (van achten), rijksdaalder, G. D. blz. 55. 
stoffleis gestoofd vlees, T. P. blz. 138. 
stokoj verontschuldigen, Ev. Leesb. blz. 44. Oorsprong mij onbekend. 



288 

stout boos, wild, N. T. D. Mth. 8,28. 

straamen wonden, N. T. H. Handl. 16, 33. Voor Nederl. striemen? 

suk zoeken, trachten te verkrijgen, vrijen naar, T. P. blz. 135. 

Vergelijk in 't Nederlands zoeken in de zin van lastig vallen. 
suku, sakker suiker, T. P. blz. 138; G. D. blz. 63. Vgl. Pap. soekoe. 
sussies worstje, saucijs, G. D. blz. 56. 
susu kaf, N. T. D. Luc. 3, 17. Oorsprong mij onbekend. 
sutje heimelik, N. T. D. Mth. 2, 7. 
swam spons, N. T. H. Mrcs. 1, 36. Germanisme; de Denen hebben 

sponsje» 
swart belasteren, zwart maken, G. D. blz. 16. 
sweering zweer, verzwering, N. T. Luc. 16, 21. 



Taphus taphuis, herberg, Hoofdplaats van St. Thomas, T. P. 
blz. 138 (zie boven blz. 17, noot). 

tapoesi korenaar, N. T. Mth. 12, 1 (Pap. tapoesje; Caraïbies woord?). 

tate, tatta vader, G. D. blz. 68, G. H. blz. 111. Taat is in 't Noord- 
hollands bekend (Boekenoogen , de Zaansche Volkst. i. v.); op de 
Antillen in 't vermoedelik via 't Papiements (tata) uit het Spaans 
(taita) overgenomen. Internationaal woord, ook in 't Latijn bekend 
(Archiv. f. lat. Lexikographie XIII, 1903, blz. 154). 

teeri wellustig, wekelik, N. T. H. 1. Cor. 6, 9, Ps. blz. 229. Nederl. 
teder? 

tek ontmoeten, T. P. blz. 135 (Eng. to tack hechten, vastmaken, 
intransit. gebruikt?). 

tekké paarlhoen, T. P. blz. 135. Negereng. toké. Caraïbies woord? 

tete (giev) zogen, N. T. D. Luci 21, 23. Nederl. tiet; op de Antillen 
gekomen uit Pap. Sp. teta. 

tingel verstrikken, N. T. 2 Petr. 2, 20; vertingel zich wikkelen, 
N- T. 2 Tim. 2, 4 (Eng. to tavgle). 

tjomp zie jurnp. 

tjook verstikken, N. T. D. Mth. 12, 7 (Eng. to choke). 

toe bedekken, toedoen, N. T. Luc. 4. 20. 

torka ruilen, Ps. blz. 36 (Sp. trocar). 

traan, zelfst. naamw. en werkw. (schreien), N. T. H. Mth. 2, 18; 
11, 17. 



289 

trakteer behandelen, E vang. Leerb. blz. 45. 

transchee palisade, N. T. H. Mth. 21, 33, Mr es. 12, 2 (Sp. tranquera, 

Fr tranchéeis loopgraaf). 
traval moeite, Ps. blz. 112. Port. trabalho klopt beter dan Pap. 

trabau (Sp. trabajo). Ook Afrikaans. 
trek, treek, aderlaten, G. D. blz. 63. 
trop troep, N. T. Mth. 8, 30. Ook Afrikaans en Vlaams (zie De 

Bo, i. v.). 
trubel lastig vallen, N. T. H. Mth. 26, 10 (Eng. to trouble). 
tschikki soort vloo, die onder de nagels der tenen zich inboort, 

G. D. blz. 76. Zie Oldendorp, blz. 125. 
twieffelmudig, twijfelmoedig, N. T. Handl. 5, 24. 



Vas vastgrijpen, N. T. Mth. 8, 15. 

veld lengtemaat voor afstanden te land en ter zee, stadion, N. T. 

D. Joh. 6, 19; de Herrnhutters hebben veldweg, 
vence heining, N. T. D. Mrcs. 12, 2 (Eng. fence). 
vercier in orde brengen (van lampen), N. T. Mth. 25, 7. 
verkoud verkoelen, N. T. H. Mth. 24, 12. 
verloor verliezen, G. D. blz. 40. 
vermunter aansporen, Evang. Leerb. blz. 30. 
verniet vernietigen, N. T. D. Mth. 22, 7. 
versplit in stukken houwen, N. T. H. Mth. 24, 51. 
verstell (sender aangezicht) huichelen, N. T. H. Mth. 6, 16. 

Germanisme. 
vissgoed viezigheid, Ps. blz. 89. 
vlambees vlambouw, N. T. H. Joh. 18, 13. Op andere plaatsen 

(b. v. N. T. Openb. 8, 10) schrijven de Herrnhutters, gelijk de 

Denen steeds doen, vlambeew. Deze vorm heeft ook 't Pap.: 

flambeew. 
voeten poten (van dieren), N. T. Mth. 7, 6. 
vroevroe ochtend, N. T. Mrcs. 11, 20. 
vutbaj jongen, bediende, G. D. blz. 53. Eng. footboy, dat ik echter 

niet in de lexica vermeld vind, wel Negerengels foetoe bou 
vrukost ontbijt, G. D. blz. 56. Daar ochtend in 't Negerholland 

vroe luidt, schijnt het niet nodig aan een Danisme (Frokost, ontbijt) 

te denken. 



290 



w 

Waag weegschaal, N. T. H. Openb. 6, 5. Germanisme (?); de Denen 
hebben getoigt (vermoed, in plaats van schaal en gewicht). 

wachman wachter N. T. Mrcs. 13, 34; herder, Ps. blz. 56. Ygl. 
Zeeuws wachten voor hoeden (b.v. in de plaatsnaam Koewacht). 

water begieten, N. T. 1 Cor. 3, 6. 

watergoot beek, N. T. H. Joh. 18, 1. De Denen en Oldendorp 
hebben eenvoudig goot. 

waterpan bad, badplaats, N. T. H. Joh. 5, 2. De Denen hebben dam. 

weet kennen, N. T. D. Mth. 25, 12. Vgl. in 't Nederl. ik weet 
iemand die ... . 

weit tarwe, N. T. H. Mth. 12, 20. De Denen hebben koorn. 

wiek vlaswiek, N. T. H. Mth. 12, 20. De Denen hebben de ver- 
kleinende vorm wikkie. 

wil houden van, liefhebben, G. D. blz. 73; Pontoppidan (blz. 138) 
heeft wel. 

wienhoofje wijngaard, N. T. H. 1 Cor. 9, 7. De Denen hebben 
wiengart. 

wissiewassie ijdel, lichtvaardig, G. D. blz. 73. 

wolter wortel, N. T. H. Mth. 3, 10. 

wonder benieuwd zijn, T. P. blz. 138 (Eng. to wonder = to be in 
a state of exspectation) ; maar G. D. blz. 71 betekent het over iets 

' verwonderd zijn en kan dan 't Nederl. (zich) verwonderen wezen. 



THE BORROWER W1LL BE CHARGED 
AN OVERDUE FEE IF THIS BOOK IS 
NOT RETURNED TO THE LIBRARY ON 
OR BEFORETHE LAST DATE STAMPED 
BELOW. NON-RECEIPT OF OVERDUE 
NOTICES DOES NOT EXEMPT THE 
BORROWER FROM OVERDUE FEES. 

Harvard College Widener Library 
Cambridge. MA02138 {617)495-2413